Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834851 nr. 8

34 851 Regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119) (Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming)

Nr. 8 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 14 februari 2018

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 5 wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. Dit artikel is niet van toepassing op hulp- en adviesdiensten die rechtstreeks en kosteloos aan een minderjarige of een onder curatele gestelde worden aangeboden.

B

Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, wordt in artikel 6 een lid ingevoegd, luidende:

3. Onverminderd artikel 57 van de verordening, heeft de Autoriteit persoonsgegevens tot taak toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig het bij en krachtens de verordening of de wet bepaalde.

C

In artikel 7, negende lid, wordt «verschillende sectoren van de maatschappij» vervangen door «de onderscheidende sectoren van de maatschappij».

D

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «in de Ambtenarenwet» vervangen door «bij of krachtens de Ambtenarenwet» en wordt voor de punt aan het slot ingevoegd «, met uitzondering van de bevoegdheid om regels of nadere regels te stellen».

2. Het derde lid vervalt.

E

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. De Autoriteit persoonsgegevens kan een last onder bestuursdwang opleggen ter handhaving van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het betreft de verplichting tot het verlenen van medewerking aan een vordering van een bij of krachtens artikel 15, eerste lid, aangewezen persoon.

F

In artikel 23, onder b, wordt «een ombudsman» vervangen door «een ombudsman als bedoeld in artikel 9:17 van de Algemene wet bestuursrecht».

G

Artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt «De artikelen 15, 16, 17, 18, 19 en 21» vervangen door «De artikelen 15, 16, 18 en 19».

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Artikel 21 van de verordening is niet van toepassing op bij de wet ingestelde openbare registers.

H

Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tiende lid wordt na «in artikel 46 van de Wet bescherming persoonsgegevens,» ingevoegd «rechtsgedingen op basis van artikel 49 van de Wet bescherming persoonsgegevens».

2. In het elfde lid wordt «Een verklaring omtrent de rechtmatigheid van de gegevensverwerking» vervangen door «Een verklaring van rechtmatigheid van de gegevensverwerking» en wordt «artikel 32, vierde lid,» vervangen door «artikel 32, vijfde lid,».

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

12. Voor zover deze wet daarin niet voorziet, kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels of nadere regels worden gesteld omtrent de invoering van de verordening of deze wet.

Toelichting

Onderdeel A

Deze wijziging is toegelicht in de nota naar aanleiding van het verslag in antwoord op vraag 46 en 84 en verduidelijkt dat, indien een minderjarige of onder curatele gestelde contact opneemt met een niet-commerciële hulp- of adviesdienst, deze dienst geen toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger behoeft voor het verwerken van de persoonsgegevens van betrokkene. Op deze wijze wordt voor kinderen of onder curatele gestelden geen onnodige drempel opgeworpen om zelfstandig hulp of advies te vragen.

Het is niet nodig een gelijkluidende bepaling op te nemen voor die gevallen waarin artikel 8 AVG van toepassing is. Onder diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 8 AVG vallen immers uitsluitend diensten die gewoonlijk tegen vergoeding worden verricht.

Onderdeel B

Hiermee wordt verduidelijkt dat de toezichthoudende taak van de AP niet alleen betrekking heeft op de naleving van de AVG, maar ook op de naleving van de Uitvoeringswet en van andere regelingen op grond waarvan persoonsgegevens worden verwerkt. Deze bepaling is overgenomen uit artikel 51, eerste lid, Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Hiermee wordt de toezichtstaak vollediger omschreven. De omschrijving van de toezichtsbevoegdheden van de AP was overigens wel al volledig (artikel 15 van het wetsvoorstel).

Onderdeel C

De wijziging van artikel 7, negende lid, beoogt de redactie in overeenstemming te brengen met artikel 7, tweede lid. Aldus wordt ook aangesloten bij de redactie van artikel 53, vierde lid, Wbp.

Onderdeel D

Hiermee wordt geregeld dat de AP jegens haar secretariaat niet alleen de bevoegdheden uit de Ambtenarenwet worden toegekend, maar ook de bevoegdheden uit de daarop gebaseerde regelgeving, zoals het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Oorspronkelijk bestond het voornemen om de laatstgenoemde bevoegdheden te regelen in een algemene maatregel van bestuur, maar bij nader inzien is het overzichtelijker om alle bevoegdheden in één artikel te regelen. De aan het tweede lid toegevoegde slotzinsnede bepaalt dat de AP niet de bevoegdheid om regels of nadere regels te stellen uitoefent; conform staande praktijk oefent de Minister die bevoegdheid uit. Met de wijziging van het tweede lid is de delegatiegrondslag uit het derde lid overbodig geworden. Deze is vervallen.

Onderdeel E

Aangezien de leden en buitengewone leden van de Autoriteit persoonsgegevens, de ambtenaren van het secretariaat van de Autoriteit persoonsgegevens en eventuele andere door de Autoriteit persoonsgegevens aangewezen personen toezichthouders zijn in de zin van de Awb, rust op verwerkingsverantwoordelijken ook de plicht om op grond van artikel 5:20 Awb alle medewerking te verlenen die deze toezichthouders in redelijkheid kunnen vorderen bij de uitoefening van hun bevoegdheden. Om iedere onduidelijkheid te voorkomen, wordt een lid aan artikel 16 toegevoegd dat bepaalt dat de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen ook van toepassing is bij niet-naleving van deze medewerkingsverplichting, evenals dat thans het geval is op grond van artikel 61, vierde lid, Wbp.

Onderdeel F

Hiermee wordt de term ombudsman gedefinieerd, op dezelfde wijze als in artikel 23, eerste lid, onderdeel f, Wbp. Het gaat aldus om de Nationale ombudsman en de decentrale ombudslieden en ombudscommissies.

Onderdeel G

Artikel 47 regelt enkele uitzonderingen op de rechten van betrokkenen voor bij wet ingestelde openbare registers op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel e, AVG. De wijziging van het voorgestelde artikel 47 betreft een tweetal kleine correcties. Zoals in de artikelsgewijze toelichting op artikel 47 al vermeld staat, is het recht op wissing van gegevens (artikel 17 AVG) niet van toepassing, indien de verwerking nodig is voor het nakomen van een wettelijke verplichting of een wettelijke taak. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 17, derde lid, onderdeel b, AVG. Daarom hoort artikel 17 niet in artikel 47 van het wetsvoorstel opgenomen te worden. Daarnaast was de uitzondering op het recht van bezwaar (artikel 21 AVG) niet geheel beleidsneutraal verwerkt in artikel 47 van het wetsvoorstel. Artikel 40, vierde lid, Wbp bepaalt nu ongeclausuleerd dat dit recht niet van toepassing is op openbare registers die bij de wet zijn ingesteld. Een vergelijkbare bepaling wordt nu weer in artikel 47 van dit wetsvoorstel opgenomen.

Onderdeel H

Om er geen misverstand over te laten bestaan dat ook op rechtsgedingen die reeds aanhangig zijn bij een rechtbank op het moment van inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel en die (mede) zijn gebaseerd op artikel 49 van de Wbp, het recht van toepassing is zoals dat gold voor voornoemde inwerkingtreding, wordt artikel 49 Wbp toegevoegd aan het tiende lid van artikel 48.

Artikel 48, elfde lid, wordt op een tweetal technische punten verbeterd. Onder verklaring omtrent rechtmatigheid kan zowel een positieve als een negatieve verklaring worden verstaan. Uiteraard dienen alleen positieve verklaringen onder de Uitvoeringswet te worden aangemerkt als een vergunning. Dit wordt verduidelijkt door in de gewijzigde tekst te spreken van een verklaring van rechtmatigheid. Voorts is de onjuiste verwijzing naar artikel 32, vierde lid, Wbp vervangen door een verwijzing naar artikel 32, vijfde lid, Wbp.

De kern van het overgangsrecht is vervat in artikel 48, eerste tot en met elfde lid. Daarnaast kent ook artikel 45, negende lid, AVG nog een bepaling van overgangsrecht: de besluiten die Commissie op grond van artikel 25, zesde lid, van richtlijn 95/46/EG heeft vastgesteld (verklaring van passend beschermingsniveau), blijven van kracht totdat zij worden vervangen door een adequaatheidsbesluit als bedoeld in artikel 45, derde lid, AVG of worden ingetrokken op grond van artikel 45, vijfde lid, AVG.

Het voorgaande neemt niet weg dat het denkbaar is dat technische details nog regeling behoeven. Met het oog hierop is een twaalfde lid, inhoudende een delegatiebepaling, toegevoegd aan artikel 48. Van deze mogelijkheid zal terughoudend gebruik worden gemaakt.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker