Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2018-201935007 nr. F

35 007 Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs

F NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 20 mei 2019

1. Inleiding

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Eerste Kamer heeft een verslag uitgebracht over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs. De fracties van SP, PvdA, 50PLUS en GroenLinks danken de regering voor de nadere memorie van antwoord en stellen nog een aantal vervolgvragen. De regering dankt de commissie voor de in het verslag gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen. Bij de beantwoording van de vragen is in deze nota naar aanleiding van het verslag zoveel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden.

2. Hoofdlijnen van het voorstel

In antwoord op de vragen van de leden van de fractie van ChristenUnie over hoe de verhoging van de rentemaatstaf zich verhoudt met het IVESCR geeft de regering een aantal redenen waarom zij niet van mening is dat dit wetsvoorstel bijt met het voornoemde verdrag. De argumenten die de regering noemt, zijn echter gebaseerd op de ratio, zo stellen de leden van de SP-fractie vast. Helaas weten we dat bij het beslissen of men een lening van enkele tienduizenden euro’s aangaat, ook de emotie een grote rol speelt. Daarbij helpt het niet dat deze regering, slechts 4 jaar na invoering van het leenstelsel, nu al komt met een wijziging. Dit enkele feit maakt het leenstelsel voor een aankomend student onzeker en dat heeft zijn weerslag op de keuze of iemand wel of niet (verder) gaat studeren.

Kan de regering eens ingaan op dit aspect? De leden van de SP-fractie willen haar verzoeken om het rapport over de effecten van het lenen op studenten van het ISO mee te nemen in haar beantwoording. In dit onderzoek komt immers duidelijk naar voren dat studenten die niet lenen minder stress ervaren dan studenten die wel lenen. Hoe verhoudt zich dit tot de toegankelijkheid van het onderwijs, alsook de gelijkwaardigheid in het onderwijs, zo vragen deze leden.

De regering is zich er terdege van bewust dat niet alleen de ratio een rol speelt in de keuzes van mensen. Net zoals weten nog geen doen is, zoals de WRR ook aangaf in haar rapport, speelt zeker ook de perceptie mee. De regering is het echter niet met de leden van de SP eens dat het wijzigen van de rentemaatstaf aanleiding zou geven tot extra twijfels bij studenten.

De regering is zich ervan bewust dat bij jongeren die moeten beslissen of ze een lening willen aangaan niet alleen rationale overwegingen een rol spelen. De regering ziet het als haar taak om jongeren duidelijk voor te lichten over de voorwaarden van studiefinanciering, zodat ze zich niet onnodig zorgen hoeven te maken over het aangaan van een studielening. Een studielening is een investering in de toekomst. Voor het terugbetalen van de studieschuld gelden bovendien sociale terugbetaalvoorwaarden, die oud-studenten beschermen tegen te hoge maandlasten. De draagkrachtregeling zorgt ervoor dat een oud-student nooit meer hoeft te betalen dan hij met zijn inkomen kan betalen. De aanpassing van de rentemaatstaf verandert deze voorwaarden niet en hoeft dus geen rol te spelen in de beslissing van een jongere om (door) te gaan studeren.

De regering verwijst in haar antwoorden op vragen over het effect van het wetsvoorstel op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs naar de Monitor Beleidsmaatregelen van de afgelopen jaren, zo constateren de leden van de PvdA-fractie en de 50PLUS-fractie. Ze stelt dat het verhogen van de rentemaatstaf niet van invloed zal zijn op de beslissing van jongeren om te gaan studeren en dat er geen nader onderzoek nodig is naar de potentiële effecten van het wetsvoorstel. Dit antwoord roept een aantal vragen op.

In de inleiding van de Monitor Beleidsmaatregelen 2017–2018 (p. 5) staat dat de monitor beschouwd moet worden als een diagnostisch instrument, dat er geen uitsluitende verklaringen gegeven worden over zichtbare veranderingen, noch wordt gepretendeerd causale relaties bloot te leggen. Daarnaast staat in deze monitor, eveneens op p. 5, dat het niet reëel is al gevolgen te verwachten van beleidsmaatregelen die recent zijn ingevoerd of zich nog in een experimenteel stadium bevinden. De leden van de PvdA-fractie en de 50PLUS-fractie concluderen op basis van het voorafgaande dat er geen uitspraken gedaan kunnen worden over de effecten van het wetsvoorstel op basis van de hiervoor genoemde monitor. Deelt de regering deze conclusie van de aan het woord zijnde leden? Zo ja, dan willen zij de regering nogmaals vragen om in het belang van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor alle jongeren aanvullend onderzoek uit te voeren om daadwerkelijk zicht te krijgen op de effecten van het wetsvoorstel op het leengedrag van potentiële studenten. Zo nee, waarom niet?

Ook de regering ziet de Monitor Beleidsmaatregelen als een diagnostisch instrument dat langjarige ontwikkelingen in kaart brengt. In de monitor wordt niet gepretendeerd om causale relaties weer te geven. Wel biedt de monitor inzicht in motieven van (aankomend) studenten om te gaan studeren en een lening af te sluiten. Leenaversie is geen doorslaggevende factor bij het besluit om wel of niet door te studeren. Bovendien is het relevant te benoemen dat de aanpassing van de rentemaatstaf studerenden niet raakt, maar pas effect heeft zodra afgestudeerden hun studieschuld af gaan betalen. Ook met de huidige rentemaatstaf weet een student bij aanvang van de studie niet hoe de rente zich gedurende zijn studie en de 35 jaar van terugbetaling zal ontwikkelen. Bovendien zijn op de studielening sociale terugbetaalvoorwaarden van toepassing, de rente is slechts één van de terugbetaalvoorwaarden. De regering is derhalve van mening dat aanvullend onderzoek naar de effecten op het leengedrag van potentiële studenten thans niet nodig is.

De regering geeft op verschillende plaatsen in de beantwoording aan, bijvoorbeeld als gevraagd wordt naar de invloed van het wetsvoorstel op de geneigdheid van mbo-studenten om een hbo-opleiding als vervolgstudie te doen, dat leenaversie geen doorslaggevende reden is om al dan niet door te gaan studeren. Daaraan koppelt de regering de conclusie dat de wijziging van de rentemaatstaf geen invloed zal hebben op de doorstroom van mbo naar hbo. Dit roept een aantal vragen op. Allereerst de vraag waarop deze conclusie van de regering is gebaseerd. Zijn in het onderzoek dat aangehaald wordt in de Monitor Beleidsmaatregelen 2017–2018 expliciete vragen opgenomen over de effecten van het verhogen van de rentemaatstaf? En zo ja, welke antwoorden zijn gegeven? En zo nee, hadden deze vragen niet expliciet gesteld moeten worden om conclusies over de effecten van de stijging van de rente te kunnen trekken?

De monitor beleidsmaatregelen geeft inzicht in de mogelijke gevolgen van maatregelen die reeds van kracht zijn sinds 2010. De wijziging van de rentemaatstaf uit onderhavig wetsvoorstel maakt derhalve geen onderdeel uit van de meest recente rapportage. De regering is echter van mening dat de conclusie dat de rentemaatstaf geen invloed zal hebben op de doorstroom, gebaseerd kan worden op het onderzoek dat is gedaan naar het leengedrag en de mogelijke leenaversie van studenten.1 Daaruit blijkt dat met name andere factoren invloed hebben op het besluit wel of niet te lenen, en dat leenaversie als zodanig geen doorslaggevende factor is om niet te studeren. Bovendien is het relevant te benoemen dat de aanpassing van de rentemaatstaf tijdens de studie geen effect heeft op studenten; de sociale terugbetaalvoorwaarden zorgen ervoor dat het terug te betalen bedrag na de studie in verhouding staat tot het inkomen.

In het nader voorlopig verslag zijn door de leden van de fractie van de PvdA vragen gesteld over het effect van het wetsvoorstel voor jongeren en jongvolwassenen. In de antwoorden verwijst de regering consequent naar onderzoeken die gehouden zijn onder studenten, specifiek de eerder genoemde Monitor Beleidsmaatregelen. Dit zijn jongeren die de keuze om te gaan studeren al gemaakt hebben en in de ogen van de aan het woord zijnde leden niet representatief zijn voor alle jongeren die voor de keuze staan om al dan niet te studeren, dan wel moeten beslissen of ze na een mbo- een hbo-opleiding willen gaan volgen. De leden van de PvdA-fractie en de 50PLUS-fractie willen er graag zeker van zijn dat het hoger onderwijs voor alle jongeren toegankelijk is en dat de verhoging van de rentemaatstaf geen belemmering is om te gaan studeren. Is er onderzoek gedaan naar de redenen van jongeren met bijvoorbeeld een havo- of vwo-diploma om niet gaan studeren? Zo ja, heeft het huidige stelsel van studiefinanciering en/of de aangekondigde renteverhoging invloed op hun studiegedrag? Zo nee, is de regering bereid alsnog dit onderzoek uit te laten voeren?

In de Monitor Beleidsmaatregelen over studiejaar 2016–20172 is onderzoek gedaan naar de motieven van havo en vwo-scholieren om wel of niet door te studeren. Daaruit blijkt dat voor havo- en vwo scholieren interesse, baanperspectief, het studentenleven en zelfstandigheid de belangrijkste motieven zijn om door te studeren.

Onder motieven om niet door te studeren werd studiefinanciering en financiën slechts in geringe mate als reden genoemd. Uit de Monitor Beleidsmaatregelen 2017–2018 blijkt dat leenaversie geen doorslaggevende factor is bij het besluit om wel of niet door te studeren. 3Bovendien is het relevant te benoemen dat de aanpassing van de rentemaatstaf studerenden niet raakt, maar pas effect heeft zodra afgestudeerden hun studieschuld af gaan betalen. Ook met de huidige rentemaatstaf weet een student bij aanvang van de studie niet hoe de rente zich gedurende zijn studie en de 35 jaar van terugbetaling zal ontwikkelen. Bovendien zijn op de studielening sociale terugbetaalvoorwaarden van toepassing, de rente is slechts één van de terugbetaalvoorwaarden. De regering is van mening dat er thans geen aanleiding is om verder onderzoek te doen naar de redenen van jongeren om al dan niet te gaan studeren. Uit de Monitor Beleidsmaatregelen 2017–2018 blijkt immers ook dat de langdurige trend in de doorstroom naar het ho vanuit havo en vwo zich na de invoering van het studievoorschot herstelt.4

In reactie op vragen over het waarom van het wetsvoorstel en de gekozen rentemaatstaf antwoordt de regering dat de rente moet worden verhoogd in het kader van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en dat het niet aanvaarden leidt tot een gat in de begroting. Betekent dit dat de regering de optie openhoudt om de rentemaatstaf wederom te wijzigen in het kader van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën of om tot een sluitende begroting te komen?

Dit kabinet kan u toezeggen dat zij de rentemaatstaf na de wijziging in onderhavig wetsvoorstel niet opnieuw zal wijzigen.

De vraag over waarom gekozen is voor de 10-jaarsrente is in de nadere memorie van antwoord niet beantwoord. De leden van de PvdA-fractie en de 50PLUS-fractie verzoeken de regering deze vraag alsnog te beantwoorden.

In de huidige situatie kunnen studenten na hun studieperiode en twee aanloopjaren nog 35 jaar doen over het terugbetalen van de lening en geldt hierbij de 5-jaarsrente die eigenlijk hoort bij een lening met een gemiddelde looptijd van 5 jaar. De 10-jaarsrente is als maatstaf gekozen omdat die de balans wat meer verschuift naar een looptijd die passend is bij een lening die in 35 jaar terugbetaald mag worden.

Op vragen over het RIVM-onderzoek naar de mentale druk bij jongeren antwoordt de regering dat de resultaten in de tweede helft van mei beschikbaar komen. De leden van de PvdA-fractie en de 50PLUS-fractie zouden de antwoorden graag willen betrekken bij het debat over het onderhavige wetsvoorstel. Kan de regering ervoor zorgen dat de resultaten beschikbaar komen ruim voor het plenaire debat?

Het RIVM doet momenteel onderzoek naar mentale druk onder jongeren, en kijkt naar verschillende factoren die in samenhang bezien moeten worden. Van het RIVM heeft de regering begrepen dat het onderzoek in de afrondende fase is en het onderzoek op zeer korte termijn gepubliceerd zal worden.

Het aanpassen van de rentemaatstaf heeft niet alleen gevolgen voor de werking van het leenstelsel zelf, zo stellen de leden van de fractie van GroenLinks vast. Het raakt ook aan de waarden die ten grondslag liggen aan dit systeem, zoals de uitgangspunten van kansengelijkheid en de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Het leenstelsel ontleent zijn politieke houdbaarheid niet alleen aan financiële aspecten zoals de staatsschuld van de overheid: het is een samenspel van financiën en bovengenoemde waarden. Het draaien aan de knoppen die deze maatschappelijke waarden aantasten, kan uiteindelijk de politieke houdbaarheid van het leenstelsel onder druk zetten. Hoe beschouwt de regering het onderhavige wetsvoorstel in licht van deze constatering van de leden van de GroenLinks-fractie? Graag ontvangen deze leden een reflectie.

De regering is het zeer met de leden van de GroenLinks-fractie eens dat kansengelijkheid en toegankelijkheid van het hoger onderwijs belangrijke waarden zijn. De toegankelijkheid en de kansengelijkheid zijn en blijven gewaarborgd doordat studenten gebruik kunnen maken van studiefinanciering: een reisvoorziening, de mogelijkheid om te lenen, en de aanvullende beurs voor studenten met minder draagkrachtige ouders. De aanvullende beurs is bij de invoering van het studievoorschot verhoogd. En terugbetaalvoorwaarden zijn socialer gemaakt, waardoor het terug te betalen bedrag altijd in verhouding staat tot het inkomen. Wanneer het inkomen niet toereikend is om het bedrag terug te betalen dat bij de schuld hoort, betaalt de oud-student minder of niets terug. Al deze elementen blijven onverkort van kracht waardoor de genoemde waarden geborgd blijven.

Het onderhavige wetsvoorstel maakt een bewuste keuze om aan één van de knoppen van het nieuwe leenstelsel te draaien, maar dit is geenszins noodzakelijk voor het naar behoren functioneren van het stelsel. Indien het beoogde doel het verbeteren van de overheidsfinanciën is, maar het stelsel hierdoor dermate onder druk komt te staan dat het politiek niet langer houdbaar lijkt, is het dan niet wenselijk om de effecten van het draaien aan andere knoppen te verkennen?

De regering is van mening dat deze aanpassing niet hoeft te leiden tot politieke onhoudbaarheid van het stelsel. Cruciaal hierbij zijn de sociale terugbetaalvoorwaarden die er altijd voor blijven zorgen dat iemand nooit meer hoeft terug te betalen dan hij gegeven zijn inkomen kan dragen. Onderstaande tabel laat de maandelijks terug te betalen bedragen naar schuld en inkomen zien.

In de gearceerde cellen is weergeven welke inkomensgroepen met welke schuld onder de draagkrachtregeling vallen.

Acht de regering het bijvoorbeeld nog mogelijk om alternatieven te verkennen om de bezwaren tegen het functioneren van het leenstelsel in de huidige vorm weg te nemen? Is het bijvoorbeeld niet wenselijk om de schuldenproblematiek – waar onder meer CDA en ChristenUnie regelmatig aandacht voor vroegen – aan te pakken door de aanvullende beurs te verhogen en/of ook voor middeninkomens beschikbaar te stellen, om op deze manier meer studenten financieel tegemoet te komen, zo vragen de leden van de GroenLinks-fractie?

Het studievoorschot functioneert zoals verwacht en beoogd. De regering vindt het daarbij belangrijk dat er geen onoverkomelijke financiële belemmeringen zijn om te gaan studeren. Daarom is de aanvullende beurs verhoogd bij de invoering van het studievoorschot, zodat studenten uit de lagere en middeninkomens extra ondersteuning krijgen. De monitor beleidsmaatregelen laat zien dat het hoger onderwijs toegankelijk is gebleven.5 Rond de zomer verschijnt de volgende monitor beleidsmaatregelen en zal de regering opnieuw gedegen kijken naar de ontwikkelingen in het hoger onderwijs, bijvoorbeeld ten aanzien van deelname, doorstroom, studiefinanciering, studiesucces en leengedrag.

Ten aanzien van de studieschulden, acht de regering het van belang om voorop te stellen dat het grootste deel van de studenten dat met het leenstelsel te maken heeft gekregen nog studeert, dus het is prematuur om daar nu al verstrekkende conclusies over te trekken en over schuldenproblematiek te spreken. Er zijn tot dusver geen signalen die erop wijzen dat de aanvullende beurs moet worden verhoogd of voor een bredere groep beschikbaar moet worden gesteld.

Onlangs meldde de branchevereniging voor schuldhulpverleners en sociale kredietbanken (NVVK) dat het aantal jongeren met recht op studiefinanciering dat een beroep deed op schuldhulpverlening is verdubbeld in 2018. Onderschrijft de regering deze constatering? Hoe duidt zij deze ontwikkeling? In lijn met de Kamervragen die het CDA in de Tweede Kamer naar aanleiding van deze berichtgeving van het NVKK indiende op 18 april jl. vragen de leden van de GroenLinks-fractie of de regering in aantallen en procenten kan aangeven hoeveel jongeren per jaar een beroep hebben gedaan op schuldhulpverlening in de afgelopen 10 jaar.

Ten aanzien van de studieschulden, acht de regering het van belang om voorop te stellen dat het grootste deel van de studenten dat met het leenstelsel te maken heeft gekregen nog studeert, dus het is prematuur om daar nu al verstrekkende conclusies over te trekken en over schuldenproblematiek te spreken. De regering heeft geen beschikking over exacte aantallen jongeren met schulden dat een beroep doet op schuldhulpverlening. Gemeentelijke schuldhulpverlening wordt op verschillende manieren gemonitord. De Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) brengt als branchevereniging jaarverslagen uit waarin wordt getoond hoeveel mensen hun leden hebben geholpen en op welke manier.6 Het jaarverslag NVVK 2017 liet al een stijging zien van jongeren die bij de schuldhulpverlening aankloppen. De verwachting is dat deze ontwikkeling zich doorzet.

Daarnaast vernemen de leden van de GroenLinks-fractie graag of de regering bekend is met gevallen van studenten met schulden die door niet op tijd betalen van collegegeld moesten stoppen met hun opleiding.

Er bestaat geen overzicht van het aantal studenten dat is uitgeschreven vanwege het niet betalen van het collegegeld. Een uitvraag onder een aantal instellingen voor hoger onderwijs leert dat het aantal studenten dat vanwege financiële redenen is uitgeschreven beperkt is. Gemiddeld zou dit tussen 0,1% en 0,6% van het totaal aantal ingeschreven studenten per collegejaar betreffen. Wat de regering betreft is het uitgangspunt dat een jongere blijft studeren en daarnaast geholpen wordt bij het oplossen van de financiële problemen. Studenten met schulden kunnen op verschillende manieren geholpen worden, bijvoorbeeld door een schuldregeling en de inzet van budgetcoaches. Gemeenten moeten per individueel geval integraal afwegen wat jongeren het beste perspectief geeft op zowel een schuldenvrije toekomst als een startkwalificatie.

Ziet de regering in deze berichtgeving een aanleiding voor een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van aanpassing van de rentemaatstaf voor huidige studenten, nog voorafgaand aan inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel? Indien niet, hoe wil de regering ongewenste gevolgen van het leenstelsel in de huidige vorm en met name van de aanpassing van de rentemaatstaf mitigeren?

De regering ziet in deze berichtgeving geen reden om de gevolgen van de aanpassing van de rentemaatstaf te onderzoeken. De aanpassing van de rentemaatstaf verandert namelijk niets aan de sociale terugbetaalvoorwaarden die aan de studieschuld zijn verbonden. De renteverhoging leidt dus alleen tot hogere maandlasten als het inkomen van de oud-student daarvoor toereikend is. De regering ziet geen verband tussen deze berichtgeving en de invoering van het leenstelsel of het onderhavige wetsvoorstel. Het grootste deel van de studenten die met het leenstelsel te maken heeft gekregen, studeert nog en betaalt de studieschuld dus nog niet af.

Net zoals de Kamervragen van het CDA in de Tweede Kamer, vragen de leden van de GroenLinks-fractie de regering of zij in het licht van de oproep van de NVVK voornemens is haar standpunt omtrent voorlichting van studenten te herzien, bijvoorbeeld studenten via een banner op de website van DUO te informeren over de aanpassing van de rentemaatstaf.

De CDA-Kamerleden Van der Molen, Kuik en Peters hebben in schriftelijke vragen – naar aanleiding van een oproep van de NVVK – gevraagd of de regering een banner met de tekst «geld lenen kost geld» wil plaatsen op de website van DUO.7 Uiteraard licht de regering studenten voor over de regels en voorwaarden omtrent de terugbetaling van studiefinanciering. De website van DUO bevat een overzicht van de geldende rentepercentages. Een student kan ook in MijnDUO nagaan wat het actuele rentepercentage is. Na afstuderen wordt het rentepercentage vermeld in de berichten over het terugbetalen. Het rentepercentage dat voor de student van toepassing is, wordt voor het eerst gemeld in het bericht dat hij ontvangt als hij moet gaan terugbetalen. Ook op alle berichten daarna die betrekking hebben op het terugbetalen, wordt het rentepercentage genoemd. In zijn algemeenheid is de regering van mening dat studenten goed geïnformeerd moeten worden, wanneer zij gebruik gaan maken van studiefinanciering over alle daarmee gepaard gaande rechten en plichten en de voor hen geldende rentemaatstaf is één van de aspecten daarvan.

In de eerdere beantwoording gaf de regering aan dat de verwachting was dat «neveneffecten van deze maatregel, zoals wijzigingen in terugbetaalpatronen en effecten op de instroom, niet of nauwelijks op zullen treden» omdat studenten zich met name beroepen op de actuele rentestand en sociale terugbetaalvoorwaarden in hun afweging om al dan niet een studielening aan te gaan. Op welk onderzoek is deze verwachting gebaseerd? Voldoet deze argumentatie daarmee aan de maatstaf voor een goede onderbouwing van voorstellen? Betekent deze argumentatie niet vooral dat de regering erop rekent dat de studenten zo kortzichtig zijn dat ze de lange termijneffecten van hun handelen niet kunnen overzien?

De regering beticht de studenten hiermee geenszins van kortzichtigheid, maar verwacht enkel dat zij niet in het bezit zijn van het vermogen om rentestanden in de verre toekomst te voorspellen, iets wat in ieder geval ook voor de regering een onmogelijke opgave is. De verwachting dat studenten zich met name beroepen op de actuele rentestanden is ten eerste gebaseerd op het gegeven dat de student ook nu niet weet wat de rente bij terugbetalen zal zijn, ongeacht op welke maatstaf die rente precies gebaseerd is. Ten tweede blijkt uit berekeningen met historische rentes dat normale renteschommelingen die er ook zonder wijzigingen van de maatstaf zijn, een veel grotere onzekere factor zijn dan de wijziging die dit wetsvoorstel regelt.

Is de regering van mening dat toekomstige studenten goed geïnformeerd moeten worden over de aankomende wijziging van rentemaatstaf, ook als deze pas effect zou hebben in de aflosfase na afronding van hun studie? Welke stappen is de regering voornemens te nemen om bewustwording onder studenten van de aankomende wijziging van de rentemaatstaf en mogelijke gevolgen voor oud-studenten te bewerkstelligen?

De regering is van mening dat studenten goed geïnformeerd moeten worden, wanneer zij gebruik gaan maken van studiefinanciering over alle daarmee gepaard gaande rechten en plichten en de rentemaatstaf is één van de aspecten daarvan. Dat is nu zo en dat is in de toekomst niet anders. Hierbij is van belang dat de aanpassing van de rentemaatstaf voor niemand een wijziging gaat betekenen. Huidige studenten krijgen immers niet te maken met de nieuwe rentemaatstaf. En voor studenten die vanaf de beoogde inwerkingtreding (1 januari 2020) beginnen in het hoger onderwijs is de rentemaatstaf vanaf het begin de 10-jaarsrente.

In de eerdere beantwoording op vragen van de leden van de D66-fractie geeft de regering aan de resultaten van het RIVM-onderzoek over mentale druk bij jongeren, waaronder ook studenten, niet af te wachten. Is de regering het met de leden van de GroenLinks-fractie eens dat zelfs als aanpassing van de rentemaatstaf feitelijk geen effecten voor huidige studenten zou hebben, dit in de beleving van studenten wel degelijk zo zou kunnen zijn, hetgeen op zichzelf kan bijdragen aan een verergering van mentale druk en stress onder huidige studenten?

Voor het terugbetalen van de studieschuld gelden sociale terugbetaalvoorwaarden, die oud-studenten beschermen tegen te hoge maandlasten. Dit zorgt ervoor dat een oud-student nooit meer hoeft te betalen dan hij met zijn inkomen kan dragen. De aanpassing van de rentemaatstaf verandert niets aan deze terugbetaalvoorwaarden. De regering vindt het mede daarom belangrijk dat studenten en oud-studenten goed op de hoogte zijn van deze voorwaarden, zodat ze zich niet onnodig zorgen hoeven te maken over de aanpassing van de rentemaatstaf.

Is de regering bereid om toe te zeggen de aanpassing van de rentemaatstaf te herzien dan wel te compenseren met bijvoorbeeld aftrekbare rente op de studieschuld indien dit beeld uit het RIVM-onderzoek naar voren komt?

De regering wacht de uitkomsten van het RIVM-onderzoek eerst af en gaat niet voorsorteren op eventuele maatregelen. Wel roept de regering volledigheidshalve alvast in herinnering dat zij in reactie op het 10-puntenplan van het ISO en CNV-jongeren8 heeft aangegeven dat het aftrekbaar maken van de rente op studieleningen haaks staat op het regeringsbeleid om het belastingstelsel te vereenvoudigen. Daarnaast brengt de maatregel hoge kosten met zich mee, oplopend naar structureel bijna 400 miljoen euro aan lagere belastingontvangsten in 2060. Alles overwegende is de regering niet bereid om te voldoen aan het gevraagde.

DUO is onlangs gestart met een experiment waarin aan studenten de gevolgen van hun leengedrag worden getoond. Kan de regering de opzet van dit experiment nader toelichten? Wordt de wijziging van de rentemaatstaf meegenomen in dit experiment? Wat is de onderzoeksvraag en het beoogde doel van dit experiment? Wanneer verwacht DUO dit onderzoek af te ronden?

Het experiment «bewust lenen» richt zich op studenten die momenteel studeren en lenen bij DUO. DUO laat lenende studenten middels een brief zien wat hun verwachte studieschuld is na afstuderen en wat ze daarna per maand moeten gaan aflossen, bij het huidige leengedrag. Daarbij wijst DUO de studenten op een rekentool, waarmee ze kunnen berekenen wat het effect is van het aanpassen van hun leenbedrag of de tijd die ze nog willen lenen op de hoogte van de uiteindelijke studieschuld. Het doel van dit gedragswetenschappelijke experiment is om lenende studenten bewuster te maken van hun leengedrag en de consequenties die dit heeft voor de toekomst. Er wordt onderzocht in hoeverre de interventies leiden tot aanpassingen in het leengedrag.

De aanpassing van de rentemaatstaf geldt alleen voor studenten die na 1 januari 2020 beginnen met studeren in het hoger onderwijs. Daarom wordt in het experiment geen rekening gehouden met de aanpassing van de rentemaatstaf. De verwachting is namelijk dat het experiment eind 2019 is afgerond.

Wat is de reden dat de regering zoveel haast heeft met de besluitvoering over dit wetsvoorstel dat zij geen ruimte wil laten voor aanvullend onderzoek, terwijl de positieve financiële effecten alleen op de zeer lange termijn zullen optreden en de negatieve psychologische effecten nu al waarneembaar lijken en (kunnen) leiden tot extra studie-uitval of verslechtering van de doorstroming? Is de regering bereid om gezien de vele vragen vanuit de Kamer tijd te nemen voor betere analyse en reflectie?

De regering is van mening dat met de huidige onderzoeksbasis, en vanwege het voortbestaan van de sociale terugbetaalvoorwaarden, er voldoende grond is om het wetsvoorstel in te voeren.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Kamerstukken II 2017/18, 31 288, nr. 648, pg. 6.

X Noot
2

Kamerstukken II 2016/17, 24 724, nr. 164.

X Noot
3

Kamerstukken II 2017/18, 31 288, nr. 648, p. 6.

X Noot
4

Kamerstukken II 2017/18, 31 288, nr. 648.

X Noot
5

Kamerstukken II 2017/18, 31 288, nr. 648.

X Noot
7

Kamerstukken II 2018/19, 2019Z08115.

X Noot
8

Kamerstukken II 2018/18, 31 288, nr. 722.