Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 augustus 2017
Op 8 juni 2017 heb ik het wetsvoorstel Accreditatie op maat ingediend bij uw Kamer.1 Met dit wetsvoorstel voer ik een aantal verbeteringen in het bestaande accreditatiestelsel
door, met als doel het geven van meer vertrouwen en meer eigenaarschap aan docenten,
studenten en instellingen. Dit vormt een stimulans tot verbetering van de kwaliteit
en kwaliteitscultuur, een vermindering van ervaren en administratieve lasten en het
behoud van draagvlak voor het accreditatieproces.
De doorontwikkeling van het stelsel is in nauw overleg met alle betrokkenen tot stand
gekomen. Zo heb ik mij mede laten adviseren door de stuurgroep Accreditatiestelsel
3.0, bestaande uit vertegenwoordigers van de NVAO, de inspectie, VSNU, Vereniging
Hogescholen, ISO, LSVb en OCW. In haar uitvoeringstoets heeft de Nederlands-Vlaamse
Accreditatieorganisatie (NVAO) in de zomer van 2016 reeds een reactie gegeven op het
wetsvoorstel. Deze inbreng heb ik verwerkt in het wetsvoorstel Accreditatie op maat.
De NVAO heeft mij, na kennisneming van het wetsvoorstel, nog een drietal suggesties
gedaan op basis van voortschrijdend inzicht en verzoekt deze uw Kamer ter kennisgeving
aan te bieden (zie bijlage)2. Hieronder geef ik u mijn reactie bij deze suggesties.
1. Gedifferentieerde oordelen
In 2011 is de gedifferentieerde beoordeling (onvoldoende, voldoende, goed, excellent)
ingevoerd. De NVAO suggereert nu om het oordeel «excellent» te laten vervallen, omdat
het tot relatief veel lasten leidt bij de onderwijsinstellingen en dat dit oordeel
aan minder dan 1% van de opleidingen wordt toegekend. In internationaal verband is
een beperktere beoordelingsschaal gebruikelijker. Ik herken deze argumenten. Tegelijkertijd
is deze nu in het PO en VO juist verder uitgebreid. Ook heeft de stuurgroep mij destijds
geadviseerd om vast te houden aan de huidige beoordelingsschaal. Deze afwegingen kunnen
aanleiding geven om de huidige beoordelingsschalen nog eens kritisch tegen het licht
te houden. Ik ga hierover graag in gesprek met uw Kamer.
2. Specifiek aspect bij een instellingstoets kwaliteitszorg (ITK)
Met een specifiek aspect (voorheen bijzonder kenmerk) kan een instelling zich laten
beoordelen op aspecten die niet direct gerelateerd zijn aan het niveau van de opleiding,
maar bijvoorbeeld te maken hebben met de oriëntatie. Het bijzonder kenmerk kon voorheen
worden aangevraagd voor een opleiding of een instelling. De NVAO pleit er voor dat
zij in het nieuwe accreditatiestelsel de bevoegdheid krijgt om het bijzonder kenmerk
op instellingsniveau toe te kennen.
Daar ben ik geen voorstander van. Het draagt namelijk niet bij aan een samenhangende
inzet van instrumenten voor kwaliteitsbeleid. Instellingen konden zich al profileren
via de prestatieafspraken. Met het oog op de voorgenomen kwaliteitsafspraken en het
wegnemen van overlap in het toezicht ligt het voor de hand om deze profileringsfunctie
niet ook nog bij het accreditatiestelsel te beleggen. Dit past ook in de lijn die
ik heb uitgezet in mijn brief aan uw Kamer over samenwerking tussen organisaties voor
de externe beoordeling van het hoger onderwijs.3 Verder betekent de mogelijkheid van een bijzonder kenmerk op instellingsniveau extra
administratieve lasten voor de instellingen. Want ook al is dit kenmerk vrijwillig
aan te vragen, het kan ertoe leiden dat instellingen zich genoodzaakt voelen een bijzonder
kenmerk aan te vragen als andere instellingen dat eerder ook hebben gedaan. Dit wil
ik voorkomen.
3. Evaluatiebureaus
Instellingen kunnen ervoor kiezen om een evaluatiebureau in te schakelen bij de voorbereiding
en begeleiding van accreditatieaanvragen. Dit is de gangbare werkwijze sinds de beleidswijziging
in 2011. De NVAO doet nu de suggestie om de positie van evaluatiebureaus in de wet
te verankeren en daarbij een register op te stellen voor erkende bureaus.
Met de doorontwikkeling van het accreditatiestelsel wil ik, uiteraard met behoud van
de kwaliteitsborging van het Nederlandse hoger onderwijs, uitdrukkelijk meer eigenaarschap
bij de onderwijsgemeenschap leggen. Bij eigenaarschap past ook dat de instelling zelf
kiest of, en zo ja, door welke organisatie zij zich daarin laat ondersteunen en adviseren.
Tegelijkertijd wil ik dat instellingen goed zicht hebben op de kosten en de kwaliteit
van de verschillende evaluatiebureaus. De Inspectie van het Onderwijs heeft mij laten
weten de positie van evaluatiebureaus mee te zullen nemen in haar evaluatie van het
accreditatiestelsel, die dit voorjaar beschikbaar zal komen. Deze evaluatie kan aanleiding
geven om de positie van evaluatiebureaus in het accreditatiestelsel te heroverwegen.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Bussemaker