Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935030 nr. 14

35 030 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Invorderingswet 1990 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PbEU 2016, L 234/26) (Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking)

Nr. 14 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 november 2018

In deze brief treft u de schriftelijke antwoorden aan op een deel van de vragen dat is gesteld tijdens het wetgevingsoverleg van 5 november 2018 over het wetsvoorstel Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking (implementatiewetsvoorstel ATAD1). Tevens zijn enkele antwoorden opgenomen naar aanleiding van vragen over de voorgenomen bronbelasting op rente en royalty’s. Deze vragen zijn gesteld in het kader van het wetgevingsoverleg over het pakket Belastingplan 2019 op diezelfde dag. Dit onderwerp behoort strikt genomen niet tot het onderhavige wetsvoorstel, maar is in deze beantwoording meegenomen vanwege de samenhang met de substance-eisen. Deze substance-eisen spelen ook een rol in de CFC-maatregel die wel is opgenomen in het implementatiewetsvoorstel ATAD1.

Aanstaande vrijdag, op 9 november 2018, worden de resterende vragen mondeling beantwoord. Hierbij zal ik ingaan op de thema’s effectief en statutair tarief, de aanpak van belastingontwijking en substance. Ten slotte zal ik ingaan op vragen die gesteld zijn over woningcorporaties (voor zover nog niet meegenomen in deze schriftelijke beantwoording).

Algemeen

Mevrouw Lodders vraagt of een evaluatiebepaling in het implementatiewetsvoorstel ATAD1 kan worden opgenomen. Daarnaast vraagt ze of ik een nulmeting kan doen omtrent de effecten van het implementatiewetsvoorstel ATAD1. Het pakket Belastingplan 2019 omvat voor een groot deel de uitwerking van plannen uit het regeerakkoord die de lasten op arbeid verlagen, belastingontwijking en belastingontduiking tegengaan, en goed zijn voor het Nederlandse vestigingsklimaat. Met dit samenhangende pakket van maatregelen wordt beoogd deze doelstellingen op een doelmatige en doeltreffende wijze te bereiken. De voorgestelde wijze van implementatie van ATAD1 is een onderdeel van dat pakket. Het kabinet zal gaan monitoren wat er vanaf de inwerkingtreding van de earningsstrippingsmaatregel gebeurt met de ratio eigen/vreemd-vermogen in Nederland de komende jaren. Wel moet hierbij worden opgemerkt dat deze slechts deels door de fiscaliteit beïnvloed wordt. Ontwikkelingen op de internationale kapitaalmarkt, zoals de rentestand en de beschikbaarheid van kapitaal, hebben hierop ook een groot effect. Er kan dus geen harde (causale) effectmeting worden gedaan.

Mevrouw Leijten vraagt of de implementatie van ATAD1 het makkelijker maakt voor de Belastingdienst. De maatregelen die nu genomen worden, zijn ingrijpend voor de Belastingdienst, mede omdat de afwijking op de bestaande ICT-structuur en regelgeving groot is en daardoor de automatiseringsconsequentie groot is. Deze maatregelen leggen een groot beslag op de ICT-capaciteit. Dit komt ook naar voren in de uitvoeringstoetsen bij de implementatie van de maatregelen uit ATAD1. Daarin is opgenomen dat de complexiteit toeneemt, maar dat de maatregelen wel uitvoerbaar zijn.

De heer Nijboer vraagt of de raming van de opbrengst van het implementatiewetsvoorstel ATAD1 gebaseerd is op tarieven van 20 procent en 25 procent. De heer Nijboer vraagt of het klopt het dat de opbrengst nu lager is nu de tarieven omlaag gaan en of dit gedekt wordt binnen de bedrijfsbelasting. De budgettaire effecten van de grondslagverbredende maatregelen, waaronder het implementatiewetsvoorstel ATAD1, zijn allen tegen de oude tarieven berekend. Vervolgens werken deze grondslagverbredingen door in de berekening van de kosten van de tariefsverlaging, die dus voor de nieuwe grondslag geldt. Er is dus geen sprake van een lagere opbrengst die gedekt moet worden.

CFC-maatregel

Mevrouw Lodders heeft gevraagd of de Controlled Foreign Company (CFC) maatregel bij een gebroken boekjaar ingaat vanaf het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2019. Ik kan bevestigen dat dit het geval is. Op grond van artikel III, onderdeel a, van het implementatiewetsvoorstel ATAD1 vindt de CFC-maatregel voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019. Dit betekent dat voor een belastingplichtige met een gebroken boekjaar (bijvoorbeeld van 1 mei 2018 tot en met 30 april 2019), de CFC-maatregel van toepassing zal zijn met betrekking tot het boekjaar dat aanvangt op 1 mei 2019.

De heer Snels, de heer Nijboer en mevrouw Leijten vragen naar de keuze voor model A of B bij de CFC-maatregel. Model B maakt al onderdeel uit van de Nederlandse winstbepaling in de vennootschapsbelasting. Model B staat gelijk aan het bepalen van de winst volgens het arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel – zoals dat wordt ingevuld door de afspraken in OESO-verband – is sinds 2002 verankerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969). Met dit wetsvoorstel voert dit kabinet tevens een aanvullende CFC-maatregel volgens model A in. Omdat we met model B al aan de implementatieverplichting van ATAD 1 voldoen, kan bij de vormgeving van de aanvullende CFC-maatregel op basis van model A worden afgeweken van ATAD1. De aanvullende CFC-maatregel komt immers bovenop de minimumstandaard die ATAD1 vereist. Afgezien van het landenbereik is de aanvullende CFC-maatregel overigens conform het in ATAD1 opgenomen model A uitgewerkt. Met de aanvullende CFC-maatregel wordt ook tegemoetgekomen aan de motie Groot, die het kabinet opriep «bij de implementatie van de CFC-regels een variant van model A in de Nederlandse wetgeving op te nemen».1

De heer Snels vraagt voor welk model andere landen kiezen en waarom dat niet bij de overwegingen van het kabinet is betrokken. Ook ik ben geïnteresseerd in de manier waarop andere lidstaten de richtlijn implementeren. Echter, op het moment van vormgeving van de CFC-maatregel was dat beeld niet compleet en is dat ook vandaag nog steeds niet het geval. Soms is wel duidelijk dat EU-landen kiezen voor model A of model B, maar hoe de invulling er dan precies uitziet is nog niet duidelijk. Landen hebben nog tot 1 januari 2019 de tijd voor de implementatie in de nationale wetgeving. De Europese Commissie (EC) houdt wel bij welke lidstaten de implementatie hebben afgerond.2 Dit zijn Polen, Roemenië en Slowakije. Pas als alle lidstaten de richtlijn hebben geïmplementeerd ontstaat een goed beeld. Daarom zal ik aan de EC vragen om, wanneer de uiterste datum van implementatie is verstreken, een overzicht te geven van de wijze waarop lidstaten de richtlijn hebben geïmplementeerd. Nadat dit overzicht beschikbaar is, wordt dit met uw Kamer gedeeld.

Mevrouw Leijten merkt op dat met de introductie van de CFC-maatregel de mogelijkheid wordt geboden om in Nederland bij te heffen over de winsten van gecontroleerde lichamen. In dat kader vraagt mevrouw Leijten of bijheffing ook volgens de huidige wetgeving al kan en of Nederland dat ook doet. Ik kan bevestigen dat Nederland ook met het huidige instrumentarium de mogelijkheid heeft om in specifieke gevallen belasting te heffen en hier ook gebruik van maakt. In dit verband kan onder andere gewezen worden op artikel 8b Wet Vpb 1969 waarin het arm’s-lengthbeginsel is opgenomen. Op basis hiervan heeft de inspecteur de mogelijkheid om winst van een belastingplichtige te corrigeren wanneer er, kort gezegd, sprake is van transacties die niet als zakelijk («at arm’s length») kunnen worden aangemerkt en de bijbehorende functies in Nederland worden uitgeoefend. Hiermee kan worden bewerkstelligd dat de winst belast wordt in het land waar de waarde daadwerkelijk wordt gecreëerd en kunnen onzakelijke voorwaarden en prijzen bestreden worden. Daarnaast is het in bepaalde gevallen mogelijk om bij te heffen bij niet-kwalificerende beleggingsdeelnemingen. Zo is in artikel 13a Wet Vpb 1969 een herwaarderingsverplichting opgenomen voor een belastingplichtigen met een niet-kwalificerende beleggingsdeelneming. Op grond daarvan kan dus ook worden bijgeheven.

De heer Snels vraagt of het klopt dat de richtlijnen voor verrekenprijzen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) niet in de wet zijn vastgelegd. Dit klopt. Het arm’s-lengthbeginsel zelf is in het jaar 2002 gecodificeerd door het opnemen van artikel 8b in de Wet Vpb 1969. Dit is een open norm waarvan de interpretatie in beginsel wordt bepaald door de afspraken die hierover in de OESO zijn gemaakt. Ondanks dat de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen (en daarmee ook de aangebrachte wijzigingen als gevolg van het project Base Erosion and Profit Shifting (BEPS-project) van de OESO) niet als zodanig in de Wet Vpb 1969 zijn overgenomen, hebben ze door codificatie van het arm’s-lengthbeginsel in beginsel wel directe werking in de Nederlandse rechtspraktijk. Dit standpunt is ook ingenomen in het recentelijk geactualiseerde Verrekenprijzenbesluit.3

Earningstripping

De heer Omtzigt vraagt wat de gevolgen zijn van de earningsstrippingmaatregel voor waarborgfondsen. Op grond van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan er geen informatie worden verstrekt over de belastingposities van individuele belastingplichtigen. In zijn algemeenheid kan ik het volgende opmerken. Waarborgfondsen hebben veelal de rechtsvorm van een stichting. Op grond van de Wet Vpb 1969 is een stichting belastingplichtig voor zover zij een onderneming drijft. Daarvan is sprake bij een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid waarbij door deelname aan het economische verkeer voordeel wordt behaald dan wel redelijkerwijs een voordeel te verwachten is (winststreven). Een winststreven wordt ook in ieder geval verondersteld aanwezig te zijn als er doorlopend overschotten worden behaald. Dat wordt beoordeeld door de inspecteur aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. De earningsstrippingmaatregel beperkt onder voorwaarden de aftrekbaarheid van rente. Daarbij geldt dat reserves en voorzieningen niet onder een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst vallen voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. Voor zover een waarborgfonds belastingplichtig is, hangen de gevolgen van de earningsstrippingmaatregel voor waarborgfondsen samen met de financieringsstructuur en de overige specifieke feiten en omstandigheden. Hier kunnen dan ook geen algemene uitspraken over worden gedaan.

De heer Omtzigt vraagt of de verhoging van de EBITDA4 als gevolg van IFRS5 16 in de commerciële jaarrekening van huurders en lessees ook fiscaal gevolgd mag worden. In dat verband vraagt de heer Omtzigt of hurende bedrijven dan meer rente in aftrek kunnen brengen en of de huurverplichting van IFRS 16 geldt als een schuld voor de earningsstrippingmaatregel en voor de artikelen 10a, 13l en 15ad Wet Vpb 1969. Ook vraagt de heer Omtzigt wat er meetelt bij het bepalen van de financieringskosten en of hieromtrent een beleidsbesluit wordt opgesteld.

De nieuwe IFRS-16 standaard vervangt met ingang van 1 januari 2019 de huidige IFRS-verslaggevingsstandaarden inzake lease. De nieuwe standaard is voor het eerst verplicht van toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019. Verslaggevingsstandaarden als IFRS gelden voor de zogenoemde commerciële jaarrekening. Deze standaarden kunnen afwijken van de wijze waarop de belastbare winst wordt bepaald op grond van het zogenoemde goed koopmansgebruik. De (mogelijke) gevolgen van de nieuwe IFRS-16 standaard voor de fiscaliteit worden momenteel door de Belastingdienst onderzocht. In dit stadium kunnen er dan ook nog geen uitspraken worden gedaan over de vraag of en zo ja in hoeverre toepassing van IFRS 16 als goed koopmansgebruik kan worden gezien en in het verlengde daarvan, wat de invloed is op de gecorrigeerde winst die voor de earningsstrippingmaatregel relevant is. Zodra hier duidelijkheid over is, zal ik dit met uw Kamer delen.

Voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel wordt op grond van het voorgestelde artikel 15b, zesde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 onder een geldlening verstaan; een vordering of schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. In de toelichting op genoemd artikel is aangegeven dat bij overeenkomsten die vergelijkbaar zijn met een overeenkomst van geldlening – conform Richtlijn (EU) 2016/1164 (ATAD1)6 – ook financial lease omvat. Naar zijn aard is financial lease vergelijkbaar met een overeenkomst van koop op afbetaling. Operational lease daarentegen is vergelijkbaar met een overeenkomst van huur. Operational lease wordt daarom niet aangemerkt als een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst.

Ook voor de aftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente (artikel 13l Wet Vpb 1969) en de aftrekbeperking voor bovenmatige overnamerente (artikel 15ad Wet Vpb 1969) wordt onder een geldlening verstaan: een vordering of schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. Hiervoor geldt in beginsel dus hetzelfde als voor de earningsstrippingmaatregel. Overigens stelt het kabinet voor om deze aftrekbeperkingen vanwege de invoering van de earningsstrippingmaatregel met ingang van 1 januari 2019 af te schaffen. De gevolgen van IRFS 16 zijn met het oog op de voorgestelde afschaffing van de specifieke renteaftrekbeperkingen van de artikelen 13l en 15ad Wet Vpb 1969 met ingang van 1 januari 2019 derhalve in beginsel niet meer relevant voor die renteaftrekbeperkingen.

De rentaftrekbeperking die gericht is tegen winstdrainage (artikel 10a Wet Vpb 1969) is van toepassing als er – kort gezegd – sprake is van een schuld aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon en de betreffende schuld verband houdt met een rechtshandeling die in artikel 10a Wet Vpb 1969 wordt genoemd (een zogenoemde besmette rechtshandeling). Omdat de «schuld» voor de toepassing van artikel 10a Wet Vpb 1969 een ruime reikwijdte heeft en niet noodzakelijkerwijs voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening en evenmin sprake hoeft te zijn van een daarmee vergelijkbare overeenkomst, kunnen leaseverplichtingen onder de reikwijdte van genoemd artikel vallen, mits sprake is van een schuld aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon en de betreffende schuld verband houdt met een besmette rechtshandeling.

De heer Omtzigt heeft gevraagd hoe de samenloop werkt tussen de earningsstrippingmaatregel en de innovatiebox. Het kabinet beoogt voor alle belastingplichtigen de belastingvoordelen voor het financieren met vreemd vermogen te beperken en ondernemen met eigen vermogen te bevorderen. Hiertoe vindt de earningsstrippingmaatregel generiek toepassing. Dit leidt ertoe dat ook ingeval een bedrijf dat gebruikmaakt van de innovatiebox met relatief veel vreemd vermogen wordt gefinancierd de earningsstrippingmaatregel toepassing vindt. Voor de bepaling van de gecorrigeerde winst wordt de naar fiscale maatstaven bepaalde winst als uitgangspunt genomen, waardoor vrijgestelde inkomsten niet worden meegerekend. Het gaat hierbij om inkomsten die door de grondslagaanpassing niet in de heffing worden betrokken. Doordat voor de gecorrigeerde winst de naar fiscale maatstaven bepaalde winst als uitgangspunt wordt genomen, wordt de renteaftrek gekoppeld aan de belastbare economische activiteit van een belastingplichtige. Een belastingplichtige die gebruikmaakt van de innovatiebox kan hierdoor, als gevolg van de lagere belastbare grondslag, (eerder) worden geconfronteerd met een (grotere) aftrekbeperking op grond van de earningsstrippingmaatregel.

De heer Omtzigt vraagt of er kan worden gemotiveerd waarom artikel 10b Wet Vpb 1969 niet meer kan worden gemist. Artikel 10b Wet Vpb 1969 zorgt ervoor dat (niet-zakelijke) rente in de door dat artikel bestreken gevallen fiscaal niet ten laste van de winst komt. Op grond van de totaalwinstgedachte zou de (zakelijke) rente anders wel in aftrek komen. Achtergrond van deze aftrekbeperking is dat in voorkomende gevallen de buitenlandse crediteur deze niet-ontvangen rente in zijn woonland niet in aanmerking hoeft te nemen bij het bepalen van de winst voor een naar de winst geheven belasting. Bij afschaffing van artikel 10b Wet Vpb 1969 zou daarom een mogelijkheid worden geopend om door middel van mismatches een zogenoemde «double dip» te creëren: wel aftrek in Nederland, geen belastingheffing in het buitenland. Zakelijk handelende belastingplichtige ondervinden van de bepaling geen hinder.7 Daar komt bij dat Nederland in het verleden in de Gedragscodegroep heeft toegezegd dat het door genoemd artikel 10b Wet Vpb 1969 bestreken soort mismatches zal bestrijden. Hoewel dat artikel in de praktijk weinig wordt toegepast, zorgt het er door de preventieve werking in voorkomende gevallen wel voor dat de betreffende mismatches worden voorkomen. De vraag van de heer Omtzigt of ook in binnenlandse verhoudingen economisch dubbele belastingheffing kan optreden, kan bevestigend worden beantwoord. Voor zover in binnenlandse verhoudingen economisch dubbele belastingheffing optreedt, is goedgekeurd dat voor op 1 januari 2007 bestaande leningen – kort gezegd – in deelnemingsverhoudingen de rente bij de ontvanger niet wordt belast.8

De heer Bruins en de heer Van Rooijen vragen naar de mogelijkheid van de invoering van een vermogensaftrek over het eigen vermogen.

Een vermogensaftrek voor eigen vermogen draagt ook bij aan een meer gelijke behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen. Het ontmoedigt – zoals de renteaftrekbeperkingen – niet zozeer het aantrekken van vreemd vermogen maar stimuleert het aantrekken van eigen vermogen. Een vermogensaftrek (zelfs in combinatie met een vermogensbijstelling) kent echter ook nadelen. In tegenstelling tot een renteaftrekbeperking leidt een vermogensaftrek tot een versmalling van de grondslag en daarmee tot een budgettaire derving. In de ombuigingslijst van 2017 is aangegeven dat een vermogensaftrek van 2% naar verwachting tot een budgettaire derving van € 1,6 miljard leidt. Net als bij het defiscaliseren van rente is ook bij een introductie van een vermogensaftrek het nadeel dat er mogelijkheden ontstaan om internationale mismatches te creëren. Om dit te voorkomen zijn flankerende antimisbruikbepalingen van belang. Door het opnemen van antimisbruikbepalingen neemt echter de complexiteit en onzekerheid over de uitwerking van de regeling toe. Het kabinet heeft ervoor gekozen om, gezien ook de ontwikkelingen in OESO en EU-verband, een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen te bewerkstelligen door het aantrekken van vreemd vermogen fiscaal minder aantrekkelijk te maken. Om die reden heeft het kabinet bij de implementatie van de earningsstrippingmaatregel gekozen voor een robuuste vormgeving en streeft het met de gemaakte keuzes bij deze maatregel ook een meer gelijke behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen na bij alle belastingplichtigen in de Vpb.

De heer Snels geeft aan dat 30% de minimumnorm is en vraagt in dat kader wat andere landen doen. Verder vraagt de heer Snels welk type ondernemingen geraakt zou worden als het percentage wordt verlaagd en wat het effect hiervan zou zijn. Mevrouw Leijten heeft gevraagd waarom het kabinet kiest voor de maximale renteaftrek van 30% en niet voor 10%.

Het percentage van 30% van de gecorrigeerde winst betreft de minimumnorm zoals volgt uit ATAD1. Dit betekent dat de richtlijn lidstaten ook toestaat om een lager percentage in nationale wetgeving op te nemen. Het kabinet kiest daar echter niet voor. Het kabinet gaat met de robuuste vormgeving van de earningsstrippingmaatregel namelijk al aanzienlijk verder dan de in ATAD1 opgenomen minimumstandaard. In algemene zin ligt het in de rede dat een ratio lager dan 30% van de gecorrigeerde winst ondernemingen zal raken in sectoren met relatief veel vaste activa en relatief hoge cashflow. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de industriële ondernemingen en ondernemingen in de vastgoedsector. Voor deze sectoren geldt dat er meer gebruik wordt gemaakt van de financiering met vreemd vermogen, omdat deze activa als zekerheid dienen voor de financieringsverstrekkers. Er is nog geen overzicht voorhanden hoe andere lidstaten de richtlijn implementeren en dus is evenmin bekend welke ratio van de gecorrigeerde winst andere lidstaten toepassen bij de earningsstrippingmaatregel. Pas als alle lidstaten de richtlijn hebben geïmplementeerd ontstaat een goed beeld. Daarom zal aan de EC worden gevraagd om, wanneer de uiterste implementatiedatum is verstreken, een overzicht te geven van de wijze waarop lidstaten de richtlijn hebben geïmplementeerd.

De heer Snels vraagt of het nemen van wettelijke maatregelen in het geval vennootschappen zich opknippen een harde toezegging is van het kabinet en aan welke maatregelen het kabinet denkt. De earningsstrippingmaatregel treedt op grond van het wetsvoorstel in werking met ingang van 1 januari 2019 en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na die datum. Als gevolg hiervan kan nog niet worden vastgesteld hoe vaak dit voorkomt. Het is daarbij onduidelijk of en zo ja in welke mate dit zich zal gaan voordoen. Ik hou de praktijk op dit punt in de gaten. Ik waak ervoor om te speculeren over mogelijke stappen die zouden kunnen worden genomen als een nog onzekere omstandigheid zich voordoet.

Mevrouw Lodders heeft gevraagd wat het kabinet gaat doen voor bestaande leningen. De heer Van Rooijen vraagt om een nadere argumentatie om niet te voorzien in eerbiedigende werking. Het voorzien in eerbiedigende werking is allereerst vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid onwenselijk. Eerbiedigende werking zou betekenen dat voor de bepaling van het van toepassing zijnde regime jaarlijks bij iedere lening afzonderlijk moet worden vastgesteld wanneer de lening is aangegaan en of zich naderhand (materiële) wijzigingen met betrekking tot die lening hebben voorgedaan. Op sommige leningen van de belastingplichtige zou dan het oude regime van toepassing kunnen zijn en op andere leningen het nieuwe regime, waarbij tevens de vraag opkomt hoe met de samenloop van het oude en nieuwe regime moet worden omgegaan. Eerbiedigende werking leidt bovendien in relatie tot de voorgenomen afschaffing van bepaalde bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen tot een (ingewikkelde) samenloop, omdat het in geval van eerbiedigende werking voor de hand ligt om voor bestaande leningen waarop de earningsstrippingmaatregel geen toepassing vindt de geldende specifieke renteaftrekbeperkingen te handhaven. Dit staat haaks op het voornemen van het kabinet om bepaalde bestaande (complexe) specifieke renteaftrekbeperkingen af te schaffen. Ten slotte zou het voorzien in eerbiedigende werking leiden tot een fors lagere budgettaire opbrengst in de eerste jaren, terwijl het kabinet met die opbrengst de verlaging van het Vpb-tarief deels financiert waarmee stappen worden gezet om het Nederlandse vestigingsklimaat voor bedrijven met reële activiteiten aantrekkelijk te houden.

Mevrouw Lodders vraagt hoe het kabinet, in het kader van ATAD1, disproportionele maatregelen voorkomt. Door het invoeren van een generieke earningsstrippingmaatregel worden enkele specifieke aftrekbeperkingen overbodig, zodat deze kunnen vervallen en per saldo een robuuster systeem van beperking van renteaftrek ontstaat. Een dergelijk systeem is voor zowel de Belastingdienst als belastingplichtigen beter uitvoerbaar. Ook bij de vormgeving van nieuwe antimisbruikbepalingen heeft het kabinet oog voor bedrijven met reële activiteiten. In de aanvullende CFC-maatregel volgens model A is bijvoorbeeld een uitzondering opgenomen voor gecontroleerde lichamen die een wezenlijke economische activiteit uitoefenen. Dit begrip wordt ingevuld met concrete substance-eisen, zodat «aan de voorkant» kan worden vastgesteld of de aanvullende CFC-maatregel van toepassing is. Dit voorkomt impact op bedrijven in Nederland met reële activiteiten in het buitenland. Verder geldt voor de «General Anti Abuse Rule» (GAAR) uit ATAD1 dat het kabinet van mening is dat het doel en de strekking van de GAAR uit ATAD1 in Nederland al ondervangen worden door de jurisprudentie met betrekking tot fraus legis en dat daarom nieuwe wetgeving op dit punt niet nodig is.

De heer Nijboer vraagt of het onbeperkt voortwentelen van de niet-aftrekbare rente een risico is. Als rente als gevolg van de earningsstrippingmaatregel niet in aftrek komt, kan deze rente onbeperkt worden voortgewenteld. De aftrek voor deze rente gaat derhalve niet «verloren», maar deze rente kan in een later jaar, als er in dat jaar binnen de earningsstrippingmaatregel voldoende ruimte aanwezig is, alsnog in aftrek worden gebracht. Om te voorkomen dat oneigenlijk gebruik kan worden gemaakt van deze voortgewentelde rente wordt voorgesteld om in de Wet Vpb 1969 een antimisbruikbepaling op te nemen (het voorgestelde artikel 15ba Wet Vpb 1969). De bepaling voorkomt handel in zogenoemde rentelichamen, zijnde lichamen met een voortgewenteld saldo aan renten. Deze bepaling houdt, kort gezegd, in dat ingeval het belang in een belastingplichtige in belangrijke mate (dat wil zeggen voor meer dan 30%) is gewijzigd, de voortgewentelde rente die voorafgaande aan die belangenwijziging is ontstaan in beginsel niet meer in aanmerking kan worden genomen.

General anti-abuse rule (GAAR)

Mevrouw Lodders vraagt of de huidige algemene antimisbruikbepaling effectief genoeg is. In de Nederlandse jurisprudentie is het leerstuk van fraus legis ontwikkeld. Fraus legis is een algemeen rechtskader waarmee het met de algemene antimisbruikbepaling (de hiervoor genoemde GAAR) uit ATAD1 beoogde doel wordt bereikt. Het leerstuk van fraus legis bewerkstelligt dat de belasting wordt geheven conform doel en strekking van de belastingwet en functioneert al geruime tijd als antimisbruikvangnet in het belastingrecht voor het geval dat specifieke antimisbruikmaatregelen geen effect hebben. Het kabinet is daarom van mening dat met het leerstuk van fraus legis de GAAR uit ATAD1 reeds in het Nederlandse belastingrecht is geïmplementeerd en zijn waarde als misbruikvangnet meermaals heeft bewezen. Indien de inspecteur misbruik signaleert bij een belastingplichtige, kan hij stellen dat sprake is van fraus legis.

Woningcorporaties

De heer Omtzigt en de heer Nijboer vragen in hoeverre woningcorporaties ruimte hebben om voor het doen van investeringen te kiezen voor financiering door middel van eigen vermogen. Woningcorporaties financieren hun investeringen normaliter met Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW)-borging en in de niet-DAEB zonder borging, en veelal maar niet uitsluitend bij de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) en de Nederlandse Waterschapsbank (NWB). Het beschikbare eigen vermogen is in het algemeen al volledig ingezet voor financiering. Het WSW eist bij het verstrekken van borging dat overliquiditeit wordt ingezet voor te borgen investeringen dan wel voor aflossing van geborgde leningen. Met de verkoop van woningen kan, na aflossing van de onderliggende lening, additionele liquiditeit worden gegenereerd. Dit zal van corporatie tot corporatie verschillen. Over de ontwikkeling van het bezit, waaronder de verkoop van woningen en de eventuele nieuwbouw van passende woningen, maken corporatie, gemeente en huurdersorganisatie lokaal prestatieafspraken. De komende jaren zullen er echter nog middelen in de sector aanwezig blijven om (extra) te investeren.

Het voorgaande laat onverlet dat woningcorporaties de effecten van de earningsstrippingsmaatregel uit het implementatiewetsvoorstel ATAD1 zullen ondervinden. De geïsoleerde effecten daarvan kunnen fors zijn. Om die reden is, met in begrip van de maatregelen waarvan woningcorporaties voordeel ondervinden zoals de Vpb-tariefsverlaging, door het kabinet besloten tot een gerichte (en structurele) tegemoetkoming in de verhuurderheffing.

De heer Snels vraagt te reageren op de stelling van Aedes dat het kabinet de oplopende belastingdruk voor de woningcorporaties onderschat. Onder andere door oplopende druk via de verhuurderheffing die «in het pad zit». Hij vraagt of het beeld van Aedes klopt. De heer Nijboer stelt een vergelijkbare vraag. De heer Omtzigt en de heer Snels vragen of de woningmarktopgave gezien de schaarste en de noodzaak te vergroenen, wordt geremd met de huidige oplopende belastingdruk. De heer Omtzigt vraagt in het antwoord specifiek de verliesverrekening te betrekken.

Het kabinet heeft er oog voor dat woningcorporaties door de earningsstrippingmaatregel geraakt worden bij hun investeringen. Naar verwachting zullen de woningcorporaties in 2019 voor € 102 miljoen geraakt worden vanwege de earningsstrippingmaatregel, oplopend naar € 353 miljoen structureel. Deze oploop is het gevolg van de verliesvoorraad die woningcorporaties in de periode voor 2015 hebben opgebouwd waardoor de corporaties in de eerste jaren na 2019, zowel met als zonder de earningsstrippingmaatregel geen vennootschapsbelasting betalen. Dit drukt het effect van de earningsstrippingmaatregel in die jaren. Op termijn verdwijnt dit effect en stijgt de opbrengst.

Het kabinet acht het van belang dat de financiële positie van woningcorporaties en hun opgaven op de woningmarkt met elkaar in balans zijn. Juist daarom heeft het kabinet naast de al voorziene heffingsvermindering voor verduurzaming in de verhuurderheffing, een extra verlaging van de verhuurderheffing van € 100 miljoen voorgesteld. Bovendien profiteren ook woningcorporaties van de voorgestelde tariefsverlaging in de Vpb. De volgende tabel geeft de budgettaire effecten voor woningcorporaties weer.

Tabel 1: budgettaire effecten fiscale beleidsmaatregelen woningcorporaties (€ mln., -/- = lastenverlichting) naar belastingjaar, geüpdatet naar aanleiding van de heroverweging
 

2019

2020

2021

Struc

ATAD1

102

144

193

353

Tariefsverlaging vennootschapsbelasting

0

– 29

– 65

– 106

Verduurzaming in verhuurderheffing

– 26

– 52

– 78

– 104

Tariefsverlaging verhuurderheffing

– 100

– 100

– 100

– 100

Totaal

– 24

– 37

– 50

43

Het geheel aan lastenverlichtingen en lastenverzwaringen van het kabinet leidt in elk geval in deze kabinetsperiode en de jaren daarna tot een lastenverlichting voor woningcorporaties. Dat geeft de sector ruimte om de komende jaren bij te dragen aan de woningmarktambities van het kabinet.

In onderstaande tabel is voor corporaties weergegeven hoe naar beste inschatting van het kabinet de lasten zich de komende jaren zullen ontwikkelen. Hierbij is rekening gehouden met het implementatiewetsvoorstel ATAD1, de Vpb en de verhuurderheffing. Ook is rekening gehouden met de verlaging van zowel het hoge als het lage Vpb-tarief conform de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat.9 Daarnaast is ook rekening gehouden met de verlaging van de verhuurderheffing.

Tabel 2: Ontwikkeling lasten uit de invoering van de ATAD1, de Vpb en de verhuurderheffing voor corporaties voor de komende jaren
 

2018

2019

2020

2021

Ontwikkeling

Struc

ATAD1

0

102

144

193

193

353

Vpb

128

142

125

100

– 28

134

Verhuurderheffing

1.628

1.634

1

1

1

 

Totaal

1.756

1.878

       
X Noot
1

Voor deze jaren zijn geen ramingen beschikbaar.

Ten aanzien van de verhuurderheffing is ingeschat dat, dit in antwoord op de vraag van mevrouw Lodders, 95% van de geraamde totaalopbrengsten afkomstig zullen zijn van woningcorporaties, tegenover 5% van andere belastingplichtige verhuurders. Voor de jaren na 2019 zijn geen ramingen van de verhuurderheffing beschikbaar, omdat de opbrengst afhankelijk is van minder nauwkeurig te voorspellen endogene factoren, zoals een verandering in de WOZ-waarden en het aantal woningen dat onder de verhuurderheffing valt. De inschatting van het kabinet is dat de opbrengst uit de verhuurderheffing voor zover deze door de corporatiesector wordt opgebracht in 2021 ongeveer € 0,2 miljard hoger zal zijn dan in 2018. Daarmee zou de totale belastingdruk op woningcorporaties in 2021 ongeveer € 0,4 miljard hoger liggen dan in 2018.

Ten slotte vraagt de heer Nijboer naar de investeringscapaciteit van woningcorporaties. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) maakt jaarlijks de indicatieve bestedingsruimte woningcorporaties (IBW) bekend. Daarmee wordt per corporatie aangegeven hoeveel zij maximaal extra kunnen lenen binnen de financiële normen van de Autoriteit woningcorporaties en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw, bovenop de reeds geplande investeringen in hun meerjarenplannen. In 2018 was de IBW voor alle corporaties bij elkaar opgeteld € 13,9 miljard voor investeringen in verbeteringen (waaronder verduurzaming), bovenop de € 39,7 miljard die volgens de meerjarenplannen in de periode 2018–2022 in totaal wordt geïnvesteerd. Niet de volledige IBW kan worden ingezet, omdat er sectorbreed een buffer moet blijven om bij onvoorziene financiële problemen bij corporaties niet de achtervangpositie van het Rijk en gemeenten in het geding te brengen. De komende jaren zullen er echter nog middelen in de sector aanwezig blijven om (extra) te investeren. De Minister van BZK heeft de Tweede Kamer verder toegezegd te verkennen hoe de financiële positie van de woningcorporatiesector aansluit bij de volkshuisvestelijke ambities.10 Uw Kamer zal dit najaar worden geïnformeerd over de stand van zaken.

Substance-eisen en bronbelasting

De heer Omtzigt, de heer Van Weyenberg, de heer Snels, mevrouw Leijten, de heer Nijboer en de heer Bruins hebben gevraagd naar het gebruik van substance-eisen in de Nederlandse fiscale wet- en regelgeving. Daarnaast hebben deze leden gevraagd naar de mogelijkheid om deze substance-eisen aan te passen en in te gaan op de voor- en nadelen van een eventuele aanpassing.

De substance-eisen spelen een rol op diverse plaatsen in de Nederlandse wet- en regelgeving. Hierbij kan het gaan om substance-eisen aan vennootschappen die in Nederland zijn gevestigd maar ook aan vennootschappen die buiten Nederland zijn gevestigd. Zo wordt voor het geven van zekerheid vooraf gekeken naar de substance in Nederland.11 Hetzelfde geldt voor de uitwisseling van informatie aan het buitenland bij dienstverleningslichamen.12 De substance bij buiten Nederland gevestigde vennootschappen is relevant bij de antimisbruikbepalingen in de Wet op de Wet Vpb 1969 en de Wet dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965).

Deze maand stuur ik uw Kamer een brief waarin ik mijn plannen voor de herziene rulingpraktijk kenbaar maak. In die brief informeer ik uw Kamer over de herziening. In de brief zal ik onder andere ingaan op de substance-eisen die in de toekomst gesteld worden in Nederland om in aanmerking te komen voor zekerheid vooraf. Daarbij zal ik ook ingegaan op de motie-Azarkan waarin wordt gevraagd om de substance-eisen afhankelijk te maken van de omvang en inhoud van de activiteiten van de onderneming die om zekerheid vooraf vraagt.13

In de Wet Vpb 1969 en de Wet DB 1965 zijn substance-eisen opgenomen in antimisbruikbepalingen. Deze antimisbruikbepalingen zien op inhoudingsvrijstelling in de Wet DB 1965, de buitenlandse aanmerkelijkbelangregeling en de voorgestelde aanvullende CFC-maatregel in de Wet Vpb 1969. Een soortgelijke antimisbruikbepaling zal naar verwachting ook worden opgenomen in de voorgenomen conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties. In deze antimisbruikbepalingen zien de substance-eisen op substance buiten Nederland. De mogelijkheid om de (effectiviteit van de) substance-eisen in deze antimisbruikbepalingen te verhogen worden veelal beperkt door het EU-recht. Dit laat zich het beste illustreren met een voorbeeld. Soortgelijke voorbeelden kunnen overigens ook worden opgesteld voor de substance-eisen in andere antimisbruikbepalingen, zoals de voorgestelde CFC-maatregel.

Met de voorgenomen conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties zullen rechtstreekse rente- en royaltybetalingen naar deze jurisdicties worden belast met deze bronbelasting. Hierdoor zal Nederland niet langer fungeren als toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties. Rente- en royaltybetalingen naar andere jurisdicties worden in principe niet belast. Dit maakt het mogelijk om de bronbelasting te ontwijken door de betaling niet rechtstreeks vanuit Nederland naar een laagbelastende jurisdictie te laten lopen, maar bijvoorbeeld via een tussenhoudster in een andere EU-lidstaat.14 Daarom is het kabinet voornemens om voor deze situaties een antimisbruikbepaling op te nemen. De mogelijkheden om dit te bestrijden met unilaterale antimisbruikmaatregelen, zoals de bronbelasting, worden echter beperkt door het EU-recht.

De heer Omtzigt vraagt in het verlengde hiervan naar de effectiviteit van de bronbelasting en de mogelijkheden om deze te ontwijken door het tussenschuiven van een ander land zonder bronbelasting. Voor deze situaties zal in de bronbelasting een antimisbruikbepaling worden opgenomen. Ik heb de intentie om een zo robuust mogelijke maatregel neer te zetten. Mijn handen zijn op bepaalde vlakken echter wel gebonden door het EU-recht. Zo mogen betalingen binnen EU-verband enkel belast worden als er sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die bedoeld is om belasting te ontwijken. Dit beamen ook de auteurs in het artikel dat mevrouw Leijten aanhaalde. Zij schrijven: «Zelfs als het kabinet aan al onze punten van kritiek tegemoet zou komen, blijft het mogelijk om de voorgestelde bronbelasting te vermijden door de betalingen om te leiden via een EU-land dat geen bronbelasting heft.» Met de invoering van een bronbelasting, zet Nederland een grote stap. Mijn stellige verwachting is dat Nederland niet langer de toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties zal zijn.

Mevrouw Leijten vraagt met betrekking tot de bronbelasting waarom het risico op belastingontwijking voornamelijk in gelieerde situaties aanwezig is. In concernverhoudingen behoren de betaler en ontvanger van de rente- of royaltybetalingen tot hetzelfde concern. Hierdoor is er bij het tot stand komen van de transactie in de regel geen tegengesteld, maar een gemeenschappelijk belang. Buiten concernverband is het risico op belastingontwijking kleiner. Partijen zullen immers op volstrekt zakelijk basis met elkaar handelen. Dit betekent niet dat het risico op belastingontwijking buiten concernverband volledig is uitgesloten. De keuze om de voorgenomen bronbelasting enkel van toepassing te laten zijn op rente- en royaltybetalingen aan gelieerde lichamen vindt zijn oorsprong dan ook in een andere reden. Door aan te sluiten bij het door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) ontwikkelde criterium voor gelieerdheid, valt de maatregel volgens de jurisprudentie van het HvJ EU onder de reikwijdte van de vrijheid van vestiging. Indien voor een ander criterium zou worden gekozen waardoor eerder sprake zou zijn van gelieerdheid zou de conditionele bronbelasting naar alle waarschijnlijkheid vallen onder de reikwijdte van de vrijheid van kapitaalverkeer. Het EU-recht zou in dat laatste geval de mogelijkheden om bronbelasting te heffen aanzienlijk beperken. Dat komt omdat het vrije kapitaalverkeer, anders dan de vrijheid van vestiging, ook geldt ten aanzien van derde landen. Hierdoor zou het – kort gezegd – niet toegestaan zijn om rente- en royaltybetaling aan een lichaam in een laagbelastende jurisdictie nadeliger te behandelen dan een soortgelijke betaling aan een in Nederland gevestigd lichaam. Dit zou enkel toegestaan zijn als er sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die is bedoeld om belasting te ontwijken. Dit zou inhouden dat geen bronbelasting geheven zou mogen worden indien er voldoende substance aanwezig is in het lichaam dat is gevestigd in de laagbelastende jurisdictie. Daardoor zou de bronbelasting een stuk minder vergaand worden en zou Nederland in voorkomende gevallen nog steeds een directe toegangspoort kunnen blijven voor stromen richting laagbelastende jurisdicties. Door de keuze om de bronbelasting alleen te heffen in gelieerde verhoudingen, kunnen alle rechtstreekse betalingen naar een gelieerd lichaam in een laagbelastende jurisdictie worden geraakt. Ongeacht of er wel of niet sprake is van substance in dat lichaam.

Ten slotte vragen mevrouw Leijten en de heer Van Weyenberg tot welk bedrag de stromen naar laagbelastende jurisdicties moeten worden teruggebracht. Bij het stellen van de vraag kon de heer van Weyenberg nog niet weten dat ik later in die week het SEO-onderzoek met een nulmeting van mijn aanpak van belastingontwijking naar uw Kamer zou sturen. In de begeleidende brief bij het onderzoek leg ik uit dat we met de invoering van de conditionele bronbelasting circa € 22 miljard aan uitgaande betalingen naar laagbelastende landen raken. Ik verwacht dat deze stroom zal opdrogen. Vandaar dat er voor de bronbelasting geen opbrengst is geraamd, maar het beoogde effect wordt wel bereikt: en dat is dat Nederland naar mijn verwachting niet langer worden gebruikt als toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties. Tegelijkertijd besef ik me ook dat met een unilaterale maatregel zoals de bronbelasting we echter niet kunnen voorkomen dat andere landen deze functie overnemen. Uiteindelijk zal de wereldwijde belastingontwijking internationaal moeten worden aangepakt. Dit is ook een van de aanbevelingen van het Centraal Planbureau (CPB). Nederland heeft daarom de afgelopen jaren actief meegewerkt aan de bestrijding van (internationale) belastingontwijking en zal zich ook in de toekomst blijven inzetten voor een internationale gecoördineerde aanpak. Een van de punten waar dit kabinet momenteel voor pleit in EU-verband is het introduceren van een verplichting om rente- en royaltybetalingen naar landen op de EU-zwarte lijst te belasten met een bronbelasting of een soortgelijke maatregel. Dit in antwoord op de vraag van de heer Nijboer. Ik verwacht veel van deze maatregelen. Nederland zal niet langer fungeren als toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties, maar het effect van unilaterale maatregelen is wel tot op zekere hoogte begrensd.

Overig

De heer Snels vraagt hoe ik tegenover de denkrichting sta, om kosten voor belastingadvies niet aftrekbaar te maken, met name als het gaat om constructies. De heer Snels legt zelf in zijn vraagstelling een link met de richtlijn mandatory disclosure voor financiële tussenpersonen. De implementatiewetgeving voor deze richtlijn treedt in werking per 1 januari 2020. Het wetsvoorstel dat daartoe dient moet nog worden ingediend. Ik deel met de heer Snels de opvatting dat deze discussie beter in dat kader kan plaatsvinden, maar ik geef alvast mee dat ik grote aarzelingen heb. Door aan te sluiten bij de richtlijn kunnen ook gevallen worden geraakt waarin geen sprake is van belastingontwijking. Daarnaast zou het aftrekverbod afhankelijk worden van de invulling, uitvoering en het toezicht van andere EU-lidstaten ten aanzien van de richtlijn mandatory disclosure voor financiële tussenpersonen. Ten slotte is zo’n aftrekverbod, ook als deze alleen geldt voor «constructies» als bedoeld in de richtlijn, een inbreuk op het totaalwinstbegrip en zeer bewerkelijk voor de Belastingdienst. Immers, over het bedrag waarvoor de aftrek zou moeten worden geweigerd wordt geen informatie verstrekt onder de richtlijn en er ontbreekt iedere vorm van contra-informatie.

Tot slot vraagt mevrouw Lodders naar het proces rondom de implementatie van de tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtijn (ATAD2). Met ATAD2 wordt beoogd maatregelen te nemen die belastingontwijking door gebruikmaking van hybridemismatches ontmoedigen. Het betreft een omvangrijk en op onderdelen een zeer technische richtlijn. Het bekendste voorbeeld dat zal worden geraakt door deze richtlijn is de zogenoemde cv/bv-structuur. De internetconsultatie van een ontwerpvoorstel ter implementatie van ATAD2 is op 29 oktober 2018 gestart. Belangstellenden worden uitgenodigd om te reageren op het ontwerpvoorstel. Dit is mogelijk tot en met 10 december 2018. Na de consultatieperiode van 6 weken zullen de ontvangen reacties worden bestudeerd. Vervolgens zal een wetsvoorstel worden besproken in de ministerraad en – na goedkeuring in de ministerraad – zal het wetsvoorstel voor advies aanhangig worden gemaakt bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Het kabinet streeft ernaar dat het implementatiewetsvoorstel nog voor het zomerreces 2019 bij uw Kamer voor behandeling aanhangig kan worden gemaakt. De voorziene inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2020.

De Staatssecretaris van Financiën, M. Snel


X Noot
1

Kamerstuk 34 552, nr. 56.

X Noot
2

De actuele stand van het implementatieproces in andere landen is te vinden op de website van het Publicatiebureau van de Europese Unie: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/NIM/?uri=CELEX:32016L1164.

X Noot
3

Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 april 2018, nr. 2018–6865 Stcrt. 2018, nr. 26874.

X Noot
4

Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization.

X Noot
5

International Financial Reporting Standards

X Noot
6

Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt PbEU, L 234/26.

X Noot
7

Kamerstuk 30 572, nr. 8.

X Noot
8

Brief van de Staatssecretaris van Financiën 14 juni 2007, Kamerstuk 30 689, C.

X Noot
9

Kamerstuk 35 000, nr. 72.

X Noot
10

Kamerstuk 32 487, nr. 363.

X Noot
11

ATR-besluit, besluit van 12 juni 2014, nr. DGB 2014/3099 & Besluit Dienstverleningslichamen, besluit van 12 juni 2014, nr. DGB 2014/3101.

X Noot
12

Artikel 3a Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.

X Noot
13

Kamerstuk 25 087, nr. 201.

X Noot
14

Nederland zou ook helemaal uit de belastingontwijkende structuur kunnen worden gehaald. In dat geval kan een unilaterale maatregel van Nederland internationale belastingontwijking ook niet aanpakken.