Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 35050 nr. 64 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 35050 nr. 64 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juli 2026
Onderwijs biedt vooruitgang: voor leerlingen en hun ontwikkeling, maar ook voor onze samenleving en ons land. Onderwijs is bepalend voor de uitgangspositie van kinderen, voor vervolgonderwijs en voor een leven als vrije, zelfstandige volwassene. In Nederland staat de kwaliteit van het onderwijs al geruime tijd onder spanning. Dit wordt mede veroorzaakt door de oplopende personeels- en huisvestingstekorten.
De huidige regels rondom het stichten, instandhouden en opheffen van scholen zorgen voor extra druk op de oplopende personeels- en huisvestingstekorten, wat een risico vormt voor de onderwijskwaliteit. Een belangrijke factor binnen die regels is het grote aantal te kleine basisscholen in ons land. Er zijn honderden basisscholen die onder de gedifferentieerde gemeentelijke opheffingsnorm zitten. In het licht van de huidige tekorten is het niet langer houdbaar om zoveel te kleine scholen in stand te houden. Om het scholenlandschap toekomstbestendig in te richten, is het nodig de regels te herzien.
Vanwege de grote samenhang tussen stichten, instandhouden en opheffen kan niet aan één knop worden gedraaid, maar moet het geheel aan regels worden bezien. We zijn hierover al enige tijd met veldpartijen in gesprek. Uit deze gesprekken, verschillende onderzoeken en de evaluatie van de stichtingsprocedure is een aantal zaken naar voren gekomen die aanpassing behoeven. Deze zijn hieronder uiteengezet.
Stichten van nieuwe scholen
Huidige regelgeving
Elk jaar komen er nieuwe scholen bij in Nederland.1 Dit is een groot goed dat voortvloeit uit onze Grondwet (artikel 23): iedereen is vrij om een school te stichten mits deze aan een aantal eisen voldoet. Met de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen (MRvNS) zijn de aanvraagprocedure voor een nieuwe school en de eisen waaraan een aanvraag moet voldoen, ingrijpend veranderd. Een nieuwe school hoeft niet langer te behoren tot een erkende richting (zoals protestants-christelijk). Allereerst omdat de richting van een school voor steeds meer ouders van ondergeschikt belang is. Maar ook omdat het systeem ervoor zorgde dat het scholenaanbod niet goed kon meebewegen met de behoeften van ouders en leerlingen.
Met de wet MRvNS ligt de focus ligt op levensvatbaarheid en onderwijskwaliteit. De oude indirecte belangstellingsmeting, waarbij ouders geen stem hadden, is vervangen door een belangstellingsmeting onder ouders wonend in het voedingsgebied met kinderen in bepaalde leeftijdscategorieën. De levensvatbaarheid is van belang in het licht van de tekorten en moet ook in de praktijk worden aangetoond; als scholen halverwege de cursusduur onvoldoende leerlingen hebben dan stopt de bekostiging. Daarbij wordt uitgegaan van de stichtingsnorm, wat een significant hogere norm is dan de opheffingsnorm.
Ook is een kwaliteitstoets onderdeel van de wet MRvNS. Alleen als de inspectie positief is over alle zes deugdelijkheidseisen2 en dus de te verwachten onderwijskwaliteit, krijgt de school een positief bekostigingsbesluit.
Evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen (MRvNS)
De wet is de afgelopen vijf jaar gemonitord en geëvalueerd. Voor 2026–2030 en 2031–2035 zijn nog twee evaluatieperiodes gepland. In de evaluatie valt te lezen dat de wet doet waarvoor hij bedoeld is: er zijn nieuwe scholen opgericht die aansluiten op de behoeften van ouders en leerlingen. De belangstellingsmeting stelt ouders in staat zich uit te spreken over hun onderwijswensen. Uit de evaluatie en cijfers van de inspectie blijkt dat de onderwijskwaliteit naar behoren is. Van de 96 scholen die sinds 2023 zijn gestart, kregen 70 scholen een voldoende en 23 een oordeel onvoldoende of zeer zwak. Van drie scholen is het inspectieoordeel nog niet definitief. De inspectie heeft tot nu toe 10 (van de 23) herstelonderzoeken afgerond en kende alle scholen daarna een voldoende toe. De andere herstelonderzoeken zijn nog niet afgerond. Ook laat de evaluatie zien dat nieuwe scholen onderwijspersoneel aantrekken, dat niet eerder werkzaam was bij een andere school. Tot slot ziet 78% van de gemeenten de nieuwe school als een aanvulling op het bestaande aanbod.
Sinds de invoering van MRvNS zijn meer scholen gesticht, met name in het basisonderwijs. Hoewel deze ontwikkeling was verwacht en het aantal nieuwe po- en vo-scholen (96) beperkt is ten opzichte van het totaal aantal scholen (circa 7.500), kan een nieuwe school grote impact hebben op een lokale situatie (bijvoorbeeld voor de onderwijshuisvesting en de personeelstekorten). Zo staat een gemeente aan de lat om binnen veertien maanden passende onderwijshuisvesting te organiseren. Dit kan extra drukken op de toch al schaarse huisvesting, met name in (grote) steden. Meer grip op het aantal nieuwe scholen binnen bepaalde regio’s is daarom steeds meer noodzaak. Ik ga breed verkennen welke mogelijkheden daartoe zijn.
Uit de evaluatie blijkt verder dat sommige gemeenten zich zorgen maken over de maatschappelijke gevolgen van nieuwe scholen. Met betrekking tot onderwijssegregatie wijzen gemeenten op het feit dat er scholen worden opgericht die gestoeld zijn op vernieuwende onderwijsconcepten of religieuze overwegingen, en dat dit de segregatie verder in de hand zou kunnen werken.3 De cijfers uit de evaluatie bevestigen deze zorg niet.4
De verschillende belangenorganisaties5 in het onderwijs zijn van mening dat de stichtingsprocedure positieve en negatieve effecten heeft. Zij zijn positief over de vrijheid van onderwijs en de bijbehorende keuzevrijheid van ouders. Ook waarschuwen ze voor ondoordachte snelle wijzigingen aan de wet. Minder positief zijn de belangenorganisaties over de druk van nieuwe scholen op de bestaande verhoudingen, de bestaande scholen en het openbaar onderwijs. Ze noemen ook dat nieuwe scholen extra druk leggen op onderwijshuisvesting en het lerarentekort. De belangenorganisaties dragen verschillende opties aan om de stichtingsprocedure te verbeteren.
Als invulling van het coalitieakkoord en om tegemoet te komen aan de zorgen van belanghebbenden, werk ik verschillende verbetermaatregelen uit in een wetsvoorstel en in lagere regelgeving. Hiermee doe ik de motie van Paul (VVD) en Van Meenen (D66)6 af.
Wetsvoorstel Praktische verbetering stichtingsprocedure
In samenspraak met gemeenten en schoolbesturen werk ik aan het wetsvoorstel Praktische verbetering stichtingsprocedure (PVS). Dit wetsvoorstel:
– geeft gemeenten maximaal 3 jaar en 6 maanden de tijd om een school te huisvesten (momenteel is dat maximaal 2 jaar en 2 maanden);
– past de termijnen van de stichtingsprocedure aan zodat de belangstellingsmeting voortaan in het voorjaar kan plaatsvinden (is nu de zomerperiode). De procedure sluit daarmee ook beter aan bij de gemeentelijke plannings- en controlcyclus;
– schrapt dubbelingen bij de aan te leveren documentatie van initiatiefnemers aan DUO en de inspectie;
– verbetert enkele specifieke vo-onderdelen, namelijk:
• verduidelijkt wanneer een vo-school volgroeid is (en dus kan worden gehouden aan de opheffingsnormen);
• zorgt dat de tussentijdse toets in het vo op de leerlinggroei weer in alle gevallen uitvoerbaar is voor DUO. Aanstaande oktober kan namelijk één vo-school niet worden getoetst, omdat niet kan worden vastgesteld welke schoolsoort (zoals mavo of havo) (on)voldoende leerlingen heeft;
• maakt het mogelijk dat gesplitste vo-scholen geen jaar hoeven te wachten tot zij van start kunnen, en
• verlaagt de opheffingsnorm voor vbo-profielen.
Ik overweeg om nog enkele uitvoeringstechnische punten toe te voegen om de administratieve lasten voor DUO, schoolbesturen en gemeenten terug te dringen. Ik overweeg daarnaast om de basis voor de tussentijdse toets, waarbij scholen worden getoetst op hun groei richting de stichtingsnorm, aan te passen van lineair naar exponentieel. Het wetsvoorstel PVS wordt nog dit jaar naar de Raad van State gestuurd en moet naast een verbetering van administratieve lasten dus ook bijdragen aan een betere balans in het vinden van geschikte huisvesting.
Verbeteren van het gesprek in de regio
Elk bevoegd gezag dat een nieuwe school wil stichten, is verplicht om de andere schoolbesturen in de regio, de gemeente en het samenwerkingsverband passend onderwijs uit te nodigen voor een gesprek. Dit gesprek is gericht op vroegtijdige afstemming en het bevorderen van de samenwerking. Het gesprek zou er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat het stichten van een nieuwe school niet nodig blijkt. Initiatiefnemers, gemeenten en schoolbesturen laten weten dat samenwerking vaak niet wordt gevonden. Ik wil dat het gesprek meer procesmatige en inhoudelijke vereisten krijgt om zo een betere samenwerking tot stand te brengen. Het gesprek in de regio moet meer gewicht krijgen en beter gepositioneerd worden met een wijzigingsvoorstel dat ik het komende half jaar met betrokkenen uitwerk en in mijn volgende Kamerbrief over dit onderwerp aan uw Kamer voorleg.
Regierol gemeenten
Elke variant waarbij een gemeente (mee)beslist over de komst van een nieuwe school stuit op grondwettelijke bezwaren en vraagt dus om een wijziging van de Grondwet. De grondwettelijke stichtingsvrijheid kan door de overheid alleen met uniforme bekostigingscriteria (zoals een belangstellingsmeting of stichtingsnormen) op rijksniveau (niet decentraal) worden begrensd. De overheid gaat dus niet over de wenselijkheid van een nieuwe school. Zo voorkomen we willekeur en garanderen we gelijke behandeling. In het coalitieakkoord is afgesproken artikel 23 van de Grondwet niet te wijzigen. Ik beschouw de motie Kisteman7 hiermee als afgedaan.
Startbekostiging
Uit de evaluatie en uit het recente onderzoek naar startbekostiging blijkt dat deze in het basisonderwijs niet toereikend is, zeker voor nieuwe scholen van nieuwe schoolbesturen. De startbekostiging is bedoeld voor de kosten voorafgaand aan de opening van de nieuwe school (en loopt dus voor op de reguliere bekostiging) en wordt twee á drie maanden voor de opening uitgekeerd aan het schoolbestuur van de nieuwe school. Ik ben van plan de startbekostiging eerder in het jaar uit te keren.
Overige thema’s
De komende evaluatieperiode (2026–2030) zal meer licht werpen op onderwijssegregatie, onderwijskwaliteit, het lerarentekort, de positie van bestaande scholen en specifiek de positie van het openbaar onderwijs. Voor deze thema’s is meer tijd nodig om de effecten goed in kaart te brengen. Ten tijde van het eerste evaluatierapport waren de eerste nieuwe scholen namelijk pas anderhalf jaar open. Hierdoor konden de onderzoekers slechts eerste beelden geven van de effecten van de wet.
Instandhouden en opheffen van basisscholen
De huidige regels
Om een school goed draaiende te houden en goed onderwijs te bieden zijn voldoende leerlingen een randvoorwaarde. Daarom kent elke gemeente van Nederland een eigen opheffingsnorm, gebaseerd op de leerlingdichtheid. Scholen in dunbevolkte gebieden hebben een lagere opheffingsnorm en mogen dus kleiner zijn dan scholen in grote steden. Deze differentiatie is nodig om te zorgen dat op alle plekken in het land voldoende scholen overblijven om de thuisnabijheid van het onderwijs te kunnen garanderen.
Als het leerlingenaantal op een school zich gedurende drie opeenvolgende jaren onder de gemeentelijke opheffingsnorm bevindt, wordt de bekostiging van de school beëindigd tenzij van een uitzonderingsgrond gebruik wordt gemaakt. Momenteel houden deze uitzonderingsgronden ongeveer 500 van de grofweg 6.000 basisscholen in stand. Deze uitzonderingsgronden schieten de uitgangspunten van de gedifferentieerde opheffingsnormen voorbij.
Onbedoeld wordt de instandhouding van te kleine scholen extra gestimuleerd door de kleinescholentoeslag (hierna: KST). Deze wordt momenteel uitgekeerd aan alle scholen met minder dan 150 leerlingen. In combinatie met de uitzonderingsgronden maakt de KST het mogelijk – en soms zelfs aantrekkelijk – voor schoolbesturen om te kleine scholen in stand te houden terwijl deze niet noodzakelijk zijn voor een aanbod van thuisnabij onderwijs.
Voorstel wijzigingen
Over de eerste stappen in de wijzigingen van de regels voor het instandhouden en opheffen van basisscholen hebben mijn ambtsvoorgangers uw Kamer in december 2024 en juli 2025 geïnformeerd.8 Om de opheffingsnormen consistenter tot hun recht te laten komen en daarmee het grote aantal te kleine scholen terug te brengen, wil ik in ieder geval de uitzonderingsgrond «gemiddelde schoolgrootte» schrappen en de kleinescholentoeslag omvormen. De kleinescholentoeslag wordt dan alleen nog uitgekeerd aan scholen in een gemeente met een opheffingsnorm van 150 of lager. Hierdoor verdwijnen de prikkels voor bestuurders om te kleine scholen in stand te houden.
Om te helpen voorkomen dat dusdanig veel scholen sluiten dat er gaten in het scholenaanbod vallen komt er een nieuwe uitzonderingsgrond op basis van een afstandscriterium. Het uitgangspunt van de nieuwe uitzonderingsgrond is dat schoolbesturen de mogelijkheid krijgen om omwille van bereikbaarheid een te kleine school open te houden. Op basis van analyses en gesprekken die er sinds 2024 zijn gevoerd, denk ik aan een afstandscriterium van 3 kilometer tussen de te kleine school en de dichtstbijzijnde andere school, hemelsbreed gemeten. Ook de laatste school van de richting in een straal van een aantal kilometer kan bekostigd blijven, ook wanneer het leerlingaantal onder de gemeentelijke opheffingsnorm ligt.
Gevolgen van wijzigingen
De voorgestelde wijzigingen zullen er niet toe leiden dat kinderen thuis komen te zitten of zo ver moeten reizen dat naar school fietsen niet meer mogelijk is. Daar waar nodig, zullen kleine scholen gewoon blijven bestaan. Bijvoorbeeld in dunbevolktere regio’s. In stedelijke gebieden is dit anders. Hier creëren de wijzigingen noodzaak voor schoolbesturen om in samenspraak met andere schoolbesturen in hun omgeving en met de gemeente te onderzoeken hoe de onderwijscapaciteit in de regio het beste kan worden ingezet. Daarmee kunnen besturen en gemeenten de druk op het personeels- en huisvestingstekort en dus op de onderwijskwaliteit verminderen. Een fusie biedt voor ouders, leerlingen, en onderwijspersoneel een soepelere overgang dan de opheffing van een school. Ik moedig schoolbestuurders, zeker in stedelijke gebieden, dan ook aan om mogelijkheden voor fusies van hun (te) kleine scholen te onderzoeken.
Wijzigingen besproken met het veld (najaar 2025)
Om er zeker van te zijn dat de overgang naar gewijzigde regels zo soepel mogelijk verloopt, hecht ik eraan dat voldoende tijd wordt genomen om de voorgestelde wijzigingen uitvoerig te bespreken en te toetsen. Voor een deel van de voorgestelde wijzigingen is dit al gebeurd tijdens de regiobijeenkomsten die in het voorjaar 2025 hebben plaatsgevonden.9 Graag informeer ik u hieronder over de regiobijeenkomsten die in het najaar van 2025 hebben plaatsgevonden, waarin verder uitgewerkte mogelijke wijzigingen met het veld zijn besproken. In deze bijeenkomsten lag de focus op kansen en uitdagingen bij fusies en samenwerking tussen schoolbesturen.
Fusies en samenwerking
Het komen tot een fusie of een samenwerkingsschool kost veel tijd, geld en inspanning, lieten schoolbesturen in de regiobijeenkomsten weten. Temeer wanneer er geen of weinig ervaring is met het fusieproces, of wanneer onrust ontstaat in de lokale gemeenschap. Naar aanleiding van deze signalen onderzoekt het Ministerie van OCW of er mogelijkheden zijn om besturen die willen fuseren of een samenwerkingsschool willen vormen, met expertise te ondersteunen. Ook werkt het ministerie aan verschillende manieren om de informatie over fusies en samenwerkingsscholen met het onderwijsveld te delen, bijvoorbeeld via handreikingen. Hieronder valt ook de handreiking voor lokale initiatieven die een zelfstandige school willen oprichten of behouden, die aan uw Kamer is toegezegd.
Tijdens de regiobijeenkomsten hebben schoolbestuurders en gemeenten ook veel succesfactoren gedeeld die de kans van slag van een fusie of samenwerkingsschool vergroten. Graag deel ik graag de twee meest genoemde.
Als eerste gaven schoolbestuurders en gemeenten aan dat een succesvolle fusie of samenwerking vereist dat bestuurders, schoolleiders en de gemeente een gedeeld beeld hebben en uitdragen over de noodzaak van de fusie of samenwerking, zodat ook leerlingen, ouders, onderwijspersoneel en de lokale gemeenschap zich hiervan bewust worden. Daarbij helpt het om alle belanghebbenden zo vroeg mogelijk te betrekken, zodat zij zich ook onderdeel voelen van de verandering.
Als tweede noemden schoolbesturen en gemeenten de relevantie van bestuurlijk lef, bijvoorbeeld om het belang van de leerlingen en de baat die zij hebben bij een stabiele school met voldoende onderwijspersoneel te stellen boven het behoud van de eigen school zoals die op dat moment is. De relevantie van bestuurlijk lef noemden schoolbesturen en gemeenten specifiek in het kader van de toegankelijkheid van het openbaar onderwijs. Dat kan in dunbevolkte gebieden met een sterke religieuze signatuur onder druk komen te staan. Schoolbesturen maken zich zorgen dat met het vervallen van de uitzonderingsgrond gemiddelde schoolgrootte veel kleine openbare scholen verdwijnen. Dat zou schuren met artikel 23 van de Grondwet, waarin geregeld is dat er voldoende openbaar onderwijs moet zijn. Daarom onderzoeken we komend najaar of het nodig is om aanvullende maatregelen te treffen om de toegankelijkheid van het openbaar onderwijs te borgen, zoals ook gevraagd in de motie Beckerman.10
Tijdens de regiobijeenkomsten zagen we veel mooie voorbeelden van schoolbesturen en gemeenten die samenwerken om het scholenaanbod in hun regio toekomstbestendig te maken. Ook voordat de regels worden aangepast, is er al veel mogelijk. Ik roep schoolbesturen en gemeenten op om, vooruitlopend op eventuele wijzigingen aan de regels, aan de slag te gaan met samen kijken naar hoe het scholenaanbod in hun omgeving het beste ingericht kan worden om goed onderwijs aan hun leerlingen te kunnen garanderen, nu en in de toekomst.
Behoud van onderwijs in dunbevolkte regio’s
Naast fusies en samenwerking kwam tijdens de regiobijeenkomsten in het najaar van 2025 een aantal andere thema’s en vraagstukken herhaaldelijk terug: de kansen die kleine of juist grotere scholen kunnen bieden voor het passend onderwijs, de samenhang tussen het stichten van scholen enerzijds en het opheffen van scholen anderzijds, de rol van gemeenten vanuit hun verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting, reeds gedane investeringen in onderwijshuisvesting, en het belang van scholen die een bredere maatschappelijke functie vervullen, bijvoorbeeld omdat ze een gebouw delen met een kinderopvang of bibliotheek.
Ook spraken de deelnemers van de regiobijeenkomsten opnieuw veel over de balans tussen de doelen van eventuele wijzigingen aan regels, namelijk het toewerken naar een toekomstbestendig scholenaanbod, en de school als ankerpunt voor de gemeenschap. Een zorg die de deelnemers in dat kader veel noemden was dat «de regio» geraakt zou worden door een wetswijziging die in de eerste plaats gericht zou zijn op tekorten in de grote steden.
Graag herhaal ik wat ook in de regiobijeenkomsten uitvoerig besproken is: dat de wijzigingen nodig zijn om de kwaliteit van het onderwijs in álle regio’s, in grote steden én in dunbevolkte regio’s te waarborgen. Het is waar dat de lerarentekorten momenteel met name in grote steden worden gevoeld, maar de prognoses laten zien dat deze tekorten over tien jaar ook de rest van het land zullen raken.
Vestigingenbeleid
Naast de wet- en regelgeving rondom instandhouden en opheffen en de mogelijkheden rondom fusies en samenwerking bepalen ook de typen vestigingen die er bestaan het scholenaanbod. Momenteel zijn dit er drie: hoofdvestigingen, nevenvestigingen en dislocaties.
Hoofdvestigingen, nevenvestigingen, dislocaties: wat zijn dat?
Een hoofdvestiging is het gebouw waarin een schoolbestuur een school sticht. Voor veel basisscholen is de hoofdvestiging de enige vestiging die de school kent.
Sommige basisscholen hebben naast de hoofdvestiging ook een nevenvestiging. Nevenvestigingen zijn bij wet deel van dezelfde school als hun hoofdvestiging, maar functioneren in de praktijk doorgaans zelfstandig. Zo’n nevenvestiging kan ontstaan wanneer wat eerst twee hoofdvestigingen waren fuseren, bijvoorbeeld omdat één van de vestigingen een te laag leerlingenaantal had. Nevenvestigingen hebben dezelfde instellingscode (BRIN) als de hoofdvestiging waar ze bij horen, maar een andere vestigingscode.
Zowel hoofd- als nevenvestigingen hebben een duidelijke plaats in de wet, worden door DUO geregistreerd en ontvangen als vestiging vaste bekostiging. Voor dislocaties is dat anders. Dislocaties hebben géén plaats in de wet, worden door DUO niet erkend of geregistreerd en ontvangen als vestiging geen vaste bekostiging. Oorspronkelijk waren dislocaties bedoeld als bijgebouw om tijdelijk ruimtegebrek op een hoofdvestiging op te vangen. Dat is ook waarom dislocaties geen plaats hebben in de wet. In de praktijk zetten schoolbesturen dislocaties echter voor meer doeleinden in, en functioneren veel dislocaties net als hoofd- en nevenvestigingen als zelfstandige school. Dislocaties vallen onder dezelfde BRIN als de hoofdvestiging waar ze bij horen.
Het bestaan van dislocaties leidt tot onvoorspelbaarheid over welke regels gelden voor welke onderwijslocaties en tot onduidelijke verschillen hierin. Zowel de overheid als schoolbesturen hebben daar last van.
Dislocaties worden niet geregistreerd, maar schoolbesturen kunnen zelf informatie aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) doorgeven over de onderwijslocaties die onder hun bestuur vallen. Dit levert een incompleet beeld op. Daarbij komt dat leerlingen die op dislocaties leskrijgen, ingeschreven staan op de hoofd- of nevenvestigingen waar de dislocatie deel van uitmaakt. Op die manier vertroebelen dislocaties het beeld van het aantal leerlingen per vestiging. Deze vertroebeling kan grote gevolgen hebben voor de voorgestelde wijzigingen aan de regels: door het bestaan van dislocaties kunnen er veel meer te kleine scholen zijn dan we nu in beeld hebben. Bovendien kunnen te kleine scholen die onder de huidige regels worden opgeheven, blijven voortbestaan als dislocaties. Dit betekent dat er geen winst ontstaat op het gebied van personeels- en huisvestingstekorten, en dus ook niet op het gebied van onderwijskwaliteit.
In de brief van juli 2025 is een extern onderzoek aangekondigd naar de inzet van dislocaties in het scholenaanbod. Dit onderzoek is eind 2025 opgeleverd en begin 2026 met uw Kamer gedeeld.11 Uit het onderzoek blijkt dat dislocaties nu voor veel verschillende doeleinden worden ingezet. Een deel van deze doeleinden is van meerwaarde voor het onderwijs, denk aan dislocaties die functioneren als bijgebouw bij ruimtetekort of huisvesting bieden aan nieuwkomersonderwijs. Deze dislocaties wil ik behouden. Dit geldt echter niet voor alle doeleinden en dislocaties. Om het scholenaanbod toekomstbestendig en voorspelbaar te maken, moet het beleid op dislocaties wijzigen. Dislocaties moeten worden geregistreerd en ingepast in het reguliere systeem van wet- en regelgeving, waardoor de inzet van dislocaties kan worden gereguleerd.
Vervolgproces
Op basis van de opbrengsten van de regiobijeenkomsten en de uitkomsten van het onderzoek naar dislocaties, is opnieuw naar de regels gekeken en worden de voorstellen nader aangescherpt en uitgewerkt. Hiertoe is een klankbordgroep gevormd om belangenorganisaties, ouderorganisaties en vakbonden te betrekken. In het najaar worden opnieuw gesprekken met schoolbestuurders en gemeenteambtenaren georganiseerd. We blijven in gesprek met alle relevante veldpartijen, opdat we de voorgestelde wijzigingen zo zorgvuldig mogelijk vormgeven. Om de onderwijskwaliteit in ons land te borgen, moeten alle randvoorwaarden goed op orde zijn. Dit kunnen we enkel samen bereiken.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.Z.C.M. Tielen
Met deze brief informeer ik uw Kamer ook over de bekostigingsbesluiten die dit jaar zijn genomen over stichtingsaanvragen voor nieuwe scholen. Aan uw Kamer is bij de totstandkoming van de wet toegezegd zowel de nieuwe aanvragen (in november) als de uiteindelijk goedkeurde initiatieven (in juni) per brief te communiceren. Aangezien de stichtingsprocedure ondertussen enige jaren loopt, we daarbij zien dat na de aanvraagperiode nog flink wat initiatieven afvallen of afhaken en om de werklast zowel bij u als op mijn ministerie te verminderen stel ik voor uw Kamer vanaf komende periode per junibrief het totaaloverzicht te sturen en geen aparte aanvraagbrief in november meer te sturen.
Tussen 1 juni en 1 juli 2025 hebben 90 initiatiefnemers een pre-registratie gedaan bij DUO om hun voornemen voor het stichten van een nieuwe school kenbaar te maken. Deze initiatieven onderzochten in de hierop volgende maanden de belangstelling voor hun initiatief. Uiteindelijk dienden vóór 1 november 52 van deze initiatiefnemers een aanvraag voor bekostiging in. Het ging om 34 aanvragen in het primair onderwijs en 18 in het voortgezet onderwijs (vo).
De afgelopen maanden hebben DUO en de inspectie de aanvragen getoetst op de wettelijke vereisten voor bekostiging. Zo controleert DUO de belangstellingsmeting, de VOG’s van de bestuurders en de leden van het intern toezicht en of de initiatiefnemer de onderwijspartijen in de regio heeft uitgenodigd voor een gesprek. Indien de aanvraag voldoet, volgt een kwaliteitstoets door de inspectie. Aan de hand van zes deugdelijkheidseisen, waaronder zicht op de ontwikkeling en begeleiding van leerlingen en het burgerschapsonderwijs, brengt de inspectie een positief of een negatief advies uit ten aanzien van de aanvraag. Indien het advies van de inspectie negatief uitvalt of wanneer niet wordt voldaan aan één van de andere bekostigingsvereisten, wordt de aanvraag afgewezen. De initiatieven met een positief bekostigingsbesluit kunnen vervolgens hun deuren openen op 1 augustus 2027.12
De resultaten van de vijfde stichtingsronde vindt u in onderstaande tabel.
|
PO |
VO |
|
|---|---|---|
|
Aantal aanvragen |
34 |
18 |
|
Aantal afgewezen |
8 |
5 |
|
Aantal goedgekeurd |
26 |
13 |
|
Soorten nieuwe scholen |
22 nieuwe scholen en 4 verzelfstandigingen1 |
3 nieuwe scholen, 4 splitsingen en 6 uitbreidingen van bestaande vo-scholen)2 |
|
Onderverdeling openbaar/bijzonder |
4 openbare scholen en 22 bijzondere scholen |
1 openbare school en 12 bijzondere scholen |
Het bevoegd gezag kan een aanvraag indienen om een nevenvestiging, die zich op een andere locatie bevindt dan de hoofdvestiging van die school, te verzelfstandigen.
Een bestaande school of scholengemeenschap kan worden gesplitst in twee scholen of scholengemeenschappen. Het bevoegd gezag kan de school of scholengemeenschap (die ontstaat na splitsing van een school of scholengemeenschap) voor bekostiging in aanmerking brengen.
Duiding cijfers
Het totale aantal goedgekeurde aanvragen (39) is hoger dan vorig jaar (29). Het verwachte aantal scholen blijft binnen de verwachte bandbreedte van 20 tot 50 aanvragen voor nieuwe scholen per jaar. De stijging is voornamelijk te verklaren door het vo. Als we kijken naar de goedgekeurde aanvragen in het vo zien we weinig nieuwe scholen (3), maar vooral een toename van uitbreiding van bestaande vo-scholen met andere onderwijsniveaus (6) en splitsingen van bestaande vo-scholen (4).
|
Ronde 1 (aanvraag in 2021) |
Ronde 2 (aanvraag in 2022) |
Ronde 3 (aanvraag in 2023) |
Ronde 4 (aanvraag in 2024) |
Ronde 5 (aanvraag in 2025) |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
Ouderverklaringen |
10.382 |
7.280 |
5.449 |
9.125 |
10.152 |
|
Pre-registraties |
102 |
98 |
76 |
71 |
90 |
|
Aanvragen |
56 |
47 |
39 |
41 |
52 |
|
Positieve besluiten |
35 |
32 |
31 |
29 |
39 |
|
Verleend uitstel voor de start van de school |
8 |
5 |
4 |
5 |
n.n.b. |
|
Gestarte scholen (inclusief verzelfstandigingen, uitbreidingen bestaande vo-scholen en splitsingen) |
34 in augustus 2023 |
31 in augustus 2024 |
31 in augustus 2025 |
n.n.b. |
n.n.b. |
Kwaliteitsonderzoeken inspectie
De onderwijskwaliteit speelt een belangrijke rol in de stichtingsprocedure: niet alleen moet de inspectie vooraf positief adviseren ten aanzien van de te verwachten onderwijskwaliteit, maar ook bezoekt de inspectie de nieuwe po- en vo-scholen in het eerste jaar na de start in het kader van een kwaliteitsonderzoek. Zo kan de inspectie erop toezien dat er ook in de praktijk wordt voldaan aan de gestelde kwaliteitseisen.
In de onderstaande tabel staan de uitkomsten van de kwaliteitsonderzoeken. Scholen die een oordeel onvoldoende of zeer zwak kregen, zijn aan de slag gegaan met kwaliteitsverbetering. Vaak werd en wordt hiervoor de hulp ingeroepen van de sectorale programma’s Goed Worden, Goed Blijven (po) en Leren Verbeteren (vo). Tot nu toe hebben alle afgeronde hersteltrajecten geleid tot voldoendes.
|
% voldoende |
% onvoldoende of zeer zwak |
% onvoldoende of zeer zwak na hersteltermijn |
|
|---|---|---|---|
|
Cohort 1 (start in '23-'24) |
85% 29 van de 34 |
15% 5 van de 34 |
0% 0 van de 34 |
|
Cohort 2 (start in '24-'25) |
73% 22 van de 30 |
27% 8 van de 30 |
10%1 3 van de 30 |
|
Cohort 3 (start in '25-'26)2 |
59% 19 van de 32 |
31% 10 van de 32 |
n.n.b. |
dit percentage kan nog verder dalen, omdat het herstelonderzoek van drie scholen nog niet is afgerond.
van drie scholen in dit cohort is het eerste kwaliteitsonderzoek nog niet afgerond. De percentages tellen daarom op tot 90% en niet tot 100%.
Uit de laatste Staat van het Onderwijs13 blijkt dat 81% van de scholen een eindoordeel «voldoende» krijgt, 19% krijgt een oordeel «onvoldoende» of «zeer zwak».
De zes deugdelijkheidseisen zijn: aanbod, burgerschapsonderwijs, zicht op ontwikkeling en begeleiding, extra ondersteuning, onderwijstijd en bestuur en intern toezicht
In het geval van de komst van een nieuwe school maken 5 op de 10 gemeenten zich zorgen om onderwijssegregatie als gevolg. In geval van een verzelfstandiging of splitsing maken slechts 2 op de 10 gemeenten zich hier zorgen over. (Oberon. Evaluatie Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen. 2026)
Analyses uit de evaluatie laten zien dat nieuwe basisscholen onder de MRvNS-wet nauwelijks invloed hebben op segregatie. Voor het voortgezet onderwijs lijkt de segregatie toe te nemen, maar door het beperkte aantal nieuwe scholen en andere ontwikkelingen is dit niet direct aan de komst van nieuwe scholen toe te schrijven.
In maart en april 2026 heeft het Ministerie van OCW gesproken met vertegenwoordigers van Verus, VGS, ISBO, VOS-ABB, VOO, Ouders en Onderwijs, ROV, PO-Raad, VO-raad en de VNG.
Zie: Kamerbrief over aanpassingen in het stelsel van instandhouding en opheffing basisscholen | Rijksoverheid.nl en Kamerbrief over stand van zaken instandhouding in het basisonderwijs en update regiobijeenkomsten | Rijksoverheid.nl.
Zie voor informatie over de voorjaarssessies Kamerbrief over stand van zaken instandhouding in het basisonderwijs en update regiobijeenkomsten | Rijksoverheid.nl
Oberon (2025). Dislocaties gelokaliseerd: Onderzoek naar de spreiding, kenmerken en redenen van dislocaties in het primair onderwijs (auteurs: Bisschop, P., Carrilho, S., Gerritsen, S. Den Hartog, R).
In het geval van verzelfstandigingen van bestaande onderwijslocaties (po) vangt de startdatum voor bekostiging aan in hetzelfde kalenderjaar als het besluit, i.e. augustus 2026.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35050-64.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.