34 878 Bundeling en aanpassing van regels over de registers met betrekking tot onderwijsdeelnemers (Wet register onderwijsdeelnemers)

F VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 5 juli 2019

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft kennisgenomen van de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juni 2019 inzake ontwerp-Besluit register onderwijsdeelnemers.2 Naar aanleiding van deze brief en het ontwerp-Besluit hebben de leden van de fractie van GroenLinks de Minister op 27 juni 2019 enige vragen gesteld. De leden van de PvdA-fractie hebben zich bij de vragen aangesloten.

De Minister heeft op 5 juli 2019 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Den Haag, 27 juni 2019

De commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 3 juni 2019 inzake ontwerp-Besluit register onderwijsdeelnemers.3 Naar aanleiding van deze brief en het ontwerp-Besluit wensen de leden van de fractie van GroenLinks enige vragen te stellen. De leden van de PvdA-fractie sluiten zich bij de vragen aan.

De leden van de fractie van GroenLinks danken de regering voor de toegezonden informatie over de uitgevoerde PIA’s en voor het voorgelegde Besluit register onderwijsdeelnemers. Dit besluit geeft goed inzicht in de samenhang tussen soorten gegevens die verzameld, bewaard en verstrekt worden, actoren aan en door wie deze verstrekt worden, en doelen waartoe dit gebeurt. Hiermee geeft de regering gehoor aan de wens van de Kamer om de materiële effecten van de registerwetgeving goed te kunnen wegen. Het voorgelegde besluit roept twee vragen op bij deze leden die zij graag beantwoord zien alvorens de Minister een en ander implementeert.

In de eerste plaats wordt in de bijlage vanaf p. 35 duidelijk dat inderdaad de gegevens restrictief worden verzameld en gedeeld. Des te opvallender is het dat het CBS (kolom 34, vanaf p. 48) alle basisgegevens uit de artikelen 4 tot en met 8 verkrijgt om conform artikel 34 en 55 de Minister en het college van burgemeester en wethouders te informeren. In de toelichting op artikel 34 wordt dit onderbouwd met verwijzing naar artikel 22 van de Wet register onderwijsdeelnemers en geconcretiseerd op basis van artikel 24f, zevende lid, Wet op het onderwijstoezicht. Ook daarin staat niet meer dan dat gegevens worden verstrekt aan de Minister ten behoeve van de beleidsvoorbereiding en aan burgemeester en wethouders ten behoeve van uitkeringen aan instellingen en ten behoeve van begrotings- en beleidsvoorbereiding. Dit lijkt deze leden een nogal brede en weinig restrictieve omschrijving voor zulke gedetailleerde en niet-geanonimiseerde gegevens. Daarmee hebben de Minister en het college van burgemeester en wethouders bovendien toegang tot alle gegevens, ook wanneer die hen niet rechtstreeks toekomt op grond van andere artikelen. Waarom is deze maximaal brede grondslag gebruikt? Op welke wijze voldoet dit aan de eis van dataminimalisatie? Welke afbakening levert het begrip «beleidsvoorbereiding» en wat valt daar wel en niet onder? Waarom is daarvoor de informatie tot op (identificeerbaar) individueel niveau nodig? Welke nadere waarborgen zijn er om oneigenlijk gebruik te voorkomen?

In de tweede plaats hebben deze leden vragen bij de regeling voor verzuimgegevens. Omdat deze categorie gegevens met name ook van medische, strafrechtelijke of religieuze aard kan zijn, luistert het bij de bescherming van deze gegevens extra nauw. De gegevens als bedoeld in artikel 14, leden e en n – de (vermoedelijke) reden van het verzuim – verdienen derhalve de hoogste beschermingsgraad. Volgens het voorgehangen Besluit, artikel 21 en 45, worden de gedetailleerde verzuimgegevens gedeeld met de Minister, burgemeester en wethouders, en het bevoegd gezag. Uit het oogpunt van privacy dringt de vraag zich op waarom deze actoren deze specifieke gegevens tot op individueel niveau nodig hebben (zelfs al worden de individuele gegevens die vallen onder artikel 13 niet aan de Minister verstrekt). Volgens artikel 44 worden alle gegevens uit artikel 14 met het persoonsgebonden nummer aan de Minister verstrekt ten behoeve van de beleidsvoorbereiding. Aangezien de beleidsvoorbereiding onmogelijk op individueel niveau plaatsvindt, vragen deze leden nadere onderbouwing waarom de Minister moet weten wélke leerling om bijvoorbeeld strafrechtelijke of medische redenen verzuimt en waarom dat niet op geaggregeerd niveau gebeurt.

In de toelichting op artikel 14 wordt verwezen naar de nog komende ministeriële regeling waarin een nadere specificatie zal worden gegeven van onder andere de soort en reden van verzuim: «Daarvoor wordt aangesloten bij hetgeen tot nog toe als nadere specificatie van deze gegevens is opgenomen in de bijlage bij het Besluit Verzuimmelding.» In dat Besluit Verzuimmelding is het onderdeel «Vermoedelijke reden verzuim» echter een vrij tekstveld. Dat betekent dat er op het meest privacygevoelige onderdeel van de gegevens juist geen nadere specificatie wordt geboden. Is de Minister bereid om te bewerkstelligen dat in de ministeriële regeling op dit punt de specificatie wordt verbeterd, zodat er een beperking wordt gerealiseerd in het registreren en delen van de gegevens van strafrechtelijke, medische en religieuze aard?

De commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag vóór het einde van het zomerreces van de Kamer.

De voorzitter van de commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.H. Bikker

BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juli 2019

Mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media dank ik de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de vragen naar aanleiding van de voorhang van het ontwerp-Besluit register onderwijsdeelnemers (brief van 27 juni 2019, kenmerk 165068.01u). De vragen zijn gesteld door de leden van de fractie van GroenLinks. De leden van de PvdA-fractie hebben zich bij deze vragen aangesloten. Hieronder zal ik ingaan op deze vragen.

Met betrekking tot de gegevensverstrekking aan en door het CBS constateren de leden van de GroenLinks-fractie dat het CBS alle basisgegevens verkrijgt om de Minister en het college van burgemeester en wethouders te informeren. Zij leiden uit de toelichting op het ontwerpbesluit ook af dat de Minister en het college van burgemeester en wethouders daarmee toegang zouden hebben tot alle gegevens. Zij vragen waarom deze maximaal brede grondslag is gebruikt en op welke wijze dit voldoet aan de eis van dataminimalisatie. Voorts vragen zij welke afbakening het begrip «beleidsvoorbereiding» oplevert en waarom daarvoor de informatie tot op (identificeerbaar) individueel niveau nodig is. Tot slot vragen zij welke nadere waarborgen er zijn om oneigenlijk gebruik te voorkomen.

De gegevens die het CBS ontvangt van het Ministerie van OCW (DUO), worden gebruikt voor statistisch onderzoek. Uitsluitend de resultaten van dit statistisch onderzoek worden door het CBS verstrekt aan de Minister en de gemeente. Het gaat hierbij niet om tot de persoon herleidbare gegevens. Op grond van artikel 37 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek mogen gegevens door het CBS slechts zodanig openbaar worden gemaakt dat daaraan geen herkenbare gegevens over een afzonderlijke persoon, onderneming, instelling of huishouden kunnen worden ontleend. In artikel 22, tweede lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers is geregeld dat er door het CBS wel gegevens openbaar mogen worden gemaakt op het niveau van onderwijsinstellingen of opleidingen, mits zij geen gegevens bevatten waardoor een afzonderlijke persoon of een afzonderlijk huishouden kan worden geïdentificeerd.

Er moet dus onderscheid gemaakt worden tussen de gegevensverstrekking aan het CBS, waarbij sprake is van tot de persoon herleidbare gegevens, en de gegevensverstrekking door het CBS, waarbij juist geen sprake is van tot de persoon herleidbare gegevens. De toelichting op het ontwerpbesluit zal ik op dit punt verduidelijken.

Aan het CBS worden op reguliere basis onderwijsgegevens verstrekt. Het CBS publiceert op basis daarvan informatie over het onderwijs.4 Daarnaast kan, wanneer er een meer specifiekere informatiebehoefte is, een beroep gedaan worden op het CBS. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij ontwikkeling van nieuw beleid of monitoring- of evaluatiedoeleinden, waarbij aan het CBS gevraagd wordt om voor dat specifieke onderwerp relevante informatie aan te dragen in de vorm van tabellen, analyses of rapportages. Te denken valt aan onderwerpen zoals onderwijsachterstanden, leerlingendaling of de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

In de tweede plaats hebben de leden van de GroenLinks-fractie vragen bij de regeling voor verzuimgegevens. Omdat deze categorie gegevens met name ook van medische, strafrechtelijke of religieuze aard kan zijn, luistert het bij de bescherming van deze gegevens extra nauw. Deze leden maken uit de artikelen 21, 44 en 45 van het ontwerpbesluit op dat gedetailleerde (tot de persoon herleidbare) verzuimgegevens worden gedeeld met de Minister, gemeente en bevoegd gezag. Aangezien de beleidsvoorbereiding onmogelijk op individueel niveau plaatsvindt, vragen deze leden nadere onderbouwing waarom de Minister moet weten wélke leerling om bijvoorbeeld strafrechtelijke of medische redenen verzuimt en waarom dat niet op geaggregeerd niveau gebeurt.

Artikel 21 van het ontwerpbesluit betreft de levering van verzuimgegevens aan het register onderwijsdeelnemers. Net als de rest van hoofdstuk 3 van het ontwerpbesluit ziet deze bepaling slechts op de levering van gegevens aan de Minister (als beheerder van het register) ten behoeve van opname van die gegevens in het register onderwijsdeelnemers. Dat maakt nog niet dat de Minister deze gegevens ook voor beleidsvoorbereiding mag gebruiken.

De taken waarvoor gebruik mag worden gemaakt van bepaalde gegevens uit het register, zijn opgenomen in hoofdstuk 4. Artikel 44 bepaalt voor welke taak de Minister gebruik kan maken van verzuimgegevens: de beleidsvoorbereiding op het gebied van verzuim. Hiervoor heeft de Minister inderdaad geen gegevens op individueel niveau nodig. Op grond van artikel 44 worden identificerende gegevens zoals naam en adresgegevens (artikel 13) dan ook niet geleverd. Ook het persoonsgebonden nummer wordt niet geleverd aan de Minister voor beleidsvoorbereiding. Alleen waar dat expliciet in het besluit benoemd staat, vindt verstrekking plaats van het persoonsgebonden nummer. Voor de verstrekking aan de Minister voor de beleidsvorming rondom verzuim is dit niet het geval.

De verstrekking van verzuimgegevens aan het bestuur van de onderwijsinstelling (artikel 45) en aan het college van burgemeester en wethouders (artikel 46) vindt wel plaats met het persoonsgebonden nummer en andere identificerende gegevens. Dat hangt samen met de taken die deze partijen hebben op het gebied van verzuim en de bestrijding van voortijdig schoolverlaten. Zo moet de gemeente weten welke leerlingen door de onderwijsinstelling zijn aangemeld bij het register, terwijl de onderwijsinstelling op haar beurt via het register moet kunnen volgen welke actie de gemeente ten aanzien van een bepaalde leerling heeft ondernomen.

Tot slot stellen de leden van de GroenLinks-fractie een vraag bij de nadere specificatie van verzuimgegevens die nog zal plaatsvinden bij ministeriële regeling. Zij vragen of de Minister bereid is om in die regeling een nadere specificatie te geven van de vermoedelijke reden van verzuim, in het bijzonder voor zover het gaat om medische, religieuze of strafrechtelijke gegevens.

In de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet register onderwijsdeelnemers is aangegeven dat, als het gaat om medische, religieuze of strafrechtelijke verzuimgegevens, gedacht moet worden aan het registreren van afwezigheid vanwege ziekte, een geloofsverplichting (zoals een bedevaart) of contact met politie of justitie als reden van verzuim.5 Ik ben bereid om een dergelijke nadere duiding van de bijzondere persoonsgegevens op te nemen in de ministeriële regeling.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Samenstelling:

Essers (CDA), Backer (D66), Ganzevoort (GL), Sent (PvdA), Van Strien (PVV), Bruijn (VVD), Van Apeldoorn (SP), Atsma (CDA), Nooren (PvdA), Pijlman (D66) (vice-voorzitter), Schalk (SGP), Bikker (CU) (voorzitter), Klip-Martin (VVD), De Bruijn-Wezeman(VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV), De Blécourt-Wouterse (VVD), Cliteur (FVD), Dessing (FvD), Doornhof (CDA), Gerbrandy (OSF), Nanninga (FVD), Nicolaï (PvdD), Pouw-Verweij (FVD), Veldhoen (GL), Vendrik (GL).

X Noot
2

Kamerstukken I 2018/19, 34 878, E.

X Noot
3

Kamerstukken I 2018/19, 34 878, E.

X Noot
5

Kamerstukken II 2017/18, 34 878, nr. 3, p. 33 en Kamerstukken II 2017/18, 34 878, nr. 6, p. 10.

Naar boven