Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734735 nr. 5

34 735 Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met het oog op het optimaliseren van het accreditatiestelsel (Wet accreditatie op maat)

Nr. 5 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 augustus 2017

Op 8 juni 2017 heb ik het wetsvoorstel Accreditatie op maat ingediend bij uw Kamer.1 Met dit wetsvoorstel voer ik een aantal verbeteringen in het bestaande accreditatiestelsel door, met als doel het geven van meer vertrouwen en meer eigenaarschap aan docenten, studenten en instellingen. Dit vormt een stimulans tot verbetering van de kwaliteit en kwaliteitscultuur, een vermindering van ervaren en administratieve lasten en het behoud van draagvlak voor het accreditatieproces.

De doorontwikkeling van het stelsel is in nauw overleg met alle betrokkenen tot stand gekomen. Zo heb ik mij mede laten adviseren door de stuurgroep Accreditatiestelsel 3.0, bestaande uit vertegenwoordigers van de NVAO, de inspectie, VSNU, Vereniging Hogescholen, ISO, LSVb en OCW. In haar uitvoeringstoets heeft de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) in de zomer van 2016 reeds een reactie gegeven op het wetsvoorstel. Deze inbreng heb ik verwerkt in het wetsvoorstel Accreditatie op maat. De NVAO heeft mij, na kennisneming van het wetsvoorstel, nog een drietal suggesties gedaan op basis van voortschrijdend inzicht en verzoekt deze uw Kamer ter kennisgeving aan te bieden (zie bijlage)2. Hieronder geef ik u mijn reactie bij deze suggesties.

1. Gedifferentieerde oordelen

In 2011 is de gedifferentieerde beoordeling (onvoldoende, voldoende, goed, excellent) ingevoerd. De NVAO suggereert nu om het oordeel «excellent» te laten vervallen, omdat het tot relatief veel lasten leidt bij de onderwijsinstellingen en dat dit oordeel aan minder dan 1% van de opleidingen wordt toegekend. In internationaal verband is een beperktere beoordelingsschaal gebruikelijker. Ik herken deze argumenten. Tegelijkertijd is deze nu in het PO en VO juist verder uitgebreid. Ook heeft de stuurgroep mij destijds geadviseerd om vast te houden aan de huidige beoordelingsschaal. Deze afwegingen kunnen aanleiding geven om de huidige beoordelingsschalen nog eens kritisch tegen het licht te houden. Ik ga hierover graag in gesprek met uw Kamer.

2. Specifiek aspect bij een instellingstoets kwaliteitszorg (ITK)

Met een specifiek aspect (voorheen bijzonder kenmerk) kan een instelling zich laten beoordelen op aspecten die niet direct gerelateerd zijn aan het niveau van de opleiding, maar bijvoorbeeld te maken hebben met de oriëntatie. Het bijzonder kenmerk kon voorheen worden aangevraagd voor een opleiding of een instelling. De NVAO pleit er voor dat zij in het nieuwe accreditatiestelsel de bevoegdheid krijgt om het bijzonder kenmerk op instellingsniveau toe te kennen.

Daar ben ik geen voorstander van. Het draagt namelijk niet bij aan een samenhangende inzet van instrumenten voor kwaliteitsbeleid. Instellingen konden zich al profileren via de prestatieafspraken. Met het oog op de voorgenomen kwaliteitsafspraken en het wegnemen van overlap in het toezicht ligt het voor de hand om deze profileringsfunctie niet ook nog bij het accreditatiestelsel te beleggen. Dit past ook in de lijn die ik heb uitgezet in mijn brief aan uw Kamer over samenwerking tussen organisaties voor de externe beoordeling van het hoger onderwijs.3 Verder betekent de mogelijkheid van een bijzonder kenmerk op instellingsniveau extra administratieve lasten voor de instellingen. Want ook al is dit kenmerk vrijwillig aan te vragen, het kan ertoe leiden dat instellingen zich genoodzaakt voelen een bijzonder kenmerk aan te vragen als andere instellingen dat eerder ook hebben gedaan. Dit wil ik voorkomen.

3. Evaluatiebureaus

Instellingen kunnen ervoor kiezen om een evaluatiebureau in te schakelen bij de voorbereiding en begeleiding van accreditatieaanvragen. Dit is de gangbare werkwijze sinds de beleidswijziging in 2011. De NVAO doet nu de suggestie om de positie van evaluatiebureaus in de wet te verankeren en daarbij een register op te stellen voor erkende bureaus.

Met de doorontwikkeling van het accreditatiestelsel wil ik, uiteraard met behoud van de kwaliteitsborging van het Nederlandse hoger onderwijs, uitdrukkelijk meer eigenaarschap bij de onderwijsgemeenschap leggen. Bij eigenaarschap past ook dat de instelling zelf kiest of, en zo ja, door welke organisatie zij zich daarin laat ondersteunen en adviseren. Tegelijkertijd wil ik dat instellingen goed zicht hebben op de kosten en de kwaliteit van de verschillende evaluatiebureaus. De Inspectie van het Onderwijs heeft mij laten weten de positie van evaluatiebureaus mee te zullen nemen in haar evaluatie van het accreditatiestelsel, die dit voorjaar beschikbaar zal komen. Deze evaluatie kan aanleiding geven om de positie van evaluatiebureaus in het accreditatiestelsel te heroverwegen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Kamerstuk 34 735, nr. 2

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Kamerbrief Samenwerking inspectie, NVAO, CDHO, 14 juli 2017 (Kamerstuk 31 288, nr. 595)