Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834775-V nr. 74

34 775 V Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2018

Nr. 74 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 april 2018

In antwoord op het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken naar aanleiding van berichtgevingen in het televisieprogramma Zembla van 7 februari 2018 over seksueel misbruik door VN soldaten in de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR), bericht ik u, mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, als volgt.

De uitzending (gebaseerd op een Zweedse documentaire uit 2017) ging in op aantijgingen van seksueel misbruik van kinderen in de CAR door Franse en andere buitenlandse troepen. Troepen zouden kinderen hebben benaderd voor het verrichten van seksuele handelingen in ruil voor voedsel.

Seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van de kwetsbare burgerbevolking in conflictgebieden door VN-personeel wordt ook wel Sexual Exploitation and Abuse, hierna SEA, genoemd. De uitzending van Zembla gaf op zeer treffende wijze de verschrikkelijke gevolgen van SEA voor kind-slachtoffers weer. Het kabinet veroordeelt SEA door VN-personeel ten stelligste en zet zich maximaal in om samen met de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (SGVN) gevallen van SEA voortvarend en effectief aan te pakken. Dit is ook verwoord in een brief aan de SGVN, die Nederland met gelijkgezinde landen heeft ondertekend. In reactie antwoordde de SGVN dat dit onderwerp zijn volle aandacht heeft.

De uitzending besteedde ook veel aandacht aan de schorsing van een toenmalig Directeur Veldoperaties werkzaam bij het Kantoor van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten bij de VN, Anders Kompass. Kompass had zijn morele verantwoordelijk genomen en had aan de Franse autoriteiten gerapporteerd over misstanden die Franse troepen zouden hebben begaan in de CAR. In eerste instantie werd deze daad door de VN beschouwd als «ongeoorloofd lekken».

De Hoge Commissaris voor de Mensenrechten bij de VN maakte de zaak Kompass daarop aanhangig bij het VN Dispuut Tribunaal in mei 2015, dat oordeelde dat de verdenking tegen, en schorsing van Kompass, onterecht was. In 2015 werd een onafhankelijk panel ingeschakeld om te onderzoeken hoe de VN zo had kunnen falen in het reageren op de beschuldigingen en om met aanbevelingen te komen ter voorkoming van SEA. Ook dit panel pleitte Kompass vrij van alle beschuldigingen in het rapport «Taking Action on Sexual Exploitation and Abuse by Peacekeepers» dat op 17 december 2015 verscheen.1 In juni 2016 nam Kompass zelf ontslag bij de VN.

Op 27 januari 2017 nam de SGVN verdere maatregelen om zogeheten «klokkenluiders» te beschermen. Het gewijzigde beleid richt zich op het voorkomen van vergeldingsmaatregelen tegen klokkenluiders. Het kabinet juicht de inspanningen van de SGVN om de positie van klokkenluiders bij de VN te verbeteren toe.

Ook ging de uitzending in op de falende hulpverlening van UNICEF aan slachtoffers van SEA. Naar aanleiding van het voornoemde rapport van het onafhankelijk panel is Nederland met UNICEF in gesprek gegaan. UNICEF gaf aan dat nalatigheid in handelen of opvolging door UNICEF in deze casus geen kwestie van cultuur of gebrek aan commitment was, maar vooral gezien moest worden in het licht van de vele prioriteiten in crisissituaties en de beperkte financiële middelen. UNICEF heeft de aanpak van SEA verbeterd en nieuwe stappen aangekondigd. Deze stappen omvatten onder andere een de plicht om binnen 24 uur te rapporteren over incidenten van SEA aan de uitvoerende directeur, het opzetten van een klachtenbehandelingsmechanisme op gemeenschapsniveau, een versterkte onafhankelijke onderzoekseenheid en verplichte training over het voorkomen van SEA. Het kantoor van «UNICEF Nederland» publiceerde na de uitzending van Zembla een verklaring waarin het aangaf het verschrikkelijk te vinden dat de hulp tekortschoot.2 Ook de dit jaar aangetreden uitvoerende directeur van UNICEF, Henrietta Fore, toonde zich betrokken bij de zaak en kondigde een onafhankelijke, externe evaluatie aan over de manier waarop UNICEF omgaat met gevallen van SEA.

Het kabinet is van mening dat in alle voorkomende gevallen van SEA, en dus ook in de zaak Kompass, een onafhankelijk onderzoek moet plaatsvinden waarin alle relevante aspecten worden onderzocht. Nederland wil het aantal aantijgingen van SEA door VN-personeel terugbrengen en dat meldingen adequaat worden geadresseerd, waarbij de belangen van het slachtoffer centraal staan. Nederland steunt dan ook het zero tolerance beleid van de SGVN en zijn genomen maatregelen voor de aanpak van SEA. Het kabinet neemt zelf ook maatregelen door de rapportage en opvolging van meldingen van (seksueel) wangedrag op te nemen in de contracten en subsidiekaders van de overheid met hulp- en ontwikkelingsorganisaties. Over deze Nederlandse inzet werd u in september 20163 en maart 20184 geïnformeerd. Om onze steun voor het zero tolerance beleid kracht bij te zetten heeft Nederland van 1 september 2016 tot 1 oktober 2017 een Nederlandse militair jurist gedetacheerd bij het team van Jane Holl Lute, die in 2016 door de SGVN werd aangesteld als Speciale Coördinator voor SEA. Bovendien heeft Nederland in September 2017 het «compact on preventing and addressing sexual exploitation and abuse» ondertekend en is de Minister-President namens Nederland toegetreden tot de «circle of leadership», een groep staatshoofden en regeringsleiders die zich inzet voor de aanpak van deze problematiek.

Nederland steunt bovendien het beleid van de SGVN ten aanzien van het inhouden van financiële vergoeding voor blauwhelmen en ander VN-personeel die zich schuldig hebben gemaakt aan SEA tijdens een VN-missie.

Op 15 februari 2018 is het nieuwe rapport van de SGVN over SEA verschenen.5 Het rapport gaat in op de implementatie van het zero tolerance beleid en de nieuwe geïntegreerde benadering van de SGVN. In deze benadering staan slachtoffers centraal, wordt straffeloosheid tegengegaan, worden het maatschappelijk middenveld en externe partners betrokken en wordt strategische communicatie verbeterd ten behoeve van voorlichting en transparantie. Het kabinet verwelkomt deze inspanningen om slachtoffers centraal te stellen en het aanstellen van een Victims’ Rights Advocate in het kader hiervan. Deze Advocate behartigt de belangen van slachtoffers in het beleid tegen SEA. Bovendien worden vier Field Victims’ Rights Advocates benoemd in de missies waarbij de meeste aantijgingen van SEA worden gemeld. Het kabinet verwelkomt eveneens de inspanningen van de SGVN om een uniform proces in te richten binnen de VN-organisatie om adequaat te rapporteren over en reageren op aantijgingen van SEA. Nederland zal aantijgingen van SEA aankaarten in VN-verband en het belang benadrukken van het vervolgen van de dader(s) en aandacht te schenken aan de slachtoffers. Alle VN-lidstaten moeten hun verantwoordelijkheid nemen en daders van SEA uit eigen land vervolgen.

In 2018 en 2019 zal Nederland bovendien doorgaan met het steunen en organiseren van trainingen voor militairen, politie, en civiele medewerkers van VN-vredesmissies, waarin het voorkomen van en adequaat reageren op SEA door VN-personeel een belangrijk onderdeel is. Verder zal Nederland samen met andere gelijkgezinde landen de ontoelaatbaarheid van SEA uitdragen tijdens bestuursraden, jaarvergaderingen en andere multilaterale bijeenkomsten van de verschillende VN-organisaties. Daarbij zal Nederland het belang van een cultuur van transparantie, openheid en onafhankelijke procedures bepleiten.

Het kabinet blijft onverminderd bezorgd over SEA en zal de ontwikkelingen op dit gebied nauwgezet blijven volgen.

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok


X Noot
3

Brief regering over Nederlandse inzet 71ste Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, Kamerstuk 26 150, nr. 154

X Noot
4

Beantwoording Kamervragen over seksuele intimidatie binnen de VN, (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1320); Kamerbrief over interne onderzoek Oxfam met Kamerstuk 34 775 XVII, nr. 57).