Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2018-201935007 nr. C

35 007 Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs

C NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP1

Vastgesteld 2 april 2019

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met aandacht kennisgenomen van de antwoorden op de vragen. Deze leden maken graag gebruik van de mogelijkheid nadere vragen te stellen.

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie op hun eerdere inbreng en danken de regering voor de verstrekte informatie. Hun zorgen zijn echter niet weggenomen en zij hebben nog een aantal vragen.

De leden van de fractie van de SP danken de regering voor de antwoorden. Hun zorgen over het wetsvoorstel zijn niet weggenomen. Deze leden stellen graag nog een aantal aanvullende vragen.

De leden van de fractie van de PvdA danken de regering voor de memorie van antwoord op het voorlopig verslag. Naar aanleiding hiervan hebben de aan het woord zijnde leden nog enkele aanvullende vragen bij het wetsvoorstel.

De leden van de fractie van GroenLinks danken de regering voor de antwoorden op het voorlopig verslag. Zij hebben enkele vervolgvragen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en de memorie van antwoord op de verschillende vragen. Zij hebben eveneens kennisgenomen van de beleidsbrief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap inzake een reflectie op artikel 13 lid 2 sub c van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR).2 De leden van de fractie van de ChristenUnie stellen over deze beide stukken graag nog enkele vragen.

2. Hoofdlijnen van het voorstel

De leden van de CDA-fractie zijn er geen voorstander van dat studenten (veel) schulden (moeten) maken. Dat was ook een reden voor de grote aarzelingen van de CDA-fractie ten aanzien van het leenstelsel. Kan de regering nog eens aangeven in hoeverre voorliggend wetsvoorstel zich verhoudt tot het risico dat studenten (te) grote schulden maken?

Het wetsvoorstel betreft een afspraak uit het regeerakkoord. Het niet aanvaarden van het wetsvoorstel zou betekenen dat er een gat in de begroting ontstaat. De leden van de CDA-fractie gaan ervan uit dat de regering in dat geval het geld elders uit de onderwijsbegroting moet halen. Kan de regering aangeven op welke manier zij hierin zal voorzien en in hoeverre het bedrag voor kwaliteit van het onderwijs in het geding kan raken?

Naast de constatering van een onzekere wetsopbrengst (op bovendien zeer lange termijn) spraken de leden van de D66-fractie al eerder hun bezorgdheid uit over de beeldvorming rond de overheid als onbetrouwbare en onvoorspelbare partij, nu zo kort na de invoering van het nieuwe leenstelsel studenten geconfronteerd worden met een verslechtering van de voorwaarden daarvan zonder dat daarvoor de onvoorziene onhoudbaarheid van het stelsel zelf als excuus kan worden aangevoerd. Onduidelijk blijft waarom nu juist deze doelgroep zorg moet dragen voor een (zeer) bescheiden verbetering in de algemene houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn. Zou de regering in dat verband nog eens precies willen aangeven wat de voorziene financiële opbrengsten van het voorstel zouden zijn gedurende de eerstkomende tien jaar? En zou de regering daarnaast willen aangeven wat de voorziene koopkrachteffecten op afgestudeerden zijn tussen nu en 2060?

De verslechtering van voorwaarden vindt bovendien plaats in een zodanig vroeg stadium van stelselimplementatie dat het in de beleving van de leden van de D66-fractie nog geenszins duidelijk is of de ooit gevreesde negatieve neveneffecten ervan op de toegankelijkheid van de studie en het ambitieniveau van de geselecteerde studie inderdaad zullen uitblijven, laat staan wat het mogelijk effect daarop van de verslechtering zou kunnen zijn. Is de indruk van deze leden juist dat daarnaar geen prospectief onderzoek is verricht?

Ten slotte signaleren deze leden met enige regelmaat berichtgeving die de indruk wekt dat de studentenpopulatie in toenemende mate kampt met teruglopende fysieke en mentale gezondheid, onder meer door de overbelasting die voortvloeit uit de tijdrovende verwerving van neveninkomsten. De relatie met lopende en voorziene financiële studielasten is hier eenvoudig te leggen. De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling de aankondiging gezien van een grote RIVM-studie naar het huidige studentenwelzijn. Zou het niet in de rede liggen de resultaten van deze studie een rol te laten spelen bij de beoordeling van het voorliggende wetsvoorstel?

De regering geeft aan dat de stijging van de aflossing gemiddeld 12 euro per maand bedraagt, zo lezen de leden van de SP-fractie. Zo genoemd lijkt dat weinig, maar per definitie is de student dan dus gemiddeld 5.000 euro meer kwijt aan rentelasten. Het blijft bovendien een feit dat de student tot 35 jaar na zijn of haar studie nog bezig is met het afbetalen hiervan.

Studieschulden spelen niet alleen bij studenten die afstuderen, maar ook bij studenten die hun studie niet weten af te ronden, of niet binnen 10 jaar. Deze studenten moeten niet alleen hun leningen terugbetalen, maar ook hun eventuele aanvullende beurs en hun studentenreisproduct. Wat is de gemiddelde studieschuld van studenten die hun hoger onderwijs-opleiding verlaten? Hoeveel zal de renteverhoging naar schatting voor deze groep extra kosten opleveren, uitgaande van de 35-jaars terugbetalingstermijn? Hoe groot deel van deze groep bestaat uit mbo-doorstromers en hoe verhoudt dit percentage zich tot het totaal percentage mbo-doorstromers in het hoger onderwijs? Het is immers bekend dat de uitval onder mbo-doorstromers groter is.3

Wat is de gemiddelde studieschuld van mbo-studenten die doorstromen in het hoger onderwijs? Indien een student met een mbo-schuld doorstroomt in het hoger onderwijs, maar hier geen diploma haalt, blijft de op het mbo behaalde schuld dan onder de 10-jaarsrente vallen? Is dit redelijk, ook in het kader van het stimuleren van doorstromen van mbo naar hbo?

Studenten met een mbo-vooropleiding die onder het studievoorschot vallen, lenen gemiddeld 35 euro per maand meer dan studenten met een HAVO-vooropleiding volgens de Monitor Beleidsmaatregelen.4 Wat betekent dit voor het verschil in studieschuld bij het afstuderen tussen beide groepen? Wat zouden de effecten van de renteverhoging zijn op dit verschil? Kan de regering hier een overzicht van geven?

Gezien het feit dat bekend is dat mbo-doorstromers die afkomstig zijn uit gunstige sociaaleconomische milieus een grotere kans hebben de (hbo-)studie af te ronden5, en gezien het feit dat niet-afronden van de studie zal leiden tot hogere schulden (door het moeten terugbetalen van het studentenreisproduct en de eventueel verkregen aanvullende beurs) die door de renteverhoging nog zwaarder zullen worden getroffen, ligt het niet voor de hand te stellen dat dit voorstel wel degelijk zwaarder zal drukken op een groep studenten uit minder gunstige sociaaleconomische milieus en dus de emancipatiedoelen van het kabinet zal frustreren? Indien de regering het hier niet mee eens is, horen de leden van de SP-fractie graag de argumenten daarvoor.

In de schriftelijke beantwoording stelt de regering:

«De aanpassing van de rentemaatstaf zal het hoger onderwijs volgens de regering niet minder toegankelijk maken. Er is ten behoeve van onderhavig wetsvoorstel geen prospectief onderzoek gedaan, omdat reeds jaarlijks in de Monitor Beleidsmaatregelen wordt gekeken naar de effecten van de invoering van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, leengedrag en de financiële situatie van studenten. Daaruit blijkt dat leenaversie als zodanig geen doorslaggevende reden is om niet te gaan studeren.»

De aangehaalde Monitor Beleidsmaatregelen stelt echter:

«De groep studenten die twijfelt om te gaan studeren verschilt op een aantal aspecten van de groep studenten die zeker niet gaat studeren. Hier is de groep die niet door wil studeren afgezet tegen de twijfelaars. Hieruit komt naar voren dat mannen, studenten met leenaversie, studenten waarvan ouders positief adviseren over doorstroom naar het hbo en studenten die meer waarde hechten aan status en aanzien meer geneigd zijn om te twijfelen dan om definitief af te zien van doorstuderen.»6

Hoe kan de regering dan volhouden dat leenaversie geen reden is om niet door te studeren?

Het percentage studenten dat onder het studievoorschot valt dat maximaal leent is in de eerste twee jaar van het stelsel gestegen (van 28% in 2015–2016 naar 33% in 2016–2017).7 Is de verwachting dat deze trend zal doorzetten? Zijn er al cijfers over 2017–2018 duidelijk? Wat betekent het voor de berekeningen over de opbrengsten en kosten van het stelsel als het aantal maximaal lenende studenten blijft stijgen? Verwacht de regering dat er vervolgens nog meer aanpassingen aan de rente nodig zullen zijn voor de door haar gewenste houdbaarheid van de overheidsfinanciën?

In hoeverre is het redelijk uitspraken te doen over het verschil tussen fluctuaties tussen 5-jaarsrente en 10-jaarsrente wanneer de gegevens die voorhanden zijn niet verder terug reiken dan 1990?8 Graag ontvangen de leden van de SP-fractie een toelichting.

In de eerste helft van de jaren 90 lag de rente op 10-jaarsobligaties rond de 8%. Indien een dergelijke situatie zich komende jaren voor een langere periode voordoet, bedreigt dat dan niet de betaalbaarheid van het systeem? Aan de ene kant voor studenten, voor wie het zeer lastig wordt de schuld binnen 35 jaar af te betalen, maar aan de andere kant voor het Rijk, dat in zo’n scenario wellicht een veel groter deel van de niet binnen 35 jaar afbetaalde studieschulden moet kwijtschelden. Heeft de regering deze risico’s berekend en zo ja, kan zij deze berekeningen met de Eerste Kamer delen en hierbij een appreciatie geven?

Is de regering bekend met de brief die 27 jongerenorganisaties naar de Eerste Kamer zonden? Wat is haar reactie op deze oproep? Erkent zij dat het wijzigen van een wet die amper drie jaar geleden in werking is getreden voor grote onrust zorgt bij de jongeren?

Dan willen de leden van de SP-fractie nog terugkomen op de financiële bijsluiter. De regering zegt in de memorie van antwoord het volgende hierover:

«Als laatste wijst de regering op de sociale terugbetaalvoorwaarden van de studieschuld. Er wordt bij het aflossen van de studieschuld altijd rekening gehouden met het inkomen en debiteuren mogen de schuld binnen 35 jaar aflossen. Een studielening is dan ook in de ogen van de regering geen risicovol product, in tegenstelling tot wat de leden van de fractie van de SP menen. Het zou dan ook onverstandig zijn met het oog op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs om middels waarschuwingen de associatie met consumptieve kredietverstrekking te vergroten.»

Uit onderzoek van het Nibud bleek dat ruim 50% van de studenten geld leent om te sparen voor bijvoorbeeld de aankoop van een huis. Daarmee nemen zij risico’s en gedragen zij zich alsof dit wel een consumptieve kredietverstrekking is. Zou het niet verstandig zijn om bij aanschaf van de lening studenten expliciet te wijzen op de risico’s van het lenen? De aanvraag nu laat geen enkele consequentie zien, zoals dat de lening invloed heeft op de hoogte van je toekomstige hypotheek. Alle informatie moet de student actief opzoeken, terwijl een financiële bijsluiter juist expliciet op deze consequenties wijst en hierdoor er verstandiger geleend kan worden.

De leden van de PvdA-fractie merken het volgende op. In antwoord op vragen van de verschillende fracties over de hoogte van de rente die de studenten moeten gaan betalen, antwoordt de regering onder andere dat de staat in 2018 voor de kapitaalmarktschuld van 298 miljard euro 6,2 miljard euro aan rentelast betaald heeft en dat dit neerkomt op ongeveer 2,1% rente. Elders in de beantwoording van de regering staat dat de 10-jaarsrente die de studenten gaan betalen (gebaseerd op de gemiddelde rentes in de afgelopen 10 jaar) 2,56% zal bedragen ten opzichte van 1,78% voor de gemiddelde 5-jaarsrente. Dit betekent dat studenten een hogere rente gaan betalen dan de regering betaalt voor de staatsleningen. In de beantwoording van de regering blijft onduidelijk waarom gekozen wordt voor de 10-jaarsrente. De hoogte van de 5-jaarsrente ligt dichter bij de rente die de staat betaalt voor staatsleningen dan de 10-jaarsrente. Kan de regering toelichten waarom studenten een hogere rente moeten betalen dan de staat betaalt voor de kapitaalmarktschuld? Waarom moeten studenten volgens de regering meer rente betalen dan de kosten die de regering maakt voor de financiële middelen voor de studiefinanciering? Waarom heeft de regering er niet voor gekozen het rentepercentage te koppelen aan het (bijvoorbeeld meerjaarsgemiddelde) rentepercentage van de kapitaalmarktschuld van de staat in plaats van het rentepercentage nu te verhogen naar de 10-jaarsrente?

De regering antwoordt op vragen van de leden van verschillende fracties dat het doel van het wetsvoorstel het bijdragen aan het verlagen van de staatsschuld is. Het is een maatregel die veel onrust veroorzaakt bij maatschappelijke en politieke jongerenorganisaties, zo blijkt ook uit een brief van 9 maart jl.9 van 27 van deze organisaties aan deze Kamer. Deze organisaties wijzen op een stapeling van maatregelen die de inkomenspositie van studenten verslechteren. Zij vrezen dat de verhoging van de rente een negatief effect heeft op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Hoe kijkt de regering aan tegen deze reactie van de maatschappelijke en jongerenorganisaties? Kan de regering aangeven wat de cumulatie van maatregelen voor effect heeft voor de financiële positie van jongeren en jongvolwassenen? Is zij het met deze maatschappelijke en jongerenorganisaties eens dat de inkomenspositie van jongeren en jongvolwassenen verslechtert in plaats van de door de regering beloofde verbetering voor alle Nederlanders? Zo, nee waarom niet? Zo ja, waarom is ervoor gekozen met het onderhavige wetsvoorstel deze groep extra te belasten?

In antwoorden op vragen van de leden van de PvdA-fractie en van andere fracties over het effect van het verhogen van de rente voor de studieschuld op de toegankelijkheid en het gedrag van de studenten geeft de regering aan dat zij ervan uitgaat dat de aanpassing van de rentemaatstaf het hoger onderwijs niet minder toegankelijk zal maken. De regering meldt daarbij dat zij geen prospectief onderzoek heeft laten doen ten behoeve van het onderhavige wetsvoorstel. Zij verwijst naar de jaarlijkse Monitor Beleidsmaatregelen en stelt dat uit deze monitor blijkt dat leenaversie als zodanig geen doorslaggevende reden is om niet te gaan studeren. Allereerst is de vraag aan de orde of de regering alleen maatregelen wil treffen als er sprake is van een doorslaggevende reden om niet te gaan studeren. Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie een reactie van de regering op dit punt.

Uit de voornoemde monitor blijkt dat des te lager het inkomen van de ouders is des te groter de angst is om te lenen en des te groter de kans is dat ouders kinderen afraden om te gaan studeren. Uit het Studentenonderzoek 2017 van het NIBUD10 blijkt verder dat veel studenten rood staan, betalingsachterstanden hebben, zelf ervaren dat ze financiële problemen hebben en/of behoefte hebben aan hulp op het gebied van geldzaken. De vraag is aan de orde welke invloed de aangekondigde renteverhoging – waardoor de renteschuld hoger wordt – heeft op het leengedrag en het welbevinden van deze studenten. Als de regering het belangrijk vindt dat het hoger onderwijs voor iedereen toegankelijk is en blijft, zijn alle belemmeringen die er voor jongeren zijn om te (gaan) studeren en/of effect hebben op de studievoortgang relevant om in beeld te brengen en zoveel mogelijk weg te nemen. Is de regering daartoe bereid, en zo ja, gaat de regering maatregelen nemen tegen belemmeringen die studenten ervaren? Zo nee, waarom niet?

Daarnaast vragen de leden van de PvdA-fractie de regering of de jaarlijkse Monitor Beleidsmaatregelen voldoende onderbouwing bevat voor haar oordeel dat de aanpassing van de rentemaatstaf geen effect heeft op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. De Monitor is immers uitgevoerd vóór het plenaire debat over het wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Daarnaast zijn er in de Monitor geen specifieke vragen gesteld over de hoogte of het wijzigen van de rente voor de studieschuld op de geneigdheid van jongeren om te gaan studeren, hun leengedrag en welbevinden. Is de regering het met de leden van de PvdA-fractie eens dat op basis van dit onderzoek geen uitspraken gedaan kunnen worden over de invloed van de aanpassing van de rentemaatstaf op het gedrag van (potentiële) studenten en de adviezen van ouders over studeren en lenen dan de door de regering aangehaalde Monitor? Zo ja, is de regering bereid aanvullend onderzoek uit te voeren om de potentiële effecten van het wetsvoorstel in kaart te brengen? Zo nee, waarom niet?

Uit een representatieve enquête van onderzoeksbureau Motivaction11 in opdracht van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) onder ruim 500 hbo- en universitaire studenten blijkt ruim 60% van de lenende studenten regelmatig stress te ervaren door hun studieschuld, 40% spreekt van emotionele uitputting en 39% maakt zich zorgen over zijn financiële situatie. Deze percentages zijn hoger dan bij studenten zonder een studieschuld. Ook het RIVM waarschuwt in zijn rapport van 201812 voor de toename van mentale druk onder jongeren en jongvolwassenen. Deze druk blijft na het afstuderen onverminderd hoog, meldt het RIVM in zijn onderzoek. Deze druk kan leiden tot gezondheidsklachten, gebruik van medicatie, studievertraging e.d. In de Tweede Kamer is een motie aangenomen om een landelijk onderzoek uit te laten voeren naar het welzijn van studenten.13 De regering heeft hier positief op gereageerd. Gaat de regering in dit onderzoek het effect van het studiestelsel (inclusief de in dit wetsvoorstel opgenomen renteverhoging) op het welbevinden van studenten en jongvolwassenen meenemen? Zo ja, is de regering bereid de verdere behandeling van het onderhavige wetsvoorstel op te schorten zodat de resultaten van het landelijke onderzoek naar het welbevinden van studenten meegenomen kunnen worden in de verdere wetsbehandeling? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van GroenLinks zijn niet tevreden gesteld met de beantwoording van de vragen naar het gebruik van het begrip rentesubsidie. Enerzijds geeft de regering aan dat dit «niet negatief bedoeld» is, maar daarmee is nog niet gezegd op welke wijze het begrip door de regering wordt geïnterpreteerd. In de beantwoording van de vragen van leden van de fracties van D66 en SP weerspreekt de regering niet dat het doel van het wetsontwerp is «een einde te maken aan een onbedoelde rentesubsidie», maar gaat zij enkel in op de onmogelijkheid dat te kwantificeren. Bij de vragen van de leden van de fractie van GroenLinks antwoordt de regering dat «het één van de sociale terugbetaalvoorwaarden van studieleningen is». Kan de regering klip en klaar uitleggen welke definitie van rentesubsidie zij hanteert? Is het doel nu wel of niet om een einde te maken aan deze rentesubsidie? Zo ja, klopt dan het antwoord dat zij gaf aan de leden van de fractie van GroenLinks? Zo nee, klopt dan het antwoord dat zij gaf aan de leden van de fracties van D66 en SP? Deze leden herhalen de vraag of de term rentesubsidie niet vrijwel altijd een positieve connotatie heeft en verwijst naar een bewust beleidsinstrument en of de regering meer voorbeelden heeft waarin de term verwijst naar een ongewenst financieel effect.

Op verschillende vragen naar de onderbouwing van het wetsvoorstel en de financiële effecten antwoordt de regering dat zij het niet weet. De rentekosten kunnen niet worden gekwantificeerd. De opbrengsten zijn onzeker. De terugbetalingseffecten zijn onduidelijk. De effecten op instroom en toegankelijkheid zijn niet onderzocht. Hoe duidt de regering deze gebrekkige onderbouwing in het licht van de bij een vorig wetsvoorstel aangenomen motie-Ganzevoort c.s.14 waar gevraagd werd te streven naar op onderzoek gebaseerde argumentaties? Is de regering het met deze leden eens dat dit wetsvoorstel niet aan dat criterium voldoet?

De regering schrijft dat de monitoring van de gegevens over de gemiddelde looptijd van een lening nog niet mogelijk is omdat studenten nu amper aan het aflossen zijn. Is er wel op andere wijze onderzoek gedaan naar verschillende scenario’s van looptijden van leningen en inherente aflossingen? Hoeveel renteverlies heeft de overheid momenteel in het nieuwe stelsel geleden? Omdat dit stelsel nog amper terugbetalende studenten kent en de representativiteit hiervan dus twijfelachtig is, willen de leden van de GroenLinks-fractie de regering vragen om een overzicht van de (rente)verliezen van de overheid in het oude stelsel. Zou de regering dit per jaar kunnen uitsplitsen voor de periode 1970 tot 2015? De leden van de GroenLinks-fractie zijn zich ervan bewust dat de basisbeurs pas in 1986 werd ingevoerd. Voorheen kregen ouders daarentegen een opslag op de kinderbijslag, waardoor er sprake was indirecte onderwijsfinanciering in de geest van een basisbeurs. Zou de regering dit overzicht kunnen splitsen tussen enerzijds de periode 1970 tot 1986 en anderzijds de periode 1986 tot 2015? Daarbij zijn de leden van deze fractie tevens geïnteresseerd in de vraag of er mogelijk ook renteopbrengsten in plaats van renteverliezen zijn geweest in de periode 1986 en 2015. Deze leden vinden deze termijnen tussen 1970 tot 2015 belangwekkend voor hun afweging van het doel van deze wet omdat volgens de regering ook bij deze beleidswijziging pas ongeveer in het jaar 2060 sprake is van de structurele situatie omdat tot die tijd een (steeds kleiner wordend) deel van de terugbetalers nog te maken heeft met de 5-jaarsrente.

De regering maakt duidelijk dat het doel van het wetsvoorstel is de financiële houdbaarheid van de overheidsfinanciën. De regering schrijft daarbij dat binnen vijf jaar in het oude stelsel circa zestig procent van de leningen is terugbetaald en binnen tien jaar tachtig procent. Hoe zit het met leningen binnen vijftien jaar in het oude stelsel? Hoeveel procent werd in totaal terugbetaald? En verwacht de regering dat door de renteverhoging juist meer of minder studenten hun lening kunnen terugbetalen?

De opbrengsten van deze maatregelen vloeien terug naar de algemene middelen en niet naar het onderwijs zelf. Op grond waarvan meent de regering dat deze renteopbrengsten geen opbrengsten zijn van het studievoorschotstelsel? In welk opzicht verschillen deze opbrengsten van de andere opbrengsten van het studievoorschotstelsel? In welke mate zijn de verwachtingen van de opbrengsten van het studievoorschotstelsel gematerialiseerd? Klopt het dat de realisatie op verschillende punten achterblijft bij de verwachtingen die zijn gewekt bij de invoering? Klopt het dat de nu voorziene opbrengst van 556 miljoen euro lager is dan wat oorspronkelijk beoogd was? Klopt het dat de beoogde «1 miljard» niet gehaald gaat worden? Waarom heeft de regering er dan niet voor gekozen om deze opbrengsten in te zetten om de verwachtingen wel te realiseren?

Hierbij aansluitende vragen deze leden hoe de bekostiging per student zich in de afgelopen 15 jaar ontwikkeld heeft. Klopt het beeld dat deze is afgenomen? Zou dat geen aanleiding moeten zijn om deze renteopbrengsten dáárvoor in te zetten en niet voor de algemene overheidsfinanciën?

Alle jongerenpartijen van de politieke partijen en scholieren- en studentenbonden zijn tegen dit voorstel. Kan de regering een beschouwing geven over deze eensgezindheid onder de jongerenpartijen en aangeven of dit haar analyse van nut en noodzaak van dit wetsvoorstel heeft veranderd? Welk van deze partijen heeft zij gesproken en welke niet? Kan de regering hier een overzicht van geven?

Heeft de regering onderzoek gedaan naar de afnemende interesse bij jongeren om te gaan studeren vanwege deze renteverhoging? Heeft de regering onderzoek gedaan naar de effecten bij jongeren uit verschillende sociaaleconomische klassen? Zo nee, zou zij dit alsnog willen doen met een representatieve steekproef, zodat helder wordt of dit een negatief effect heeft op sociale ongelijkheid, financiële ongelijkheid, kansenarmoede en dergelijke. De afschaffing van de basisbeurs heeft vooral bij jongeren met een praktische achtergrond geleid tot minder neiging om te studeren. Acht de regering het mogelijk dat dit wetsvoorstel hier ook voor gaat zorgen? Waarom wel of waarom niet? Kan de regering dit onderbouwen met een onderzoek in de geest van de genoemde motie Ganzevoort c.s. over op onderzoek gebaseerde argumentaties? Heeft zij ook onderzoek gedaan naar de afname van de toegankelijkheid van het onderwijs door dit wetsvoorstel? Zo niet, is zij bereid een dergelijk onderzoek uit te voeren? Heeft de regering nagedacht over mogelijk andere neveneffecten van deze wet op de mate, kwaliteit, en toegankelijkheid of anderszins van het onderwijs? Zo nee, is zij bereid dit alsnog te doen voor een juiste afweging van dit voorstel?

Dan als laatste onderdeel over de opbrengsten van het leenstelsel. Kan de regering inzichtelijk maken middels kwalitatieve en kwantitatieve parameters dat het vervangen van de basisbeurs door het leenstelsel heeft geleid tot een kwaliteitsverbetering in het onderwijs? Kan zij hierbij inzichtelijk maken dat de opbrengsten ook daadwerkelijk worden geïnvesteerd in het onderwijs? Wat is, indien deze kwaliteitsverbeteringen nog niet voldoende zijn gerealiseerd, de overtuigende argumentatie richting de studenten om het studievoorschotstelsel verder te versoberen door middel van deze renteverhoging?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering hoe de verandering van de rentemaatstaf gewaardeerd moet worden in het licht van artikel 13 lid 2 sub c IVESCR, waarin de verplichting is opgenomen om na te streven dat het hoger onderwijs kosteloos zal zijn. Zij begrijpen dat de regering voornoemd artikel zo uitlegt dat geen drempels mogen worden opgeworpen voor jongeren om een studie te starten en dat de regering met name door het maatwerk van de aanvullende beurs hieraan denkt te voldoen. Tegelijk merken zij echter op dat niet duidelijk wordt of de verandering van de rentemaatstaf effect heeft op studenten in hun keuze om een studie te starten of te vervolgen. Hetzelfde geldt voor de vermeende moeilijkheidsgraad van een studie, deze leden zouden het betreuren als studenten voor een studie kiezen die bekend staat als minder risicovol. Een derde risico dat zij zien is terughoudendheid bij de keuze voor studies met minder baanzekerheid. Zij vragen de regering hoe zij deze risico’s ziet, en welk cijfermateriaal er is dat heldere conclusies op dit punt onderbouwt. Zij vragen eveneens om een reflectie op deze bevindingen in het licht van de internationale verdragen en de verplichtingen die Nederland daarin op zich heeft genomen ten aanzien van het hoger onderwijs.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben zich niet enthousiast getoond over de invoering van het studievoorschot. Zolang het stelsel er is, moedigen zij echter graag aan dat jongeren zo min mogelijk schulden hebben. Het voorliggende wetsvoorstel heeft op de schuldenomvang een geringe impact zo laten de overzichten van de regering zien. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of andere maatregelen zijn overwogen om het aflossen van schulden te stimuleren. Dit heeft tevens een positief effect op het geheel van de overheidsfinanciën zo voeren zij aan. Ze vragen de regering om na te gaan welke positieve maatregelen (denk aan: kortingen bij versneld aflossen, aftrekbaarheid van belastingen, kwijtschelding indien een hoog percentage binnen zoveel jaar is afgelost etc.) effectief en stimulerend zijn.

De commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ziet met belangstelling uit naar de nadere memorie van antwoord en ontvangt deze graag binnen vier weken na vaststelling van dit nader voorlopig verslag.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Vries-Leggedoor

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Bergman


X Noot
1

Samenstelling: Ten Hoeve (OSF), Koffeman (PvdD), De Vries-Leggedoor (CDA), (voorzitter), Ganzevoort (GL), Martens (CDA), Van Strien (PVV), P. van Dijk (PVV), Bruijn (VVD), Gerkens (SP), Van Apeldoorn (SP), Atsma (CDA), Van Hattem (PVV), Jorritsma-Lebbink (VVD), Köhler (SP), Nooren (PvdA), Pijlman (D66), Rinnooy Kan (D66), Schalk (SGP), Schnabel (D66), (vice-voorzitter), Bikker (CU), Klip-Martin (VVD), Sini (PvdA), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV) en Van Zandbrink (PvdA).

X Noot
2

Kamerstukken I 2018/19, 34 911, L.

X Noot
3

Zie het rapport Uitval en switch in het HBO van Researchnet.

X Noot
4

Monitor Beleidsmaatregelen 2017–2018, p. 191.

X Noot
5

Zie het rapport Uitval en switch in het HBO van Researchnet of Toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor MBO 4-gediplomeerden van het CBS.

X Noot
6

Monitor Beleidsmaatregelen 2017–2018, p. 58.

X Noot
7

Monitor Beleidsmaatregelen 2017–2018, p. 189.

X Noot
8

Zoals gesteld in de beantwoording van de eerste schriftelijke ronde in de Tweede Kamer.

X Noot
9

Brandbrief naar de Eerste Kamer. Politieke en maatschappelijke jongerenorganisaties verenigd.

X Noot
10

NIBUD Studentenonderzoek 2017. Achtergrondstudie bij de Handreiking Student & Financiën.

X Noot
11

Motivaction research en strategy. Impact van leenstelsel op welbevinden van studenten. 2019.

X Noot
12

RIVM. Volksgezondheid toekomstverkenning. Webartikel De mentale druk op jongeren lijkt toe te nemen. 2018.

X Noot
13

Kamerstukken II 2018/19, 31 288, nr. 716.

X Noot
14

Kamerstukken I 2017/18, 34 911, G.