Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 september 2018
Op 23 mei jl. hebben het Rijk en de koepelorganisaties van decentrale overheden, VNG,
IPO en UvW, in lijn met het Regeerakkoord en de afspraken in het Interbestuurlijk
programma (IBP), overeenstemming bereikt over hun aandeel in het EMU-tekort. In het
bestuurlijk overleg financiële verhoudingen zijn we een EMU-norm van –0,4 procent
van het bruto binnenlands product (bbp) overeengekomen voor de periode 2019–2022.
Bijgevoegd treft u de concept regeling «EMU-tekort norm decentrale overheden 2019–2022»1 en conform artikel 3 van de Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet hof) hang ik deze
bij u voor. Graag geef ik u via deze brief een nadere toelichting op de gemaakte afspraak.
In het bestuurlijk overleg is stilgestaan bij het feit dat wij als overheidslagen
een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben om te investeren in tal van maatschappelijke
opgaven om noodzakelijke transities te realiseren. Veel van deze opgaven zijn ook
benoemd in het IBP2. Iedere overheidslaag is daarbij verantwoordelijk voor een gezonde financiële ontwikkeling
binnen de specifieke kaders die daarvoor gelden, zoals het Besluit Begroting en Verantwoording
(BBV) en het nationale begrotingsbeleid. Samen zijn de overheden verantwoordelijk
voor gezonde overheidsfinanciën van Nederland als geheel.
De EMU-norm die ik ben overeengekomen met de decentrale overheden is gebaseerd op
de definities uit de Wet hof, inclusief onderverdeling naar overheidslaag en het volgen
van het correctiemechanisme. In het bestuurlijk overleg hebben we op een constructieve
manier invulling kunnen geven aan de balans tussen gezonde overheidsfinanciën en ruimte
voor investeringen. Of zoals in de Wet hof benoemd: de invulling van een «gelijkwaardige
bijdrage» door de decentrale overheden aan het EMU-saldo van de collectieve sector».
Een meerjarige afspraak tot en met 2022 creëert bestuurlijke rust en duidelijkheid
voor alle partijen inzake de EMU-norm. Het cijfermatige vertrekpunt voor de EMU-norm
is het geraamde tekort van decentrale overheden zoals opgenomen in het Regeerakkoord
«Vertrouwen in de toekomst» (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34), namelijk –0,2 procent van het bbp. Daarbovenop hebben we een buffer afgesproken
van –0,2 procent van het bbp, zodat bij afwijkingen in de realisatie er niet direct
sprake is van een overschrijding. Tevens er is in deze buffer rekening gehouden met
de ruimte die nodig is voor investeringen, zoals onder andere afgesproken in het IBP.
Bij de voorhangprocedure rondom de EMU-tekort norm 2018 zijn er door uw Kamer vragen
gesteld over het ontbreken van een uitsplitsing naar overheidslaag. Ik heb toen in
mijn beantwoording aangegeven hier aandacht voor te hebben in de te maken afspraken
(Kamerstuk 34 775 IX, nr. 11). In overleg met de koepelorganisaties van de decentrale overheden ben ik tot een
onderverdeling naar overheidslaag voor de periode 2019–2022 gekomen. Deze onderverdeling
is opgenomen in de bijgevoegde concept regeling en wordt in de septembercirculaire
van het gemeentefonds en provinciefonds doorvertaald naar individuele referentiewaarde
per individuele gemeenten en provincies. De Unie van Waterschappen zal dit doen voor
de individuele waterschappen.
Het Rijk en de koepelorganisaties hebben afgesproken dat wij periodiek een dialoog
zullen voeren vanuit de gedeelde investeringsopgave en tegelijkertijd de verantwoordelijkheid
voor gezonde overheidsfinanciën. Hierbij kunnen belangrijke ontwikkelingen in de financiële
positie van zowel het Rijk als decentrale overheden en in het bijzonder het EMU-saldo
worden besproken. Om dit gesprek zo goed mogelijk te kunnen voeren heb ik met de decentrale
overheden afgesproken dat het belangrijk is dat we een beter inzicht krijgen in de
ontwikkeling van het EMU-saldo van decentrale overheden. Daarom gaan we de komende
periode verschillende sporen verkennen zoals een experiment met een aantal provincies,
gemeenten en waterschappen om het EMU-saldo op een alternatieve manier te ramen, mogelijke
aanpassingen in het BBV en het gebruik van de beschikbare informatie voor derden (IV3)
en de EMU-enquête decentrale overheden.
Ik vertrouw erop uw Kamer hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en zie met vertrouwen
de uitkomst van de voorhangprocedure tegemoet. Uiteraard zal ik uw Kamer blijven informeren
over relevante ontwikkelingen op dit terrein.
Mede namens de Minister van BZK en de Minister van I&W,
De Staatssecretaris van Financiën, M. Snel