Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2018-201934763 nr. B

34 763 Wijziging van de Opiumwet (verruiming sluitingsbevoegdheid)

B MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 31 oktober 2018

1. Inleiding

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid over het wetsvoorstel tot wijziging van de Opiumwet (verruiming sluitingsbevoegdheid), waarin de leden van de fracties van de VVD, D66, de SP, de PvdA, GroenLinks en ChristenUnie een aantal vragen stellen. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om die vragen te beantwoorden. Daarbij heb ik de volgorde van het voorlopig verslag aangehouden. Waar dit de overzichtelijkheid ten goede kwam, heb ik vragen samengenomen in de beantwoording.

2. Proportionaliteit en recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer

De leden van de fractie van D66 lezen in de memorie van toelichting dat een reden voor sluiting van een pand kan zijn dat de omgeving een slechte reputatie krijgt door de drugscriminaliteit in het pand. Zij vragen of de reputatie van een buurt ook kan worden geschaad door een gesloten pand. Zo ja, hoe kan dat worden tegengegaan?

Het is denkbaar dat sluiting nadelig uitpakt voor de reputatie van een buurt. De burgemeester zal afhankelijk van de omstandigheden moeten afwegen wat in een bepaalde situatie verstandig is, sluiten of niet sluiten. Beide situaties hebben voor- en nadelen. Vaak vinden omwonenden het ook goed om te zien dat de overheid optreedt tegen misstanden. Om reputatieschade te voorkomen, kan de burgemeester bijvoorbeeld ook kiezen voor een kortdurende sluiting.

De leden van de fractie van D66 vragen of de verhuurder van een ruimte niet onevenredig hard wordt getroffen door sluiting van de ruimte. Hoe beziet de regering de proportionaliteit van de sluiting van een pand, ook gezien de reactie van Vastgoed Management Nederland (VGM NL) dat het wetsvoorstel onvoldoende rekening houdt met de belangen van professionele eigenaren en beheerders om vastgoed rendabel te exploiteren? En wat is het resultaat van de gesprekken tussen de regering en VGM NL?

De burgemeester moet bij het nemen van het sluitingsbesluit de betrokken belangen afwegen, ook die van de verhuurder. In beginsel moet niet alleen de huurder maar ook de verhuurder de gelegenheid krijgen om zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de burgemeester het besluit neemt (artikel 4:8 Awb).1 Wel zal het maatschappelijke belang bij sluiting vaak zwaarder wegen dan de financiële belangen van de verhuurder, maar sluiting mag geen automatisme zijn. Ook wanneer de burgemeester met het sluitingsbesluit de eigen beleidsregel volgt, dient hij alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze, al dan niet tezamen met andere omstandigheden, maken dat het handelen volgens zijn eigen beleidsregel tot onevenredige gevolgen zou leiden in verhouding tot de met die beleidsregels te dienen doelen.2

Overigens vragen verhuurders van woonruimte soms juist om de woning te sluiten, zodat er een grond is om de huur buitengerechtelijk te ontbinden (artikel 7:231 lid 2 BW).

Burgemeesters kunnen afspraken maken met verhuurders over beëindiging van de sluiting of het verkorten van de sluitingsduur, bijvoorbeeld wanneer de verhuurder maatregelen heeft genomen om de kans op herhaling te verkleinen, zoals het aantrekken van een nieuwe huurder. Naar aanleiding van het gesprek met VGM NL is aan het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid gevraagd om dit najaar een gesprek tussen gemeenten en verhuurders te organiseren, om te verkennen hoe maatregelen van verhuurders en gemeenten elkaar kunnen versterken. Hierbij zal ook de onderhavige verruiming van de sluitingsbevoegdheid aan de orde komen.

De leden van de fractie van D66 maken uit de rechtspraak op dat burgemeesters blijkbaar niet goed in staat zijn om de ook onder de huidige regels voorgeschreven bestuurlijke afweging zorgvuldig te maken. Zij vragen of met de verruiming van artikel 13b Opiumwet spanning kan ontstaan met artikel 8 EVRM.

Net als dat geldt voor het huidige artikel 13b wordt het recht op ongestoord genot van de woning zoals dat is neergelegd in artikel 8 EVRM, ook geraakt door de voorgestelde verruiming. Maar net als het huidige artikel voldoet ook het voorgestelde artikel aan de eisen van artikel 8 EVRM, met name in die zin dat ook de voorgestelde verruimde sluitingsbevoegdheid een expliciete wettelijke grondslag heeft en noodzakelijk kan zijn in het belang van, afhankelijk van de concrete situatie, de openbare veiligheid, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid en de bescherming van de rechten van omwonenden. Uiteraard is het wel zaak dat de burgemeester in het concrete geval de noodzaak van de sluiting voldoende aannemelijk maakt en de betrokken belangen zorgvuldig afweegt. Aan de mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de toepassing van artikel 13b op een woning dient een zwaar gewicht te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester in redelijkheid van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en, zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is.3 Ik heb niet de indruk dat burgemeesters niet in staat zijn tot de vereiste zorgvuldige belangenafweging. Eventuele fouten of onzorgvuldigheden kunnen in bezwaar of beroep worden hersteld, zo nodig in combinatie met een verzoek om voorlopige voorziening.

De leden van de fractie van D66 vragen of drugs afgeleverd-krijgen en verkopen eenzelfde risico op sluiting met zich meebrengen en of het niet in de rede ligt om in artikel 13b onderscheid te maken tussen de verschillende handelingen.

Het huidige artikel 13b staat alleen sluiting toe als in een pand een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen en maakt daarbij inderdaad geen onderscheid tussen het afgeleverd-krijgen en het verkopen van drugs. Dat is ook logisch, omdat het vereiste van een handelshoeveelheid ervoor zorgt dat ook het afgeleverd-krijgen een uiting van drugshandel is. Beide handelingen veroorzaken hetzelfde risico voor de woon- en leefomgeving. Het ligt dus niet in de rede om in artikel 13b onderscheid te maken tussen de verschillende handelingen.

De leden van de SP-fractie stellen aan de hand van voorbeelden enkele vragen over de proportionaliteit van sluiting.

Sluiting van een pand door de burgemeester is een herstelsanctie: sluiting beoogt de overtreding te beëindigen en herhaling daarvan te voorkomen. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de «loop» naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Omdat sluiting geen punitieve sanctie is, is niet vereist dat de overtreding kan worden verweten of toegerekend aan de huurder of verhuurder van het pand. Wel moet de burgemeester alle betrokken belangen zorgvuldig afwegen, ook die van de huurder of verhuurder die niet op de hoogte was van de overtreding en wellicht wel moeite heeft gedaan om drugsdelicten te voorkomen.4

De huurder heeft uiteraard meer mogelijkheden dan de verhuurder om drugsdelicten te voorkomen. Maar ook de verhuurder kan iets doen, bijvoorbeeld door de identiteit van een kandidaat-huurder gedegen te controleren, door de banden te verbreken met een bemiddelingsbureau dat herhaaldelijk «foute» huurders voorstelt en door geen contant geld aan te nemen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering bekend is met situaties waarin mensen worden gedwongen om een deel van hun woning beschikbaar te stellen voor het vervaardigen van drugs of met situaties waarin kwetsbare burgers daaraan medewerking verlenen, zonder dat zij zich realiseren wat daarvan de gevolgen kunnen zijn. Is in die gevallen de proportionaliteit in acht genomen?

Mij is bekend dat er situaties zijn waarin een (ver)huurder wordt gedwongen om mee te werken aan drugscriminaliteit. Ik ken geen voorbeelden van een sluiting in een dergelijke situatie. Het belang dat gediend wordt om een drugspand te sluiten, kan echter ook dan zwaarder wegen dan het belang van de huurders om in het pand te blijven wonen of van de verhuurder om zijn pand te kunnen verhuren. Ook in deze situaties vergt de toepassing van de bevoegdheid tot bestuursdwang een zorgvuldige afweging door de burgemeester, waarbij goed gemotiveerd wordt waarom in het specifieke geval de burgemeester de sluiting proportioneel acht. Overigens zijn mij geen voorbeelden bekend dat sluiting ertoe leidt dat mensen ook echt dakloos worden. Meestal vinden de bewoners zelf ergens een vervangende verblijfplaats. Kwetsbare mensen krijgen daar in de praktijk hulp bij.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de regering de opinie van de fractie deelt dat het percentage van de uitspraken waarin de rechter een sluitingsbevel vernietigt (30% van de onderzochte uitspraken), zorgelijk is. Welke maatregelen heeft de regering genomen om te bewerkstelligen dat sluitingsbevelen zorgvuldiger tot stand komen? De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering erop toeziet dat gemeenten niet te lichtvaardig met de inzet van de last onder bestuursdwang omgaan.

Ik begrijp dat de leden van de GroenLinks-fractie doelen op het onderzoek van Michelle Bruijn naar uitspraken over artikel 13b Opiumwet in de periode 2008–2016. Uit haar onderzoek blijkt dat de rechtbank in 30% van de gepubliceerde uitspraken het beroep tegen de sluiting gegrond verklaart. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Tweede Kamer de motie-Buitenweg/Van Nispen5 aanvaard, waarin de Tweede Kamer de regering verzoekt om het gebruik van de bestuurlijke sluitingsbevoegdheid te monitoren en uitspraken van de rechter hierover te analyseren, en de Kamer hierover driejaarlijks te informeren. Bij de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer in april 2018 heb ik de Kamer laten weten dat deze motie zal worden uitgevoerd. Dat lijkt mij een passende maatregel als reactie op de bevindingen van deze onderzoeker.

De leden van de fracties van de ChristenUnie en GroenLinks vragen hoe de nieuwe bevoegdheid zich verhoudt tot andere bevoegdheden, zoals artikel 174a Gemeentewet en de Wet aanpak woonoverlast, de Huisvestingswet en de Woningwet. Moet de burgemeester voorrang verlenen aan een andere bevoegdheid in geval van samenloop?

De voorgestelde verruiming is bedoeld ter aanvulling van bestaande bevoegdheden. De sluitingsbevoegdheid van de burgemeester, opgenomen in artikel 174a Gemeentewet, geldt alleen als door gedragingen in een woning, een niet voor het publiek toegankelijke lokaal of een daarbij behorend erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord. Uit de rechtspraak blijkt dat aan die voorwaarde alleen voldaan wordt als de gedragingen ernstige overlast veroorzaken die de veiligheid en gezondheid van omwonenden in ernstige mate aantast. Dat biedt onvoldoende soelaas voor de situaties waar dit wetsvoorstel zich op richt, namelijk de situatie dat in een pand geen drugs aangetroffen worden, maar er wel duidelijke andere aanwijzingen zijn dat het pand in gebruik is voor drugscriminaliteit (strafbare voorbereidingshandelingen). Sluiting moet mogelijk zijn zodra het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs, ook als er (nog) geen directe gevolgen zijn voor de lokale woon- en leefomgeving.

De Wet aanpak woonoverlast (artikel 151d Gemeentewet) is bedoeld om omwonenden te beschermen tegen ernstige en herhaaldelijke hinder als gevolg van gedragingen in of vanuit een woning of in de onmiddellijke nabijheid van een woning. In zo’n geval kan de burgemeester de overlastveroorzaker een gedragsaanwijzing geven in de vorm van een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang. De last kan ook een tijdelijk huisverbod inhouden, maar geen sluiting van de woning. Een ander verschil met de voorgestelde verruiming van artikel 13b Opiumwet is dat artikel 151d Gemeentewet ernstige en herhaaldelijke hinder van omwonenden vereist, en bijvoorbeeld niet (zonder meer) gebruikt kan worden na het aantreffen van een grote hoeveelheid zoutzuur (als grondstof voor drugs).

Op grond van artikel 21 van de Huisvestingswet kan de gemeenteraad, als schaarste aan woonruimte leidt tot onrechtvaardige en onevenwichtige effecten, een vergunningplicht in het leven roepen voor het onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning. Een dergelijke onttrekking kan aan de orde zijn als woonruimte wordt gebruikt voor het vervaardigen of verhandelen van drugs. Tegen een onttrekking zonder vergunning kan het college van burgemeester en wethouders handhavend optreden door middel van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom (reparatoir) en/of een bestuurlijke boete (punitief).6 Dit instrumentarium biedt in een aantal gevallen een alternatief voor sluiting op grond van de Opiumwet, maar is uiteraard alleen bruikbaar bij onttrekking van woonruimte en als de gemeente daarvoor een vergunningplicht hanteert.

De sluitingsbevoegdheid van artikel 17 Woningwet kan worden toegepast als herhaaldelijke overtreding van artikel 1a of 1b van de Woningwet naar het oordeel van het bevoegd gezag (doorgaans het college van burgemeester en wethouders) gepaard gaat met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid. Ook dat biedt onvoldoende soelaas voor een effectieve en op preventie gerichte aanpak van situaties zoals het sluiten van een hennepkwekerij of drugslaboratorium in aanbouw of van een ruimte waarin grondstoffen of versnijdingsmiddelen worden opgeslagen.

Er is geen voorkeursvolgorde voor de hier besproken bevoegdheden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat de burgemeester maatregelen treft die meer op het gebied van het strafrecht liggen.

De burgemeester begeeft zich met deze bevoegdheid niet op het terrein van het strafrecht. Sluiting door de burgemeester is geen bestraffende sanctie maar een pandgebonden herstelsanctie. Wel is het aan de burgemeester om te bewaken dat zijn sluitingsbevel niet verder gaat dan nodig is om de overtreding te beëindigen en herhaling daarvan te voorkomen, bijvoorbeeld door na te gaan of het verband tussen het pand en de aangetroffen voorwerpen of stoffen niet te los is om sluiting te rechtvaardigen.7 Uiteindelijk is het uiteraard de bestuursrechter die de burgemeester zo nodig kan corrigeren.

De aan het woord zijnde leden vragen om een beknopte reflectie op artikel 13b Opiumwet met de daarbij ontstane jurisprudentie, die ruimer lijkt dan de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever.

Die indruk heb ik zelf ook, maar daar is ook alle reden voor, gezien de grote schaal waarop woningen tegenwoordig worden gebruikt voor de productie van en handel in drugs. De bedoeling van de wetgever zoals blijkend uit de geschiedenis van totstandkoming van de wet is niet de enige factor die door de rechter wordt betrokken bij zijn uitleg van de wettekst. Zo kent de rechter ook gewicht toe aan de wettekst zelf, aan de manier waarop bestuursorganen hun door de wet gegeven bevoegdheid toepassen en aan maatschappelijke ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sinds de totstandkoming van de wet.

3. Ultimum remedium

De leden van de SP-fractie verwijzen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel uit 2006 dat leidde tot uitbreiding van de reikwijdte van artikel 13b met woningen en andere niet voor het publiek toegankelijke lokalen. Zij vragen wanneer voorbereidingshandelingen zodanig ernstig zijn dat dit sluiting van de woning rechtvaardigt, in plaats van bijvoorbeeld een gesprek met de burgemeester, een waarschuwing of een bestuurlijke boete. Hoe wordt dat aan burgers kenbaar gemaakt?

Voor de toepassing van het huidige artikel 13b hebben veel gemeenten beleidsregels vastgesteld, waarin staat in welke gevallen en voor hoe lang een woning gesloten kan worden. Het ligt voor de hand dat ook deze nieuwe bevoegdheid wordt opgenomen in die beleidsregels en dat daarbij wordt opgenomen dat bij minder zware overtredingen eerst een waarschuwing wordt gegeven. Dit is voor iedere burger kenbaar. Hoe dan ook is het aan de burgemeester om te beoordelen of het nodig is om de woning te sluiten. Sluiting mag niet verder gaan dan nodig is om de overtreding te beëindigen en herhaling te voorkomen. Ook mogen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van de sluiting niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de sluiting te dienen doelen. Tegen de sluiting staan bezwaar en beroep open.

De leden van de fracties van de PvdA en GroenLinks vragen of de regering nog steeds, net als in 2006, vindt dat woningsluiting een ultimum remedium zou moeten zijn. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering ook de voorgestelde verruiming als een ultimum remedium beschouwt.

Sluiting van een woning is een ingrijpende maatregel, die alleen mag worden toegepast als zij noodzakelijk is om de overtreding te beëindigen en herhaling te voorkomen. Daar staat tegenover dat woningen op grote schaal worden gebruikt als drugspand. In de integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit is sluiting een belangrijk instrument voor de burgemeester. In de beleidsregels die gemeenten hanteren, is vaak opgenomen dat bij minder zware overtredingen eerst een waarschuwing wordt gegeven, maar als er sprake is van een stevige overtreding (grote hoeveelheid drugs, en daarbij bijvoorbeeld ook nog de aanwezigheid van wapens of van een grote hoeveelheid contant geld) kan onmiddellijke sluiting in de rede liggen. Andere instrumenten zullen doorgaans niet het beoogde effect hebben: het uit het criminele circuit halen van het betreffende pand en de oorspronkelijke situatie herstellen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe de regering de mate van zorgvuldigheid beoordeelt waarmee de burgemeester omgaat met het toepassen van artikel 13b. Klopt het beeld dat burgemeesters vaker overgaan tot sluiting van een pand?

Mijn indruk is dat burgemeesters doorgaans op zorgvuldige wijze tot hun besluit komen, maar het kan altijd beter. Daarom zal de regering de in paragraaf 2 besproken motie-Buitenweg/Van Nispen uitvoeren. Die uitvoering zal naar verwachting ook informatie opleveren over het aantal woningen dat door de jaren heen wordt gesloten op grond van artikel 13b. Op dit moment beschik ik nog niet over dergelijke informatie.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de burgemeester voldoende geëquipeerd is om vast te stellen dat er strafbare voorbereidingshandelingen in een pand of op een erf plaatsvinden. Zouden strafrechtelijke regels niet meer waarborgen bieden?

De burgemeester is voldoende geëquipeerd voor de voorgestelde bevoegdheid. De voorgestelde verruiming is bedoeld voor situaties waarin de politie in een pand geen handelshoeveelheid drugs aantreft, terwijl er wel voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die duidelijk bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur (drugslaboratorium, cocaïnewasserij), chemicaliën (apaan, zoutzuur) en versnijdingsmiddelen. De situatie zal van dien aard moeten zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. De burgemeester zal zich daarbij baseren op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. De bestuursrechter toetst de rechtmatigheid van de sluiting uiteraard met toepassing van bestuursrechtelijke regels, maar het ligt in de rede dat hij daarbij betekenis toekent aan rechtspraak van de strafrechter over de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen (artikelen 10a en 11a Opiumwet. Het verdergaand toepassen van strafrechtelijke regels biedt geen meerwaarde, aangezien sluiting geen individuele punitieve sanctie is maar een pandgerichte herstelsanctie.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of overwogen is om bij strafrechtelijke vervolging de mogelijkheid in te voeren om sluiting van het pand te kunnen vorderen.

Nee, dat is niet overwogen. Sluiting van het pand is immers niet bedoeld als punitieve sanctie.

4. Rechtspraak

De leden van de SP-fractie verwijzen naar een masterscriptie van T.F.S. Fijnaut. Daarin onderzoekt de schrijver om welke redenen de twee Brabantse rechtbanken sluitingsbevelen schorsen of vernietigen. De genoemde leden vragen of de in het onderzoek besproken knelpunten zijn meegenomen bij dit wetsvoorstel.

Dit wetsvoorstel is bij de Tweede Kamer ingediend in augustus 2017, de genoemde scriptie dateert van oktober 2017. Met de bevindingen kon dus geen rekening worden gehouden. Daar is inhoudelijk overigens ook geen reden voor, omdat de schrijver de noodzaak van dit wetsvoorstel erkent en geen aanbevelingen doet voor een andere wettekst. Wel doet hij aanbevelingen voor de uitvoeringspraktijk, bijvoorbeeld om in de beleidsregels die gemeenten hanteren, nauwkeurig te formuleren bij welke hoeveelheden verdovende middelen, precursoren en andere goederen die geschikt zijn voor de vervaardiging van drugs, panden kunnen worden gesloten en welke procedures bij hun sluiting in acht zullen worden genomen (p. 56).

De leden van de SP-fractie vragen of gemeenten verplicht zijn om handhavingsbeleid te formuleren voor de toepassing van artikel 13b.

Een burgemeester is niet verplicht om beleidsregels vast te stellen voor de toepassing van artikel 13b.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel panden en woningen in de afgelopen jaren zijn gesloten op grond van artikel 13b. Hoe vaak is het besluit van de burgemeester door de rechter ongedaan gemaakt?

Ik beschik niet over informatie over het aantal panden of woningen dat op grond van dit artikel is gesloten. Zoals gezegd zal de uitvoering van de motie-Buitenweg/Van Nispen naar verwachting ook informatie opleveren over het aantal woningen dat door de jaren heen wordt gesloten op grond van artikel 13b.

Verder vragen deze leden of de regering bereid is om zo veel mogelijk afstemming in beleid te bevorderen tussen burgemeesters.

Evenals bij de invoering van artikel 13b zal de regering hier samenwerking tussen diverse partners (OM, gemeenten en politie) bevorderen. In diverse samenstelling kan bijvoorbeeld ook gekeken worden naar best practices. Ik heb de Kamer bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in april ook toegezegd te kijken of de casuïstiek voldoende verankerd is en voldoende wordt aangereikt aan de burgemeesters. Uiteindelijk blijft de bevoegdheid tot het sluiten van een pand een autonome bevoegdheid van de burgemeester, waardoor er verschillen zullen zijn tussen gemeenten wat betreft de inzet ervan.

5. Monitoren bestuurlijke beoordeling

De leden van de PvdA-fractie vragen om de driejaarlijkse informatie als bedoeld in de motie-Buitenweg/Van Nispen ook te verstrekken aan de Eerste Kamer. De leden van de GroenLinks-fractie vragen op welke wijze de regering uitvoering geeft aan die motie.

Ik zal ook de Eerste Kamer driejaarlijks berichten over de uitvoering van de motie. Verder verwijs ik naar wat ik over de motie heb opgemerkt in paragraaf 2.

6. Schade

De leden van de VVD-fractie vragen of de schade volledig en voortvarend wordt vergoed als blijkt dat de sluiting onterecht was.

Bestuursorganen zijn aansprakelijk voor de schade die wordt veroorzaakt door onrechtmatige besluiten. In beginsel komt dergelijke schade in aanmerking voor volledige vergoeding. Hoe snel schade wordt vergoed, is van veel factoren afhankelijk. Zo zal de onrechtmatigheid van het besluit in veel gevallen pas vast komen te staan nadat daarover geprocedeerd is bij de bestuursrechter. Ook is van belang dat de benadeelde de door hem gestelde schade deugdelijk onderbouwt. Een andere factor is de vraag of de benadeelde en de burgemeester het onderling eens kunnen worden over de hoogte van de vergoeding, of dat (ook) daarvoor een procedure bij de rechter nodig is.

De leden van de D66-fractie vragen of er wordt voorzien in een onkostenvergoeding voor de eigenaar, beheerder of verhuurder bij sluiting.

Zoals gezegd moet de burgemeester bij het nemen van het sluitingsbesluit de betrokken belangen afwegen, ook die van de eigenaar, beheerder of verhuurder. Ook zij worden beschermd door het verbod van artikel 3:4, tweede lid, Awb: de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van de sluiting mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de sluiting te dienen doelen. Vaak zal het maatschappelijke belang bij sluiting zwaarder wegen dan de financiële belangen van de eigenaar, beheerder of verhuurder, maar die uitkomst hoeft niet per se in de weg te staan aan een financiële tegemoetkoming. Zij kunnen voor schade die wordt veroorzaakt door een rechtmatig sluitingsbesluit, uitgaat boven hun normale maatschappelijke risico en hen in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, bij de burgemeester een verzoek om nadeelcompensatie indienen. Tegen het besluit op dat verzoek staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming open.

7. Overige

De leden van de D66-fractie vragen hoe het voorstel om voorbereidingshandelingen onder de werking van artikel 13b te brengen, zich verhoudt tot het bestaande coffeeshopbeleid en tot het lopende experiment met legale hennepteelt. De voorgestelde verruiming zal immers tot effect hebben dat hennepkwekerijen sneller gesloten kunnen worden omdat niet langer vereist is dat een handelshoeveelheid planten wordt aangetroffen.

De voorgestelde verruiming van de reikwijdte van artikel 13b leidt er inderdaad toe dat de bepaling kan worden gebruikt om een hennepkwekerij te sluiten als daar geen handelshoeveelheid planten is aangetroffen, maar de verruiming brengt geen verandering in het bestaande coffeeshopbeleid: het telen van hennep is en blijft strafbaar en alleen de verkoop wordt onder voorwaarden gedoogd. Wat betreft de proef met legale hennepteelt: voorbereidingshandelingen die buiten die proef vallen, blijven strafbaar en vallen onder het voorgestelde artikel 13b.

De leden van de PvdA-fractie vragen of er binnen de politie criteria zijn of worden vastgesteld om de kwaliteit te waarborgen van de bestuurlijke rapportages die de politie opstelt met het oog op de toepassing van artikel 13b, waarin bijvoorbeeld ook rekening wordt gehouden met opgebouwde jurisprudentie. Zo ja, welke zijn die criteria? Zo nee, waarom niet en is de regering voornemens daartoe alsnog over te gaan?

De politie is zich er terdege van bewust dat deugdelijke bestuurlijke rapportages van belang zijn voor de toepassing van artikel 13b. De politie werkt niet met landelijke kwaliteitscriteria, maar met formats en factsheets om ervoor te zorgen dat de burgemeester wordt voorzien van de gegevens die hij nodig heeft om de concrete situatie te kunnen beoordelen en om zijn eventuele sluitingsbesluit deugdelijk te kunnen onderbouwen. De jurisprudentie over artikel 13b wordt gevolgd en is onderwerp van gesprek binnen de eenheden. Als de door de politie verstrekte gegevens in een concreet geval naar het oordeel van de burgemeester ontoereikend zijn, dan kan hij de politie om aanvullende gegevens vragen. Uiteindelijk is het aan hem om te beoordelen of de verstrekte gegevens sluiting rechtvaardigen. Ik zie geen noodzaak voor aanvullende landelijke maatregelen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom wordt voorgesteld om de bevoegdheid in de Opiumwet op te nemen en bijvoorbeeld niet in de Omgevingswet, nu het gaat om een maatregel die ziet op het ingrijpen in verband met gevaar voor de omgeving, zoals bij het aantreffen van chemicaliën als grondstof voor drugs.

Het tegengaan van fysiek gevaarlijke situaties is weliswaar een van de doelen van de voorgestelde bevoegdheid, maar het is niet het enige doel. Het sluiten van panden die worden gebruikt voor de productie van of handel in drugs heeft in de eerste plaats tot doel om met een pandgerichte maatregel overtredingen van de Opiumwet te beëindigen en herhaling te voorkomen, ook als zo’n overtreding geen direct gevaar voor de omgeving veroorzaakt. De kracht van het huidige artikel 13b schuilt voor een belangrijk deel in zijn karakter van herstelsanctie, enkel gekoppeld aan drugsdelicten, zonder nadere toepassingsvoorwaarden zoals gevaar voor de gezondheid of veiligheid of verstoring van de openbare orde. De voorgestelde bevoegdheid sluit daarbij aan.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F. Grapperhaus


X Noot
1

Zie voor uitzonderingen op die hoorplicht artikel 4:11 Awb, met name het geval dat de vereiste spoed zich verzet tegen vooraf horen.

X Noot
2

ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840.

X Noot
3

ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362.

X Noot
4

Zie bijvoorbeeld ABRvS 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2241.

X Noot
5

Kamerstukken II 2017/18, 34 763, nr. 10.

X Noot
6

Zie voor een voorbeeld van dat laatste ABRvS 11 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:25.

X Noot
7

Zie over dat verband de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2017/18, 34 763, nr. 6, onderaan p. 2 en 4.