Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 augustus 2018
Hierbij bied ik u de rijksbrede »Handreiking ambtelijke bijstand bij initiatiefwetgeving»
aan1. Deze handreiking is door een interdepartementale werkgroep opgesteld om tot een
meer uniforme werkwijze te komen bij het verlenen van ambtelijke bijstand bij het
opstellen en de Kamerbehandeling van een initiatiefwetsvoorstel. Dit geeft invulling
aan de taak van een bewindspersoon om zoveel mogelijk bijstand te verlenen bij het
formuleren van een initiatiefvoorstel en om bij te dragen aan een goed wetgevingsproduct.2 Het kabinet beoogt daarmee bij te dragen aan wetgeving van hoge kwaliteit, ook wanneer
het initiatief tot het voorstel niet door de regering zelf is genomen.
De handreiking is gericht tot de ambtenaar die bijstand verleent aan een lid van de
Tweede Kamer. Deze behandelend ambtenaar heeft primair tot taak het Kamerlid te ondersteunen
in dit traject. Deze taak valt te onderscheiden van de gebruikelijke rol die een ministerie heeft tegenover Kamerleden om
desgevraagd informatie te geven over bijvoorbeeld de kwantitatieve effecten of te
verwachten kosten van bepaalde voorgestelde maatregelen. De handreiking beschrijft
de stappen die genomen moeten worden vanaf voorbereiding tot inwerkingtreding van
een initiatiefvoorstel en is om die reden ook lezenswaardig voor een Kamerlid dat
voornemens is een initiatiefvoorstel op te stellen.
Een bijzonder punt van aandacht bij initiatiefwetgeving is de wijze waarop budgettaire
dekking gevonden wordt voor een voorstel binnen de begroting. Zoals de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij brief van
6 februari 2017 aan de Voorzitter van de Eerste Kamer heeft aangegeven, geldt voor
initiatiefvoorstellen niet de formele procedure waarin de financiële consequenties
van een wetsvoorstel reeds vroegtijdig worden meegenomen in de besluitvorming over
de begroting.3 Daardoor kan een situatie ontstaan waarin, na aanneming van een initiatiefvoorstel
met wezenlijk financiële gevolgen voor het Rijk, nog niet is voorzien in budgettaire
dekking van dat voorstel. Een integrale afweging van de gevolgen van het betreffende
initiatiefvoorstel met inbegrip van de financiële consequenties is daardoor lastig
te maken.
Het kabinet heeft zich daarom voorgenomen in drie fases van het traject nadrukkelijker
aandacht aan dit vraagstuk te geven:
-
1. Voorbereidende fase: Gedurende de fase van het opstellen van een initiatiefvoorstel zal de eerstverantwoordelijke
bewindspersoon desgevraagd of op eigen initiatief de initiatiefnemer informeren over
de vraag of voorzien is in budgettaire dekking daarvan, en zo niet, op welke wijze
daarin voorzien kan worden. Het gaat om dekking van zowel de structurele uitgaven
die het voorstel met zich meebrengt, als eventuele incidentele uitgaven van maatregelen
die nodig zijn ter voorbereiding van de inwerkingtreding. In verband hiermee is het
wenselijk dat de initiatiefnemer vroegtijdig over deze specifieke kwestie contact
opneemt met de eerstverantwoordelijke bewindspersoon, zodat deze informatie desgewenst
meegewogen kan worden bij de verdere ontwikkeling van het voorstel en bij de planning
en fasering van de inwerkingtreding.
-
2. Fase van advisering door het kabinet: Bij het advies dat de eerstverantwoordelijke bewindspersoon namens het kabinet over
het voorstel uitspreekt bij de Kamerbehandeling zal de vraag naar de dekking nadrukkelijker
een rol spelen. Indien een voorstel ingrijpende budgettaire consequenties heeft waarvoor
de initiatiefnemer niet zelf een oplossing heeft gevonden, zal het advies daarover
dus vaker negatief kunnen uitvallen.
Tevens zal de eerstverantwoordelijke bewindspersoon daarbij aangeven op welke wijze
deze zich voorneemt budgettaire dekking te zoeken bij aanneming van het voorstel en
welke eventuele gevolgen dit heeft voor wat betreft de planning en fasering van de
inwerkingtreding van het voorstel.
-
3. Fase van bekrachtiging: Indien het voorstel is aangenomen zal de eerstverantwoordelijke bewindspersoon bij
gelegenheid van de mededeling over de bekrachtiging van het voorstel4 ook aangeven op welke wijze voorzien wordt in budgettaire dekking daarvan (zulks
met inachtneming van de eventuele nota’s van wijziging en amendementen) en, in voorkomend
geval, tot welke budgettaire verschuivingen dit zal leiden.
Met deze werkwijze beoogt het kabinet om ook bij initiatiefwetgeving te komen tot
een integrale afweging van wetsvoorstellen en de gevolgen daarvan op andere onderdelen
van de rijksbegroting.
De Minister voor Rechtsbescherming,
S. Dekker