Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200530034 nr. 13

30 034
Bevordering van het naar arbeidsvermogen verrichten van werk of van werkhervatting van verzekerden die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn en tot het treffen van een regeling van inkomen voor deze personen alsmede voor verzekerden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)

nr. 13
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 27 mei 2005

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

In artikel 1.1.1 komt de definitie van arbodienst als volgt te luiden:

arbodienst: een dienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998;

2

In de artikelen 1.1.1, 1.2.1, eerste lid, 1.2.2, 1.6.1, vierde en tiende lid, 5.5, eerste en derde lid, 6.2.2, tweede lid, 7.1.3, derde lid, 7.2.2, tweede en derde lid, en 7.2.5, wordt «maatmanloon» steeds vervangen door: maatmaninkomen.

3

In artikel 1.2.3, vierde lid, wordt «kunnen met betrekking tot het eerste lid» vervangen door: kunnen met betrekking tot het eerste, tweede en derde lid,.

4

Artikel 1.5.2 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «waarin de ziekte» vervangen door: waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling.

b. In het vierde lid, onderdeel b, wordt «het aantal dagen» vervangen door: de uitkomst van het aantal dagen.

5

Artikel 2.2.4 wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid, onderdeel a, wordt «artikel 3.1.1.3 van die wet» vervangen door: artikel 18 van die wet.

6

Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

1°. «in een dienstbetrekking» wordt vervangen door: al dan niet in een dienstbetrekking;

2°. er wordt een zin toegevoegd, luidende: Bij ministeriële regeling kunnen nadere en afwijkende regels worden gesteld in verband met het voor bijzondere gevallen vaststellen van welke dag als eerste werkdag wordt aangemerkt.

b. Het derde lid komt te luiden:

3. Bij het bepalen van de wachttijd worden de volgende perioden in aanmerking genomen:

a. perioden waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet en de daarop berustende bepalingen worden in aanmerking genomen en worden samengeteld, indien zij:

1°. elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of

2°. direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid aansluitende op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak; en

b. perioden die niet al op grond van onderdeel a meetellen maar waarin de verzekerde ongeschikt is geweest voor zijn arbeid. Deze perioden worden samengeteld, indien zij:

1°. elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of

2°. direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid aansluitende op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

c. In het vierde lid wordt «van de artikelen 19a, 19b, 29, 30, 31, 44 en 45 van de Ziektewet» vervangen door: van de artikelen 19a en 19b van de Ziektewet.

d. In het vijfde lid wordt «als bedoeld in het derde lid, onderdeel b» vervangen door: als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder 2°.

7

Artikel 4.1.4, vijfde lid, vervalt.

8

In artikel 4.2.3, tweede lid, onderdeel b wordt «visuele of auditieve» vervangen door: visuele, auditieve of motorische.

9

Aan artikel 4.2.4, vierde lid, wordt een zin toegevoegd, luidende: Daarbij kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de subsidie in dit artikel in geval van overgang van onderneming als bedoeld in artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

10

In artikel 5.1, onderdeel b, wordt «bedoeld in artikel 3, tweede lid» vervangen door: bedoeld in artikel 3.1, tweede lid.

11

Artikel 5.5 wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan het derde lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Onderdeel b strekt zich mede uit tot afname van arbeidsgeschiktheid voor zover deze kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als die tot die gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid en die binnen een half jaar na aanvang van de verzekering is ingetreden.

b. Aan het artikel worden twee leden toegevoegd, luidende:

5. Indien de bij de aanvang van de verzekering, bedoeld in het tweede en derde lid, aanwezige arbeidsongeschiktheid nadien is afgenomen of aanwezige gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid nadien is toegenomen, wordt in plaats van de aanvang van de verzekering gelezen het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid is afgenomen respectievelijk de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid toenam.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld als bedoeld in artikel 1.2.3, vierde lid.

12

In artikel 7.1.3, tweede en derde lid wordt «of indien deze periode langer is, op de dag dat het recht op een loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt» vervangen door: doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt.

13

In artikel 7.1.3, derde lid, en 7.2.2, tweede lid en derde lid, wordt «per kalendermaand» steeds vervangen door: per uur.

14

In artikel 7.2.1, vierde lid, wordt «onder 2°» vervangen door: onder 1°.

15

Artikel 7.2.3, vijfde lid, komt te luiden:

5. Indien de hoogte van de uitkering, bedoeld in het vierde lid, per kalendermaand minder bedraagt dan G x H waarbij:

G staat voor het uitkeringspercentage, bedoeld in het zesde lid; en

H staat voor het minimumloon per maand of het maandloon in het geval het minimumloon per maand hoger is dan het maandloon, wordt de hoogte van de uitkering, bedoeld in het vierde lid, vastgesteld op G x H, doch ten hoogste op 0,7 x (C-D), als bedoeld in het eerste lid.

16

In artikel 8.2.8, eerste lid, vervalt «, de uitkering in de vorm van».

17

In artikel 8.2.14, eerste lid, wordt «een voorziening als bedoeld in artikel 4.2.3» vervangen door: een voorziening als bedoeld in artikel 4.2.2, tweede lid, of artikel 4.2.3.

18

In artikel 8.2.15 wordt «De verhoging, bedoeld in de artikelen 6.2.3 en 7.2.5,» vervangen door: De voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4.2.2, tweede lid, en 4.2.3, de verhoging, bedoeld in de artikelen 6.2.3 en 7.2.5,.

19

Artikel 10.1 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

c. de verzekerde zich niet houdt aan de verplichting, bedoeld in artikel 8.1.1, derde lid, of artikel 8.1.2.

b. Na het derde lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

4. Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of indien de belanghebbende zich niet houdt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 8.1.1, derde lid of artikel 8.1.2 kan het UWV afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, of het zich niet houden aan de voorschriften, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting, of het zich niet houden aan de voorschriften, plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.

5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

20

Na artikel 12.4.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12.4.6 Titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht

Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op aanspraken op grond van artikel 4.2.3.

21

In artikel 15.4 wordt na «stelt onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast» toegevoegd: waarbij rekening wordt gehouden met de artikelen die in het bij koninklijke boodschap van 17 mei 2005 ingediende voorstel van wet, betreffende regels omtrent de invoering en financiering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen alsmede met betrekking tot de intrekking van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) (Kamerstukken II 2004/05, 30 118, nr.2) worden ingevoegd.

Toelichting

Algemeen

Met deze nota van wijziging worden enkele technische onjuistheden en onvolkomenheden in het voorstel van Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) gecorrigeerd. Deze punten zullen in het artikelsgewijze deel nader worden toegelicht.

Artikelsgewijs

Onderdeel 1

De voorgestelde wijziging van artikel 1.1.1 is noodzakelijk in verband met de wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 met ingang van 1 juli 2005 (Stb. 202).

Onderdeel 2

Dit onderdeel betreft een terminologische wijziging. In de lagere regelgeving van de diverse arbeidsongeschiktheidswetten wordt steeds gesproken van de term «maatmaninkomen» terwijl in de Wet WIA, waar op dit punt hetzelfde wordt beoogd, wordt gesproken van maatmanloon. Ter bevordering van een eenduidig taalgebruik wordt daarom ook in deze wet de voorkeur gegeven aan de term maatmaninkomen.

Onderdeel 3 en 11, onderdeel b

De wijzigingen in artikel 1.2.3 en in 5.5, zesde lid, beogen het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten een vergelijkbare wettelijke basis te geven als thans op grond van de WAO het geval is. Bij het opstellen van de noodzakelijke wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de invoering van de Wet WIA, bleek dat de voorgestelde wettekst daar ten onrechte niet op gelijke wijze in voorzag.

Onderdeel 4

In het eerste lid van artikel 1.5.2 werd ten onrechte de indruk gewekt dat alleen ziekte kan leiden tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. In onderdeel a wordt dit gecorrigeeerd. Ook een gebrek, zwangerschap of bevalling kunnen daartoe leiden op grond van de definities van volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid in hoofdstuk 1 van de Wet WIA.

In de huidige tekst van artikel 1.5.2, vierde lid, is de formule die noodzakelijk is om tot het maanloon te komen, niet juist voorwoord. De bedoeling is dat eerst het aantal dagen wordt berekend en dat deze uitkomst daarna wordt vermenigvuldigd met 21,75 maal het dagloon. Onderdeel b voorziet daarin.

Onderdeel 5

In artikel 2.2.4, eerste lid, werd abusievelijk verwezen naar een niet bestaand artikel in de Wet financiering sociale verzekeringen.

Onderdeel 6

Uit nader overleg met het UWV is gebleken dat de bepaling van de duur van de wachttijd op grond van artikel 3.1 voor een WGA-uitkering niet in alle gevallen afdoende was geregeld. Met name voor personen die geen aanspraak hebben op een Ziektewet uitkering (omdat zij bijvoorbeeld niet in dienstbetrekking werkzaam zijn) was het niet in alle gevallen duidelijk hoe deze wachttijd moest worden bepaald.

Daarom is in artikel 3.1, derde lid, een bepaling toegevoegd op grond waarvan in deze gevallen perioden van arbeidsongeschiktheid toch worden meegenomen bij het bepalen van de wachttijd.

Bij de toepassing van het derde lid, onder a, behoeft het UWV overigens in gevallen waarin bij ziekte aanspraak bestaat op loondoorbetaling niet steeds te onderzoeken of sprake is van ongeschiktheid voor zijn arbeid. Nader onderzoek door het UWV heeft in deze gevallen weinig toegevoegde waarde, nu de uitkomst daarvan vrijwel steeds gelijk zal zijn aan de uitkomst van de reeds door de werkgever/arbodienst verrichte beoordeling. Bovendien past het niet in de huidige verhoudingen (het UWV eerste twee jaar «op afstand») dat het UWV die beoordeling achteraf nog eens «overdoet». Dergelijke perioden worden derhalve zonder meer in aanmerking genomen voor de wachttijd. Dit is slechts anders als er aanleiding is voor het vermoeden dat het oordeel van de werkgever/arbodienst niet juist is geweest. Stelt het UWV bijvoorbeeld aan het einde van de wachttijd vast dat geen sprake meer is van ongeschiktheid, dan wordt de wachttijd niet vervuld. Het enkele feit dat de werkgever het loon tot het einde van de wachttijd blijft doorbetalen omdat werkgever/arbodienst menen dat de werknemer nog wel ongeschikt is, heeft dan niet tot gevolg dat tóch de wachttijd wordt vervuld.

In artikel 3.1, vierde lid, werd met het recht op ziekengeld gelijkgesteld de toepassing van een aantal bepalingen in de Ziektewet waardoor geen ziekengeld aan de verzekerde wordt uitbetaald. In enkele gevallen was dit echter overbodig, omdat in die gevallen weliswaar geen ziekengeld wordt uitbetaald maar wel recht bestaat op ziekengeld op grond van de Ziektewet. Deze gevallen betreffen de toepassing van de artikelen 29, 30, 31, 44 of 45 Ziektewet worden toegepast.

Daarnaast bleek het noodzakelijk te zijn dat de Wet WIA de mogelijkheid zou moeten bieden tot het treffen van nadere regels ter bepaling van de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt (op welke wijze wordt bijvoorbeeld omgegaan met zon- en feestdagen, verlofdagen en dergelijke). Op grond van de andere arbeidsongeschiktheidswetten is het UWV bevoegd dergelijke regels te stellen. Op dit moment wordt er de voorkeur aangegeven deze (bestaande) regels de vorm van een ministeriële regeling te geven. Ook voor de andere arbeidsongeschiktheidswetten zal dit zo worden geregeld.

Onderdeel 7

De delegatiebepaling in artikel 4.1.4, vijfde lid, is overbodig gebleken. Er zijn op dit moment geen voornemens tot het treffen van regels met betrekking tot het begrip passende arbeid.

Onderdeel 8

Op grond van artikel 4.2.3 kan het UWV arbeidsplaatsvoorzieningen verstrekken. In het tweede lid van dat artikel wordt een limitatieve opsomming gegeven van te verstrekken arbeidsplaatsvoorzieningen. Gelet op artikel 4.2.3 WIA, tweede lid, onderdeel b, kan het UWV vergoeding voor intermediaire activiteiten ten behoeve van personen met een visuele of auditieve handicap verstrekken. Door de voorgestelde wijziging kan het UWV ook intermediaire activiteiten ten behoeve van motorisch gehandicapten vergoeden. Onder dergelijke activiteiten moeten verstaan worden het assisteren bij de eigenlijke arbeid zoals bijvoorbeeld het op deskundige wijze helpen bij het in- en uitstappen van een rolstoel gebonden medewerker, het aanreiken vasthouden of vastzetten van hulpmiddelen of materialen bij de arbeid, het opbergen van dossiers of het instellen van apparatuur of meubilair. Het betreft nadrukkelijk niet activiteiten die liggen op het terrein van jobcoaching of activiteiten met betrekking tot persoonlijke verzorging of ondersteuning.

Onderdeel 9

Het is gewenst een mogelijkheid te creëren om regels te stellen met betrekking tot de subsidie, bedoeld in artikel 4.2.4, in geval van overgang van onderneming. Dit artikel biedt die mogelijkheid. In de bedoelde regels zal bijvoorbeeld geregeld kunnen worden dat de subsidie die is verstrekt aan een werkgever die zijn onderneming overdraagt wordt aangemerkt als subsidie verstrekt aan de werkgever die genoemde onderneming overneemt.

Onderdeel 10

Ten onrechte werd in artikel 5.1, onderdeel b, verwezen naar het niet bestaande artikel 3, tweede lid, in plaats van naar artikel 3.1, tweede lid.

Onderdeel 11

Bij het opstellen van artikel 5.5 is ten onrechte geen rekening gehouden met de situatie dat de verzekerde, die geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt was bij aanvang van de verzekering, nadien meer of minder arbeidsongeschikt wordt. Daarin wordt in dit onderdeel (door de toevoeging van een zin aan het derde lid van artikel 5.5 en het toevoegen van een vijfde lid) op vergelijkbare wijze voorzien als thans geldt op grond van respectievelijk artikel 30, derde lid en 8, derde lid, van de WAO.

Onderdeel 12

Artikel 7.1.3, tweede en derde lid, regelt op welk moment de WGA-uitkering eindigt in het geval de verzekerde minder dan 35% arbeidsongeschiktheid wordt. Voor deze gevallen is voorzien in een uitloopperiode. In dit onderdeel worden genoemde leden van artikel 7.1.3 duidelijker geredigeerd.

Onderdeel 13

Bij het bepalen van de hoogte van de WGA-uitkering per kalendermaand wordt in de artikelen 7.1.3 en 7.2.2 uitgegaan van het maatmaninkomen per kalendermaand. Omdat het maatmaninkomen per uur wordt bepaald is het logischer uit te gaan van het maatmaninkomen per uur.

Onderdeel 14

Abusievelijk werd in artikel 7.2.1 naar het verkeerde onderdeel van artikel 5.1 verwezen.

Onderdeel 15

In het wetsvoorstel was een bodemuitkering geïntroduceerd om te voorkomen dat de loonaanvulling lager zou zijn dan de WGA-vervolguitkering. De bodemuitkering werd echter ook van toepassing verklaard voor de loongerelateerde uitkering. Dat kan echter tot een riante uitkering leiden. Daarom wordt de reikwijdte van de bodemuitkering beperkt tot de situatie dat de loonaanvulling anders, dat wil zeggen zonder bodemuitkering, lager zou zijn dan de WGA-vervolguitkering.

Onderdeel 16

In artikel 8.2.8, eerste lid, werd gesuggereerd dat de WGA- of IVA-uitkering na overlijden zou worden voortgezet. Daarvan is echter geen sprake, want overlijden is een uitsluitingsgrond (zie artikel 5.1, onderdeel g). Dat betekent dat voornoemde uitkeringen eindigen op de dag van overlijden (zie artikel 6.1.3, eerste lid, onderdeel b respectievelijk artikel 7.1.3, eerste lid, onder b). Dit laatste betekent overigens, anders dan bij de overige uitsluitingsgronden, dat over de dag van overlijden nog recht bestaat op een WGA- of IVA-uitkering; de overlijdensuitkering gaat de dag daarna in.

Onderdeel 17

Ten onrechte is in artikel 8.2.14 niet geregeld dat de voorziening, bedoeld in artikel 4.2.2, tweede lid, niet vatbaar is voor verpanding of belening. Dit onderdeel corrigeert die omissie.

Onderdeel 18

Ten onrechte is in artikel 8.2.15 niet geregeld dat de voorzieningen, bedoeld in artikel 4.2.2, tweede lid, en artikel 4.2.3 niet vatbaar zijn voor beslag. Dit onderdeel corrigeert die omissie.

Onderdeel 19

In onderdeel a wordt aan artikel 10.1, eerste lid, onderdeel c, artikel 8.1.2 van de Wet WIA toegevoegd. Zoals ook uit de toelichting op artikel 8.1.2 blijkt is het gewenst dat het UWV een maatregel kan opleggen als de verplichting, bedoeld in artikel 8.1.2, niet is nageleefd.

Ten onrechte is in artikel 10.1 niet bepaald dat het UWV bij dringende reden kan afzien van het opleggen van een maatregel en wanneer het UWV kan volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. In onderdeel b, wordt dit aan artikel 10.1 toegevoegd, conform artikel 29 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Onderdeel 20

In dit onderdeel wordt in artikel 12.4.6 bepaald dat Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) niet van toepassing is op de verstrekking van voorzieningen op grond van artikel 4.2.3. De ratio van deze bepaling is van praktische aard. In veel gevallen zullen deze voorzieningen in natura worden toegekend. In dat geval is titel 4.2 van de AWB niet van toepassing. In enkele gevallen zal echter een financiële tegemoetkoming voor gemaakte kosten kunnen worden toegekend. In dat geval is titel 4.2 van de AWB weer wel van toepassing. Teneinde te komen tot een eenduidige uitvoering met betrekking tot de verstrekking van voorzieningen als hiervoor bedoeld is er voor gekozen titel 4.2 van de AWB niet van toepassing te verklaren.

Onderdeel 21

Om ervoor te zorgen dat de Wet WIA na inwerkingtreding van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een doorlopende nummering krijgt, is het noodzakelijk dit in artikel 15.4 van de Wet WIA expliciet vast te leggen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus