Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201934958 nr. 6

34 958 Goedkeuring van op 18 augustus 1960 te Washington tot stand gekomen Briefwisseling houdende een verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake beveiliging van gerubriceerde gegevens en de op 6 april 1981 te ’s- Gravenhage tot stand gekomen Notawisseling houdende een verdrag tot wijziging van de Briefwisseling houdende een verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake beveiliging van gerubriceerde gegevens (Trb. 2017, 193 en Trb. 2018, 39)

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 18 januari 2019

Inleiding

De regering dankt de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor haar verslag van 2 juli 2018 met betrekking tot het wetsvoorstel tot goedkeuring van de verdragen met de Verenigde Staten van Amerika inzake beveiliging van gerubriceerde gegevens. Met belangstelling is kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie, CDA-fractie, D66-fractie en van de CU-fractie. In deze nota naar aanleiding van het verslag worden de vragen beantwoord. De vragen met dezelfde strekking zijn bij de beantwoording samengevoegd.

Nota van wijziging

Deze nota naar aanleiding van het verslag gaat vergezeld van een nota van wijziging. Deze bevat redactionele wijzigingen en een wijziging in verband met de intrekking van de Wet raadgevend referendum. Voor een uitgebreidere toelichting hierop zij verwezen naar deze nota van wijziging.

Afwegingskader geheime verdragen

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van wet. Zij hebben nog één vraag naar aanleiding van het bovengenoemde verdrag. De leden van de VVD-fractie willen graag weten welke criteria een rol spelen bij het bepalen of een geheim karakter nodig is, dan wel opgeheven kan worden.

De leden van de D66-fractie zouden graag verduidelijking krijgen over het afwegingskader dat voorafgaat aan het besluit dat een verdrag een geheim of vertrouwelijk karakter draagt. Zowel zoals dat nu besloten wordt via de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen (Rgbv), als via de grondwettelijke kaders van 1960 en 1981. De zinsnede dat goedkeuring niet vereist is «indien in buitengewone gevallen van dwingende aard het belang van het Koninkrijk het bepaald noodzakelijk maakt dat het verdrag een geheim of vertrouwelijk karakter draagt», laat immers veel ruimte open voor interpretatie. In het artikelsgewijze deel van de toelichting op de Rgbv (21 214 (R 1375), nr. 3, p. 16/17) kunnen zij echter geen klip-en-klaar toepassingskader vinden dat definieert wat buitengewone gevallen zijn, wat dwingende aard is, wanneer iets noodzakelijk geacht wordt en wanneer respectievelijk voor een geheim of vertrouwelijk status gekozen wordt. Zij zijn benieuwd welk kader daar destijds achter lag, en – indien dit niet meer actueel is – welk kader nu geldt.

Het algemene afwegingskader was, en is, dat geheimhouding aan de orde is wanneer verdragen door openbaarmaking hun reden van bestaan zouden verliezen.1 In de allereerste plaats gaat het om verdragen die de staatsveiligheid betreffen (primair militair). Andere gevallen binnen dit algemene afwegingskader zijn denkbaar, zoals de afhandeling van claims, die bijvoorbeeld in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog bij geheim verdrag werden afgesproken. Buiten het algemene afwegingskader kan het ook voorkomen dat de wederpartij slechts over wil gaan tot het sluiten van een verdrag onder voorwaarde van geheimhouding en de regering zo’n groot belang hecht aan dat verdrag, dat zij akkoord gaat met geheimhouding.

In de Memorie van Antwoord met betrekking tot de behandeling van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen (hierna: «Rgbv»), is met betrekking tot de verschillende categorieën van geheime of vertrouwelijke verdragen het volgende gesteld2:

«Nederland is gebonden aan een aantal geheime of vertrouwelijke verdragen van militaire aard. Voorts zijn er vlak na de oorlog een paar verdragen tot stand gekomen over in bewaring genomen en geroofde effecten en zijn er in de vijftiger en zestiger jaren enkele geheime of vertrouwelijke verdragen gesloten van financieel-economische aard, welke verdragen weliswaar formeel niet geëxpireerd zijn, maar, voor zover wij dat kunnen inschatten, vandaag de dag wel niet of nauwelijks meer toepassing zullen vinden. Verder is, om commerciële redenen, bij een aantal luchtvaartverdragen een deel van het verdrag als vertrouwelijk gerubriceerd. Tenslotte is er een beperkt aantal verdragen van diverse aard met vertrouwelijke of geheime bijlagen. Al met al gaat het niet om grote aantallen. Vertrouwelijke verdragen worden in de praktijk in beginsel altijd ter vertrouwelijke informatie aan het parlement voorgelegd. Geheime verdragen worden in de praktijk op een enkele uitzondering na niet aan het parlement voorgelegd.»

Het beleid is om de in deze Memorie van Antwoord genoemde financieel-economische verdragen, die in de vijftiger en zestiger jaren nog in het geheim werden gesloten en waarvan de inschatting is dat zij niet meer van toepassing zijn, niet meer in het geheim te sluiten. De invulling van het afwegingskader is in die zin veranderd.

Wanneer openbaarmaking van een verdrag niet langer de reden van het bestaan van dat verdrag aantast, kan het gederubriceerd worden. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uiteraard kan derubricering alleen plaatsvinden bij overeenstemming tussen de partijen bij het verdrag.

Defensieverdragen met de VS

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de goedkeuring van het verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de beveiliging van gerubriceerde gegevens. Zij hebben nog enkele vragen.

De derubricering van het verdrag heeft te maken met de onderhandeling over twee verdragen op defensieterrein: de Acquisition and Cross-Servicing Agreement en het Raamverdrag defensie samenwerking VS. Deze leden zouden graag willen weten wat in deze verdragen geregeld gaat worden.

De Acquisition and Cross-Servicing Agreement (ACSA) is een verdrag met de Verenigde Staten van Amerika op grond waarvan op bilaterale basis in het kader van onder meer gecombineerde oefeningen, training, havenbezoek, operaties of andere samenwerkingsinspanningen de meest voorkomende soorten steun worden uitgewisseld, inclusief voedsel, water, transport, kleding, communicatiediensten, medische diensten, munitie, brandstof, reserveonderdelen, reparatie- en onderhoudsdiensten en havendiensten. Op grond van de ACSA wordt een mechanisme opgezet voor het leveren van logistieke benodigdheden tussen de twee partijen in ruil voor vergoeding. De ACSA vermindert de logistieke lasten en wordt als essentieel beschouwd door commandanten om ter plaatse verhoogde interoperabiliteit, verbeterde operationele gereedheid en kosteneffectieve ondersteuning te verschaffen. De ACSA zal ter uitvoering dienen van het op 27 januari 1950 te Washington tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot wederzijdse hulpverlening inzake verdediging (Mutual Defense Assistance Agreement) (Trb. 1952, 19) en zal op termijn de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake wederzijdse (militaire) logistieke steunverlening, met bijlagen, getekend 22 februari 1983 (Trb. 1983, 63; Trb. 1994, 273) vervangen.

Het Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de totstandkoming van een raamwerk voor samenwerking op het gebied van defensieaangelegenheid, Trb. 2018, 125, (hierna: «Raamverdrag») benadrukt de goede betrekkingen tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika op materieel en operationeel gebied. Met de ondertekening van het Raamverdrag op 2 juli 2018 is Nederland toegetreden tot een kleine groep bondgenoten. De Verenigde Staten van Amerika hebben alleen met enkele bondgenoten, waaronder Australië, Canada en het Verenigd Koninkrijk, eerder een soortgelijk verdrag gesloten.

Het Raamverdrag versterkt het partnerschap op militair materieel en operationeel gebied. Het Raamverdrag vormt tevens een aanvulling op het Mutual Defense Assistance Agreement.

Het Raamverdrag biedt een juridisch kader waarmee de totstandkoming van samenwerkingsactiviteiten vereenvoudigd en versneld kan worden. In de regel is het gebruikelijk om afspraken rond samenwerkingsactiviteiten op defensiegebied in niet-juridisch bindende Memoranda of Understanding op te nemen. De Verenigde Staten van Amerika hebben de wens uitgesproken om de belangrijkste bepalingen, waaronder bepalingen inzake aansprakelijkheid, uitwisseling en bescherming van informatie, bruikleen van materieel, logistieke ondersteuning en uitwisseling van personeel in het Raamverdrag vast te leggen. Hiermee kan het verdrag als een vorm van onderliggende «algemene voorwaarden» ingeroepen worden in alle toekomstige bilaterale Memoranda of Understanding tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika, waarmee het Raamverdrag als een vorm van onderliggende «algemene voorwaarden» relevant zal zijn voor de toepassing en uitvoering van deze Memoranda of Understanding. De goedkeuringsstukken voor dit verdrag zijn in voorbereiding.

Bedrijfsspionage en onderzoek verdenkingen

Over de toepassing van het te derubriceren verdrag hebben de leden van de CDA-fractie nog enkele vragen. In het jaarverslag van de MIVD over 2017 concludeert de MIVD dat het afgelopen jaar meer dan ooit doelwitten en slachtoffers van digitale spionage opgespoord, gewaarschuwd, op de hoogte gesteld zijn. Daarnaast zijn zij geadviseerd over of geholpen met het schoonmaken of houden van Defensienetwerken. De doelwitten in Nederland betroffen zowel Defensie, Defensie-industrie, overheidsinstellingen, NGO’s, vitale sectoren en individuen. In hoeverre heeft de daar genoemde bedrijfsspionage ook te maken met bedrijven die gerubriceerde gegevens uitwisselen met de overheid of in strikt civiele sfeer, vragen de leden van CDA-fractie.

De AIVD en MIVD hebben in het afgelopen jaar een toename van digitale aanvallen geconstateerd die uitgevoerd worden in opdracht van diverse staten. Een van de doelen van deze zogenaamde statelijke actoren is digitale spionage, waarbij de slachtoffers zich zowel in de publieke als in de private sector bevinden. Deze actoren trachten door middel van het binnendringen van computersystemen gevoelige informatie te bemachtigen, waaronder gerubriceerde gegevens.

Op verzoek van de Verenigde Staten zijn in 1981 twee paragrafen aan de bijlage van het verdrag toegevoegd. Deze paragrafen gingen onder meer over het onderzoeken van verdenkingen van het illegaal verstrekken of kwijtraken van gerubriceerde militaire gegevens. Hoe vaak is er in de afgelopen tien jaar sprake geweest van het onderzoeken van verdenkingen van het illegaal verstrekken of kwijtraken van gerubriceerde gegevens van Nederlandse en Amerikaanse zijde?

In genoemde periode heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar veiligheidsincidenten met betrekking tot gerubriceerde informatie die in het kader van dit verdrag is uitgewisseld.

Derubricering beveiligingsverdragen

De leden van de D66-fractie merken op dat bij het sluiten van de verdragen in 1960 en 1981 gesteld was, en ook onder de Rgbv gesteld is, dat een vertrouwelijk verdrag alsnog zo spoedig mogelijk aan de goedkeuring van de Staten-Generaal moet worden onderworpen. Het roept bij hen de vraag op waarom derubricering van beide verdragen vooral lijkt plaats te vinden met oog op de wens ernaar te verwijzen in defensieverdragen die nu in onderhandeling zijn. Immers, rubricering hing samen met gevoeligheden rondom de Koude Oorlog. Die is al enige tijd afgelopen. Waarom kon dit verdrag dan niet al (veel) eerder openbaar gemaakt worden? Wat is er in 2017 ten aanzien van de gevoeligheid van het uitwisselen van gerubriceerde en (deels) militaire gegevens gebeurd dat het verdrag niet meer geheim hoefde te zijn? Waarom bestonden er eerder in ogen van de regering geen omstandigheden die openbaarmaking mogelijk maakten? Wat is het eerste moment dat Nederland hierover contact zocht met de Verenigde Staten of andersom? Welke strekking had die communicatie over en weer?

Ten tijde van het afsluiten van het verdrag in 1960 bestond de wens om de afspraken over de uitwisseling van gerubriceerde informatie niet openbaar te maken, om derde landen geen inzage te geven in het feit dat uitwisseling mogelijk werd gemaakt en welke afspraken daartoe werden gemaakt. Sinds ruim 25 jaar worden beveiligingsverdragen, die een algemeen kader vastleggen voor de uitwisseling van gerubriceerde gegevens, niet meer in het geheim gesloten.

De onderhandelingen met de Verenigde Staten van Amerika over de ACSA en het Raamverdrag waren de aanleiding voor onderzoek naar de verdragen, halverwege 2017. De Verenigde Staten van Amerika stonden er namelijk op dat een expliciete verwijzing naar de beveiligingsverdragen zou worden opgenomen in de ACSA en het Raamverdrag, in welk geval openbaarheid een voorwaarde is. Het onderzoek wees uit dat op 27 november 2000 en 12 januari 2001, op verzoek van de Verenigde Staten, nota’s waren gewisseld tussen de Verenigde Staten van Amerika en Nederland over derubricering van de verdragen. Indertijd, in 2001, had het besluit moeten worden genomen om de verdragen aan het parlement voor te leggen. Dat is toen niet gebeurd en dat is een omissie geweest.

In de notawisseling van 2000 en 2001 was geen opzeggingsmogelijkheid opgenomen. Nederland heeft in augustus 2017 contact gezocht met de VS. Op verzoek van Nederland is de tekst voor een notawisseling overeengekomen waarin de derubricering werd bevestigd en de, voor de parlementaire procedure noodzakelijke, mogelijkheid van opzegging werd vastgelegd.

Naar aanleiding van de gang van zaken die hierboven is geschetst, heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de coördinatie op zich genomen van een structureel (archief)onderzoek naar geheime verdragen om, waar nodig in overleg met andere verdragspartijen, uit te zoeken of er nog andere als geheim aangemerkte verdragen zijn terwijl daar geen noodzaak meer toe is. Over dit onderzoek gaat uw Kamer een separate brief toe, die als bijlage bij deze Nota is gevoegd.

[D66] In meer algemene zin zijn de aan het woord zijnde leden benieuwd of zij ervanuit kunnen gaan dat de regering zich gebonden voelt aan het vereiste een geheim verdrag zo spoedig mogelijk aan de Staten-Generaal voor te leggen en daartoe passend en adequaat derubriceringsbeleid heeft? In dat kader zijn zij benieuwd met welke regelmaat gekeken wordt naar het voortduren van de redenen van dwingende aard en de noodzakelijkheden die bij het sluiten van een verdrag reden waren voor het vertrouwelijk of geheim karakter. Zijn verdragen bijvoorbeeld voorzien van een termijn waarbinnen de rubricering wordt opgeheven?

De regering is gebonden aan de voorgeschreven procedure van de Rgbv, artikel 11 die bepaalt dat een verdrag vallend onder artikel 7, paragraaf d, Rgbv, zo spoedig mogelijk ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Staten-Generaal «wanneer het geheim of vertrouwelijk karakter daarvan is komen te vervallen», en daarom wordt ook verwezen naar de bijgevoegde brief met de toezegging dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken een onderzoek naar de geheime verdragen zal coördineren.

Zoals ook in geval van het sluiten en opzeggen van een verdrag is het aan het departement dat eerstverantwoordelijk is voor het desbetreffende verdrag, om te bepalen of het in aanmerking komt voor derubricering, dit in overleg met andere verantwoordelijke departementen. De Minister van Buitenlandse Zaken zal, na afronding van het bovengenoemde onderzoek, de mogelijkheid van derubricering periodiek bij de andere departementen onder de aandacht blijven brengen.

In verdragen is niet een vaste termijn voorzien voor de rubricering van een verdrag. In hoeverre het noodzakelijk is het geheime of vertrouwelijke karakter van een verdrag in stand te houden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zoals hierboven aangegeven komt een verdrag in aanmerking voor derubricering wanneer openbaarmaking van een verdrag niet langer de reden van het bestaan van dat verdrag aantast, en is instemming van de andere partij(en) een voorwaarde.

De leden van de D66-fractie lezen in het verdrag uit 1960 dat de wens bestond dezelfde principes toe te passen op uitwisseling van gerubriceerde gegevens tussen beide staten als die golden bij de voorloper van de NAVO. De inhoud van de nu openbaar gemaakte verdragsbepalingen kennen een hoogst procedureel en zakelijk karakter. In dat kader hebben zij enige moeite de gevoeligheid van het verdrag te begrijpen die reden was voor het geheime karakter. Was destijds echt niet publiekelijk bekend of te veronderstellen dat staten die in een voorganger van de NAVO samenwerkten ook bilateraal gegevens uitwisselden en daartoe uiteraard afspraken maakten over het beheer van die gegevens? Is het niet ook zo dat een verdrag dat juist stelt dat die gegevens niet zomaar doorgegeven mogen worden en veilig opgeslagen moeten worden, eerder vertrouwenwekkend zal werken bij openbaring dan ernstige schade toebrengt aan Nederland?

Op basis van het lidmaatschap van Nederland en de VS van (de voorloper van) de NAVO kan een derde partij wellicht vermoeden dat ook sprake zal zijn van bilaterale samenwerking en gegevensuitwisseling tussen die twee landen. Een dergelijk vermoeden van derden mag echter geen reden zijn om de bilaterale samenwerking en uitwisseling van gerubriceerde informatie te openbaren. Het gezamenlijke lidmaatschap van (de voorloper van) de NAVO behoeft immers niet altijd te leiden tot bilaterale samenwerking en gerubriceerde informatie-uitwisseling. Een dergelijke bilaterale samenwerking en gegevensuitwisseling is gebaseerd op de wederzijdse behoefte om breder en/of diepgaander samen te werken dan dat men binnen de scope van (de voorloper van) de NAVO doet. Een dergelijk vermoeden van derden biedt als zodanig geen grond voor het besluit tot al dan niet rubriceren; de aard en rubricering van de onderwerpen en uit te wisselen informatie dienen hierbij leidend te zijn, zonodig ook voor de rubricering van alleen het feit dat er gerubriceerde informatie, anders dan onder NAVO-vlag, wordt uitgewisseld. Destijds werd het wenselijk geacht om de uitwisseling van gerubriceerde informatie niet te openbaren. Inmiddels worden beveiligingsverdragen, die een algemeen kader vastleggen voor de uitwisseling van gerubriceerde gegevens, niet meer in het geheim gesloten. Overigens waren de onderhavige verdragen met de VS de enige geheime beveiligingsverdragen die een algemeen kader vastleggen voor de uitwisseling van gegevens.

De leden van de D66-fractie zijn benieuwd wat de rechtsgevolgen voor de geldigheid zouden zijn wanneer de Staten-Generaal bij enig verdrag zou bepalen dat deze onterecht gerubriceerd is of niet tijdig werd gederubriceerd?

Geen. Indien de Staten-Generaal geen goedkeuring zou verlenen aan een gederubriceerd verdrag, is de regering verplicht dat verdrag op te zeggen.

De leden van de D66-fractie merken op dat artikel 11, tweede lid Rgbv, evenals in het vernoemde artikel 62 Grondwet uit 1956 als voorwaarde opgenomen staat voor het sluiten van een geheim verdrag dat dit gebeurt onder voorbehoud van beëindiging bij onthouding van goedkeuring. In dat licht vragen deze leden zich af waarom pas bij briefwisseling van 12 september 2017 en 24 oktober 2017 de mogelijkheid tot opzegging is opgenomen in het verdrag. Kan de regering garanderen dat bij alle eventueel andere geheime of vertrouwelijke verdragen dit correct geregeld is?

Niet in alle geheime verdragen is een opzeggingsclausule opgenomen. Zowel artikel 11, tweede lid Rgbv, als artikel 62 Grondwet uit 1956 laten die mogelijkheid open. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat bewust is gekozen voor de mogelijkheid van verdragen zonder opzeggingsclausule, met de volgende overwegingen3:

«Opneming van een clausule, welke inhoudt dat overeenkomsten als bedoeld onder d altijd op redelijk korte termijn opzegbaar moeten zijn, zou de regering in het licht van bovenstaande beschouwingen willen afraden; met volledige erkenning, dat hiermede een nuttig richtsnoer wordt gegeven voor de regering bij het aangaan van overeenkomsten als hier bedoeld, zou de regering een dusdanige straffe binding, die in bepaalde gevallen te belemmerend zou kunnen werken, niet in de Grondwet willen opnemen.»

Overigens bevatten de geheime verdragen die sinds de inwerkingtreding van de Rgbv tot stand zijn gekomen en nog steeds gelden, wel een opzeggingsclausule. Daarop is één uitzondering, en dat betreft een verdrag dat een geheime bijlage wijzigt bij een niet geheim verdrag, en dat niet separaat opgezegd kan worden, omdat de geldingsduur uiteraard is gekoppeld aan de duur van de bijlage en het «moederverdrag».

De leden van de D66-fractie zijn benieuwd naar de reden dat er bij de in onderhandeling zijnde defensieverdragen voor gekozen is te gaan verwijzen naar twee tot nu toe geheime verdragen in plaats van verwijzing naar een al wel openbaar verdrag of gewoon opname van de regels in het verdrag zelf verstaan.

Onder deze twee defensieverdragen zal informatie worden gedeeld. In de ACSA en het Raamverdrag wordt vastgelegd dat het delen van informatie tussen de Verenigde Staten van Amerika en Nederland zal plaatsvinden volgens de regels die zijn neergelegd in de bestaande bilaterale beveiligingsverdragen. Er is geen ander verdrag waar de VS en Nederland partij bij zijn, dat de bilaterale uitwisseling van gerubriceerde gegevens regelt. De beveiligingsverdragen geven een algemeen kader voor deze gegevensuitwisseling tussen de partijen.

Het is vergelijkbaar met «algemene voorwaarden» die op een bepaald gebied (i.c. gegevensuitwisseling) van toepassing zijn op de bilaterale samenwerking tussen de Verenigde Staten van Amerika en Nederland. Het is daarom niet wenselijk en ook ongebruikelijk om separate voorwaarden in dit kader op te nemen. Door het beveiligingsverdrag in het Raamverdrag en de ACSA op te nemen vormen deze verdragen bovendien een strategisch kader, waarbinnen de verwijzing naar het beveiligingsverdrag overkoepelend is opgenomen.

Het is overigens zo dat ook zonder expliciete vermelding het beveiligingsverdrag van toepassing zou zijn op de ACSA en het Raamverdrag; het biedt immers het algemene kader dat van toepassing is op elke uitwisseling van gerubriceerde gegevens. De Verenigde Staten van Amerika wenste echter expliciete vermelding en Nederland gaf daar ook de voorkeur aan.

Koninkrijkspositie

De leden van de CDA-fractie kunnen zich indenken dat het van belang is dat het verdrag ook toepassing heeft op de Caribische delen van het Koninkrijk. De Minister geeft aan dat aan de Verenigde Staten zal worden voorgesteld bredere geografische toepassing van het verdrag mogelijk te maken. Deze leden vragen wat de stand van zaken op dit punt is.

De leden van de D66-fractie merken op dat naar aanleiding van het advies van de Raad van State de memorie van toelichting is aangevuld met een paragraaf «Koninkrijkspositie». Zij zouden graag nog nadere toelichting willen krijgen over het volgende. Valt gegeven de territoriale beperking van het verdrag tot het Europese deel van Nederland informatie die de AIVD of MIVD verkrijgt en verwerkt in Bonaire over bijvoorbeeld Venezuela en verstrekt aan de Verenigde Staten op deze wijze dan wel of niet onder voorliggend verdrag?

De leden van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorstel en het commentaar daarop van de Raad van State. Het is deze leden nog niet duidelijk hoe de Minister de opmerkingen van de Raad van State over de beperking van de geldigheid tot het Europese deel van Nederland wil verwerken in het voorstel. De BES-eilanden behoren niet tot het Europese deel van Nederland maar maken wel volledig deel uit van Nederland. Het is deze leden niet duidelijk waarom deze eilanden van de werking hiervan uitgezonderd zouden blijven.

De tot Europees Nederland beperkte reikwijdte van het verdrag heeft in de praktijk niet tot problemen geleid. Het uitwisselen van informatie door de AIVD en MIVD met Amerikaanse inlichtingen- en veiligheidsdiensten vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in de Wiv 2017. Dit geldt ook voor de uitwisseling van eventuele informatie verkregen en verwerkt in het Caribisch deel van Nederland.

Het is de inzet van de Nederlandse regering om de beveiligingsverdragen uit te breiden tot de Caribische delen van het Koninkrijk. Het is ook de wens van de regering om het Raamverdrag en de ACSA te laten gelden voor het gehele Koninkrijk. Dit is ook de wens van de VS. Rijksbrede gelding van het Raamverdrag en de ACSA is echter pas mogelijk nadat de gelding van de beveiligingsverdragen is uitgebreid tot de Caribische delen van het Koninkrijk. Aan de Verenigde Staten van Amerika zal worden voorgesteld bredere geografische toepassing van de beveiligingsverdragen mogelijk te maken, middels een uitbreidingsverdrag. Dit voorstel kan alleen worden gedaan nadat goedkeuring is verkregen van de Staten-Generaal voor de onderhavige beveiligingsverdragen en duidelijk is dat die verdragen kunnen blijven gelden. Het is immers prematuur om op die instemming vooruit te lopen. Uiteraard zal vervolgens het uitbreidingsverdrag ter goedkeuring worden voorgelegd.

Inmiddels heeft de regering brieven uitgedaan naar de andere landen van het Koninkrijk, om alvast, onder voorbehoud van goedkeuring van de beveiligingsverdragen, de wensen van de landen ten aanzien van medegelding te vernemen met betrekking tot de beveiligingsverdragen, het Raamverdrag en de ACSA. De bestuurscolleges van de Caribische openbare lichamen zullen, indien de goedkeuring voor de beveiligingsverdragen is verkregen, op de hoogte worden gebracht van de plannen ten aanzien van medegelding van die verdragen, het Raamverdrag en de ACSA.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

De Minister van Defensie, A.Th.B. Bijleveld-Schouten

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok


X Noot
1

Kamerstukken II, 1951/52, 2374, nr. 10.

X Noot
2

Kamerstukken II, 1990/91, 21 214, nr. 7.

X Noot
3

Kamerstukken II, 1951/52, 2374, nr. 10.