De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Algemene
Rekenkamer over de brief van 17 mei 2017 inzake het rapport bij de Nationale Verklaring
(Kamerstuk 34 725, nr. 4).
De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 12 juni 2017. Vragen
en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De fungerend voorzitter van de commissie, Duisenberg
De griffier van de commissie, Berck
Vraag 1
Bent u er voorstander van dat de Nederlandse EU-afdrachten onderdeel uitmaken van
de Nationale Verklaring? Zijn er landen waar dit reeds staande praktijk is?
Wij zijn van oordeel dat iedere EU-lidstaat zo transparant mogelijk moet zijn over
de besteding van publieke middelen. Het is daarom een goede stap dat het kabinet de
EU-afdrachten in een toelichtende paragraaf in het Financieel Jaarverslag van het
Rijk nader heeft beschreven (Kamerstuk 34 725, nrs. 1 en 2). Wij zijn, zoals we in het rapport ook aangeven (Kamerstuk 34 725, nr. 4), in principe voorstander van het opnemen van de EU-afdrachten in de Nationale verklaring.
Het kabinet geeft dan de zekerheid over de juistheid van de afdrachten zoals het die
ook geeft over de besteding van de EU-middelen in gedeeld beheer. De wijze waarop
de afdrachten in de Nationale verklaring zouden kunnen worden opgenomen is met name
afhankelijk van een goede duiding van de verantwoordelijkheden van betrokken bewindspersonen
en instanties, zoals de Belastingdienst (Douane) en het CBS, en van de benodigde inspanningen
om tot het gewenste accountantsoordeel te komen.
Naast Nederland geven alleen Denemarken en Zweden een Nationale verklaring af. In
de Deense Nationale verklaring zijn de EU-afdrachten opgenomen. Deze verklaring bevat
een oordeel over de getrouwheid en rechtmatigheid van zowel de EU-middelen in gedeeld
beheer als de EU-afdrachten. De Deense Nationale Verklaring bevat daarentegen geen
uitspraak over de systemen van beheer en controle, zoals in Nederland, maar alleen
over financiële cijfers.
Vraag 2
Is het gebruikelijk dat de uitputting van bepaalde fondsen voor de periode 2014–2020
nog op 0 staat, terwijl het gedeclareerde bedrag bij het Europees Landbouwgarantiefonds
(ELGF) vrijwel gelijk is aan het totaalbedrag aan gedeclareerde netto-uitgaven? Zijn
er, naast het feit dat er geen cofinanciering vereist is voor het ELGF, nog andere
verklaringen waarom de gedeclareerde bedragen voor dit fonds relatief hoog zijn?
Het is niet ongebruikelijk dat de uitputting van deze fondsen voor de periode 2014–2020
nog op 0 staat. De middelen die Nederland voor de betreffende fondsen toegewezen heeft
gekregen, worden opgedeeld in jaarlijkse bedragen, die op grond van de Europese regels
binnen drie jaar bij de Europese Commissie gedeclareerd moeten worden. Voor het ELGF
geldt deze «N+3»-regel niet. Hierdoor wordt het totaalbedrag aan gedeclareerde netto-uitgaven
in deze Nationale verklaring vooral bepaald door het gedeclareerde bedrag bij het
ELGF. De relatief hoge omvang van de gedeclareerde bedragen bij het ELGF wordt verklaard
door de relatief hoge omvang van de post landbouw op de EU-begroting en de naar verhouding
grote landbouwsector in Nederland.
Vraag 3
Valt te verwachten dat het beheers- en controlesysteem van het Europees Integratiefonds
(EIF), dat nu als enige een te hoog foutenpercentage had, de komende periode verbetering
zal laten zien?
Het EIF heeft met een foutenpercentage van 2,28% in de onderzochte periode van 1 januari
2013 tot en met 30 juni 2015 de tolerantiegrens van 2% overschreden. De financiële
omvang van deze fout heeft de auditautoriteit op € 111.881 geschat. Deze overschrijding
is met name veroorzaakt door een te ruime definitie van de doelgroep van de regeling
in één project. Naar aanleiding hiervan heeft de verantwoordelijke autoriteit passende
maatregelen genomen om het beheers- en controlesysteem te verbeteren. De programmaperiode
2007–2013 is voor de migratiefondsen – waar het EIF deel van uitmaakte – intussen
afgesloten. Voor de nieuwe programmaperiode 2014–2020 zijn het Fonds voor Asiel, Migratie
en Integratie (AMIF) en het Fonds voor Interne Veiligheid (ISF) opgericht. De komende
periode gaan wij na of de getroffen maatregelen naar behoren functioneren. Is dat
het geval, dan kan het beheers- en controlesysteem voor AMIF en ISF net als dit jaar
een voldoende score laten zien. AMIF en ISF hebben overigens gezamenlijk een aanmerkelijk
groter totaalbudget (€ 260 miljoen) dan de migratiefondsen. De verwachting is daarom
dat fouten bij een individueel project minder snel zullen leiden tot een overschrijding
van het toegestane foutenpercentage voor het fonds.
Naast het EIF kende ook het Europees Visserij Fonds (EVF) in de periode 1 januari
2015 tot en met 31 december 2016 met een foutenpercentage van 18,87% een ruime overschrijding
van de tolerantiegrens. Echter, deze periode is niet in de Nationale verklaring 2017 opgenomen, maar in de afsluiting van de programmaperiode 2007–2013. In bijlage 1
van ons rapport lichten wij deze bevinding nader toe (Kamerstuk 34 725, nr. 4, bijlage p. 37).