34 723 Wijziging van de Warmtewet (wijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet)

C MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 1 juni 2018

Algemeen

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van verschillende fracties over het wetsvoorstel houdende wijziging van de Warmtewet (wijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet).

In deze Memorie van Antwoord wordt de volgorde van het verslag aangehouden. In verband met de leesbaarheid is ervoor gekozen om bij de beantwoording van gelijkluidende vragen gebruik te maken van verwijzingen en de beantwoording van gelijksoortige vragen geclusterd vorm te geven.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de D66-fractie vroegen waarom ervoor gekozen is het integrale warmterecht geen onderdeel te laten zijn van dit wetsvoorstel.

Het hoofddoel van de Warmtewet is de bescherming van de gebonden consumenten die te maken hebben met een monopolist als warmteleverancier. Het beoogde warmterecht, zoals dat is benoemd in de Energieagenda van het vorige kabinet (Kamerstuk 31 510, nr. 64) en het Regeerakkoord 2017 – 2021, omvat de gehele warmtevoorziening en is dus breder dan de reikwijdte van de Warmtewet. Het warmterecht kan bijvoorbeeld ook worden ingevuld door de inzet van hernieuwbare elektriciteit (met behulp van o.a. warmtepompen) of de inzet van groen gas. Dat betekent dat de voorliggende Warmtewet niet de juiste plaats is om het warmterecht te verankeren. In het kader van de wetgevingsagenda Energietransitie (Kamerstuk 30 196, nr. 566) wordt bezien waar en op welke wijze het warmterecht op een goede manier juridisch kan worden geborgd.

De leden van de D66-fractie vroegen waarom koude alleen als onderdeel van warmte-koude-systemen gereguleerd wordt en niet wanneer het afzonderlijk wordt geleverd voor koeling.

Het doel van de Warmtewet is bescherming van de gebonden verbruiker van warmte. Daarbij is warmte in het wetsvoorstel gedefinieerd als thermische energie die ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van transport van water. Dit betekent dat de Warmtewet koude in beginsel niet reguleert. Aan deze keuze ligt de overweging ten grondslag dat koeling in Nederland, anders dan verwarming, een product is dat het comfort vergroot, maar geen eerste levensbehoefte is. Afnemers van alleen koude kunnen er ook voor kiezen om geen koude af te nemen.

Dit ligt anders wanneer de levering van koude noodzakelijk is voor de levering van warmte, zoals nu vaak het geval is bij WKO-systemen. In die situatie is de afname van koude meestal een voorwaarde om ook warmte geleverd te krijgen en is er wel aanleiding om naast de prijs van warmte ook de prijs van koude te reguleren.

Overigens kan worden opgemerkt dat het uitsluitend leveren van koude via koudenetten in Nederland weinig voorkomt en dat de koudenetten die er zijn vooral leveren aan grootverbruikers.

De leden van de D66-fractie vroegen welk effect verwacht wordt van de nieuwe elementen in de tariefregulering op de rendementen van leveranciers en op de potentiele groei van collectieve warmtesystemen.

In het voorstel voor de Warmtewet en lagere regelgeving zitten een paar onderdelen die invloed hebben op de rendementen van de leveranciers. Niet alle wijzigingen zijn al door te rekenen, omdat de ACM uiteindelijk de tarieven vaststelt. Bovendien hangt het effect op de rendementen ook af van ontwikkelingen in de gasprijs. Het totaaleffect is daarom ook nog niet te geven. De eenmalige aansluitkosten en de kosten voor afsluiting zijn incidentele kosten en hebben naar verwachting beperkt effect op de rendementen van de leveranciers. De maximumprijzen van de verschillende soorten afleversets zullen door de ACM worden vastgesteld op basis van de werkelijke kosten. De veronderstelling is daarmee dat de rendementen niet in negatieve of positieve zin worden beïnvloed door deze toevoegingen. Het werkelijke effect van deze wijziging op de rendementen van warmteleveranciers kan echter pas worden bepaald nadat deze tarieven zijn vastgesteld.

Ik zie de spanning tussen het nader reguleren van de warmtetarieven en de druk die dat mogelijk legt op de rendementen van de warmtebedrijven. Het kabinet kiest hier in de eerste plaats voor duidelijkheid en bescherming van de consument.

Verder vroegen de leden van de D66-fractie of de regering overweegt te komen tot een marktordening die tot meer concurrentie van leveranciers leidt.

Ik onderschrijf de wenselijkheid van het realiseren van zogeheten open netten. Door meerdere warmtebronnen te ontwikkelen kan het risico op uitval van levering verminderd worden en de verduurzaming van het net bevorderd worden. Meerdere warmteproducenten op een net kunnen bijdragen aan een meer gevarieerd product- en dienstenaanbod. Tegelijkertijd moet echter worden geconstateerd dat op de warmtemarkt – als gevolg van het lokale karakter en de relatief beperkte omvang van warmtenetten – op dit moment onvoldoende partijen actief zijn aan de productiezijde van warmte om effectieve concurrentie tussen leveranciers mogelijk te maken. De verplichte introductie van meerdere leveranciers in een dergelijke kleine markt zorgt voor afstemmingsproblemen en inefficiëntie, waardoor de kosten waarschijnlijk juist zullen stijgen.

De leden van de D66-fractie refereerden aan de situatie in Denemarken en vroegen in dat kader of de regering heeft overwogen om de prijs lokaal afhankelijk te maken van uitsluitend de kosten, ook al betekent dit dat er dan verschillen zijn.

In de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel is beargumenteerd waarom bij deze wijziging nog is gekozen voor een voor het hele land geldend maximum warmtetarief op basis van de gasreferentie. De belangrijkste overweging daarbij is het zoveel mogelijk behouden van het voor de warmtetransitie benodigde draagvlak, rekening houdend met de huidige situatie waarin nog altijd 93% van de Nederlanders hun warmtebehoefte invullen door middel van aardgas.

Bij het opstellen van het wetsvoorstel is overwogen om het tarief op een andere basis dan de gasreferentie te reguleren, maar daarvoor is nog niet gekozen. Het is mijn voornemen om bij een volgende wetswijziging een andere wijze van regulering te bezien, waarmee ik tevens in lijn handel met de motie (Kamerstuk 34 723, nr. 29) die oproept om in de aanloop naar Warmtewet 2.0 te onderzoeken welke alternatieven er zijn voor de gasreferentie. Bij dat onderzoek zullen verschillende manieren van tariefregulering op basis van werkelijke kosten worden betrokken, waaronder ook de optie van lokaal verschillende tarieven.

Ten aanzien van de vergelijking met Denemarken kan nog het volgende worden opgemerkt.

Ook in Nederland zijn lokaal verschillende tarieven mogelijk, omdat de daadwerkelijke tarieven van de verschillende warmtenetten onder het landelijk vastgestelde maximum kunnen verschillen. Een belangrijk verschil met Denemarken is dat de gasprijs in Denemarken aanmerkelijk hoger ligt dan in Nederland. De lokaal verschillende warmtetarieven in Denemarken liggen mede daardoor allemaal onder de prijs van warmte op basis van aardgas.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van SP

De leden van de SP-fractie vroegen in welk opzicht de regering denkt met het voorliggende wetsvoorstel de alternatieven voor aardgas en de transitie van fossiel naar duurzaam te versnellen en hoe voorkomen wordt dat de sluiting van fossiele bronnen bemoeilijkt wordt.

De inzet van het kabinet is te komen tot een CO2-arme warmtevoorziening in 2050. De huidige Warmtewet en het voorliggende wijzigingsvoorstel zijn gericht op de bescherming van de gebonden kleinverbruiker van warmtelevering via warmtenetten.

Ik onderstreep het belang van de verduurzaming van warmtenetten. Hier zal stap voor stap naartoe gewerkt moeten worden. Hernieuwbare warmtebronnen hebben uiteraard de voorkeur, maar indien deze niet of slechts tegen hele hoge kosten beschikbaar zijn of onvoldoende leveringszekerheid bieden, vormen ook andere CO2-besparende alternatieven, zoals de inzet van restwarmte, een optie. We kunnen het ons gelet op de uitdaging waar we voor staan niet veroorloven om sommige opties niet in te zetten.

De met het voorliggende wijzigingsvoorstel geïntroduceerde rapportageverplichting over duurzaamheid is een eerste stap voor verdere verduurzaming van de warmtelevering. Met de duurzaamheidsrapportage komt er meer zicht op de bronnen voor de warmtelevering en of aanvullende eisen in de toekomst wenselijk zijn. Ook wordt met deze herziening van de Warmtewet de ingroei van CO2-arme bronnen mogelijk gemaakt door (toekomstige) producenten van warmte het recht te geven om relevante informatie te verkrijgen over de situatie op het betreffende net, zodat zij hier op aan kunnen sluiten bij het uitwerken van een businesscase.

Deze maatregelen zijn een aanvulling op bestaande instrumenten, zoals de SDE+ regeling die de opwekking van duurzame warmte stimuleert en het Bouwbesluit dat een duurzaam warmtenet hoger waardeert.

De leden van de SP-fractie vroegen welke maatregelen de regering kan nemen om consumenten ervan te weerhouden zich opnieuw voor langere tijd te binden aan gas en juist de keuze voor duurzaam te maken.

Allereerst merk ik op dat de Warmtewet zich vooral richt op de bescherming van gebonden warmteverbruikers en dus niet het geëigende instrument is om invloed uit te oefenen op de individuele keuze bij vervanging van een gasgestookte cv-ketel.

Meer in zijn algemeenheid geldt bij de vervanging van gasgestookte cv-ketels door duurzamere alternatieven, dat deze alternatieven een relatief lange terugverdientijd kennen en een hogere initiële investering vergen. In dat kader zal ik allereerst in het door mij naar aanleiding van de motie Jetten/Mulder (Kamerstuk 34 775 XIII, nr. 93) toegezegde plan van aanpak over de uitfasering van gasgestookte cv-ketels, gasfornuizen en sfeerhaarden de bestaande knelpunten in kaart brengen en mogelijke oplossingsrichtingen aandragen. Het is mijn bedoeling om dit plan van aanpak voor de zomer aan te bieden aan de Tweede Kamer. Daarnaast beziet het kabinet de voor- en nadelen van verschillende maatregelen om de overstap naar duurzaam te stimuleren. Hiertoe wordt in het kader van het Klimaatakkoord gesproken over verschillende maatregelen in de fiscaliteit, subsidiëring, normering en het aanbod van financieringsarrangementen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van PvdA

De leden van de PvdA-fractie vroegen of het inzichtelijk maken en onderbouwen van de kosten door de warmteleverancier via het huurrecht even goed is geborgd als via de Warmtewet of dat hiervoor een aanpassing van het huurrecht nodig is.

Net als onder de Warmtewet geldt ook onder het huurrecht de verplichting om de kosten die in rekening worden gebracht inzichtelijk te maken en te onderbouwen. Hoewel de betreffende bepalingen in de Warmtewet en het huurrecht niet exact gelijk zijn, hebben zij wel dezelfde werking. Het inzichtelijk maken en onderbouwen van de kosten is onder het huurrecht dus even goed geborgd als onder de Warmtewet.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks

De leden van de GroenLinks-fractie vroegen of de regering de noodzaak van een beter referentiekader onderschrijft, of de regering daar op korte termijn een verkenning naar zal starten en of de regering daarbij zowel warmteleveranciers als warmteverbruikers zal betrekken.

Zoals ik ook al heb aangegeven in het overleg met de Tweede Kamer en bij het indienen van de in de vraag aangehaalde motie Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 34 723, nr. 29) over de alternatieven voor de gasreferentie onderschrijf ik de noodzaak om met het uitfaseren van aardgas te bezien welke alternatieven er zijn voor de nu nog geldende gasreferentie. In het kader van de volgende wijziging van de Warmtewet (Warmtewet 2.0) zal ik hier tijdig onderzoek naar opstarten. Daarbij zal ik relevante stakeholders betrekken, waaronder in ieder geval vertegenwoordigers van warmteleveranciers en warmteverbruikers.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van ChristenUnie

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen in hoeverre deze Warmtewet bijdraagt aan de doelstelling tot verduurzaming van de warmtevoorziening.

De Warmtewet richt zich op warmtelevering via warmtenetten. Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen van de leden van de SP-fractie is de rapportageverplichting over duurzaamheid een eerste stap voor verdere verduurzaming van de warmtelevering. Ook wordt met dit wetsvoorstel de ingroei van CO2-arme warmtebronnen mogelijk gemaakt door (toekomstige) producenten van warmte het recht te geven om relevante informatie te verkrijgen over de situatie op het betreffende net. Deze maatregelen zijn een aanvulling op bestaande instrumenten, zoals de SDE+, waarmee de verduurzaming van warmtenetten wordt gestimuleerd.

De verduurzaming van de gehele warmtevoorziening is breder dan de reikwijdte van de Warmtewet. De warmtevoorziening kan bijvoorbeeld ook worden ingevuld door de inzet van hernieuwbare elektriciteit (met behulp van onder andere warmtepompen) of de inzet van groen gas. Al deze alternatieven vragen om vergaande reductie van de warmtevraag, bijvoorbeeld door het toepassen van isolerende maatregelen. Deze maatregelen worden gestimuleerd met de campagne «Energie besparen doe je nu» en de subsidie «Energiebesparing eigen huis». De investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) biedt particulieren daarnaast een tegemoetkoming bij de aankoop van bijvoorbeeld zonneboilers, warmtepompen, biomassaketels en pelletkachels.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen hoe logisch of redelijk het is volgens de regering dat restwarmteproducenten vanwege hun levering van restwarmte aan huishoudens de facto meer mogen uitstoten.

De beperking in CO2-emissies bij huishoudens ten gevolge van de levering van restwarmte van de bedrijven die onder het ETS vallen betekent niet dat er meer emissieruimte in het ETS wordt gecreëerd. De CO2-reductie bij huishoudens zorgt er dus niet voor dat ETS-bedrijven meer mogen uitstoten, maar leidt daarentegen direct tot vermindering van de broeikasgasemissies op Nederlandse bodem.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen of in Warmtewet 2.0 wordt voorzien in voorrang voor bronnen met de minste CO2-uitstoot en hoe voorkomen wordt dat in de tussentijd zodanige niet-duurzame contracten worden gesloten met betrekking tot de voeding van warmtenetten die het straks moeilijker zullen maken voor duurzame (niet-fossiele) bronnen.

Ik zet in op een situatie waarbij de grote netten een meer open karakter krijgen, zodat leveranciers van nieuwe duurzame bronnen op basis van duidelijke voorwaarden en condities kunnen onderhandelen over toegang tot het net. Naast de duurzaamheid moeten ook de leveringszekerheid en betaalbaarheid gewaarborgd blijven. De afweging tussen deze publieke belangen kan voor verschillende warmtenetten tot een andere snelheid van ingroei van hernieuwbare bronnen leiden. Deze regels inzake «derdentoegang» worden in de volgende herziening van de Warmtewet meegenomen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen hoe de consument een goede afweging kan maken als in de businesscase van het warmtenet de uiteindelijke duurzame (niet-fossiele) voedingsbron en isolatie niet zijn meegenomen en hoe de huidige wijziging van de Warmtewet, en straks Warmtewet 2.0, bijdragen aan het goed en integraal kunnen maken van die afweging.

De afweging ten aanzien van een optimale mix van energiebesparing, duurzame warmte en duurzame opwekking zal in een regionale context worden uitgewerkt. Daarbij zullen gemeenten in samenspraak met provincies en netbeheerders een belangrijke rol gaan spelen. De beschikking over een goede informatievoorziening en afwegingskader voor de consument zal bij deze verdere uitwerking aan de orde komen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen aan welke alternatieven voor de gasreferentie de regering denkt en of die alternatieven zijn bedoeld om de consumenten meer bescherming te bieden of om de businesscases voor warmtenetten aantrekkelijker te maken.

De nadere verkenning en het onderzoek naar alternatieven voor de gasreferentie wordt momenteel opgestart. Op basis van de huidige inzichten en de gehanteerde prijsregulering bij warmtenetten in de ons omringende landen verwacht ik dat we zullen uitkomen op een vorm van op werkelijke kosten gebaseerde prijsregulering. Zeker in een situatie van stijgende aardgasprijzen biedt een dergelijke benadering voor de verbruiker het voordeel dat de maximumprijzen voor warmte niet meestijgen met de aardgasprijs. Het voordeel voor de leverancier bij een dergelijke benadering is dat de maximumprijs aanmerkelijk beter aansluit bij de kosten die hij daadwerkelijk maakt. Door de tarieven goed te reguleren blijft ook de consument goed beschermd.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vroegen hoe warmte van fossiele oorsprong uit de industrie een toekomstige bron kan zijn voor de verwarming van woningen, terwijl de warmtevraag van zowel woningen als de industrie moet afnemen om tot een CO2-arme energievoorziening te komen.

Veel van de huidige warmtenetten zijn gekoppeld aan gasgestookte centrales, afvalverbranders en één kolencentrale. Ook de hulpketels zijn veelal fossiele ketels. De toekomstige warmtebronnen die ik voorzie zijn diepe en ondiepe bodemenergie (geothermie, warmte-koude opslag), zonneboilers en biomassa ketels. Ook wanneer de industrie verduurzaamt, zal industriële restwarmte in de toekomst beschikbaar blijven.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vroegen op welke manier de regering uitsluit dat ETS-instellingen (rest)warmte aan woningen leveren en zo meer CO2 uitstoten?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de gelijkluidende vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie over het meer mogen uitstoten van CO2 door restwarmteproducenten vanwege hun levering van restwarmte aan huishoudens.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vroegen hoe de NMDA-grens bewaakt wordt met de nieuwe onderdelen voor tariefregulering waardoor eindgebruikers van gas willen overschakelen naar duurzame hernieuwbare bronnen en op welke manier de nieuwe prijsvaststelling de transitie naar duurzame warmtebronnen stimuleert. Verder vroegen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie hoe in de uitvoeringsregelgeving de maximumprijs wordt berekend.

Voor de nieuwe onderdelen in de tariefregulering wordt geanticipeerd op verduurzaming van de energievoorziening waarbij aardgas steeds minder belangrijk wordt. Een meer kostengeoriënteerde basis voor de prijsregulering past hierbij. Bovendien biedt voorliggende wetswijziging een betere bescherming van de consument omdat de tariefregulering wordt verbreed.

De invulling en uitwerking van de tariefreguleringssystematiek wordt gedaan bij lagere regelgeving en zijn in voorbereiding. Voor de consultatie van deze voorstellen heeft in juli en augustus 2017 een internetconsultatie opengestaan1. Ook is een uitvoering- en handhavingstoets uitgevoerd door de ACM. Het wijzigingsbesluit wordt bij beide Kamers van de Staten-Generaal voorgehangen.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vroegen waarom de regering ervoor heeft gekozen om in tariefregulering voor tussenproducten te voorzien in uitvoeringsregelgeving in plaats van in de wet.

De invulling en uitwerking van de tariefreguleringssystematiek is een onderwerp dat zich beter leent voor invulling en uitwerking bij lagere regelgeving. Het kan op basis van veranderende omstandigheden noodzakelijk zijn om aanpassingen door te voeren in de invulling of uitwerking van de tariefreguleringssystematiek. Dergelijke wijzigingen zijn sneller uit te voeren wanneer de invulling en uitwerking van de tariefreguleringssystematiek in lagere regelgeving zijn opgenomen. Het Warmtebesluit wordt overigens bij beide Kamers van de Staten-Generaal voorgehangen. Daarnaast wordt aangesloten bij de huidige wijze van regulering van de maximumtarieven voor warmte.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vroegen op welke manier in de tariefbepaling rekening gehouden wordt met het rendement van de retourtemperatuur.

Een leverancier heeft belang bij een lage retourtemperatuur, omdat dan een hoger energetisch rendement te behalen is. In de tariefsystematiek voor de levering van warmte wordt het rendement van de retourtemperatuur niet meegenomen. De wet biedt echter wel voldoende ruimte voor leveranciers om gebruikers te stimuleren om lagere temperaturen terug te leveren.

De retourtemperatuur is hoofdzakelijk afhankelijk van de afleverset. In het wijzigingsvoorstel is bepaald dat het beschikbaar stellen van een afleverset de taak is van de leverancier. Door een goede afleverset te plaatsen kan een leverancier dus zorgen voor een hoger energetisch rendement.

Bovendien heeft de leverancier ruimte om te variëren in tarieven. Er is immers sprake van een maximumprijs voor de levering van warmte. Onder dit maximum kan gevarieerd worden bijvoorbeeld door een korting te bieden wanneer lagere temperaturen afgeleverd worden.

Daarnaast kunnen goede communicatie en advisering van consumenten en het opleiden van installateurs (zoals bijvoorbeeld gebeurt door Stadsverwarming Purmerend) een positief effect hebben.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben vragen gesteld over de bescherming voor aansluitingen groter dan 100 kW.

De Warmtewet heeft de bescherming van gebonden (klein)verbruikers als voornaamste doel. Naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet, die is uitgevoerd door onderzoeksbureau Ecorys, is bezien of grootverbruikers ook zouden moeten worden beschermd op grond van de Warmtewet. Daarbij is gekeken of grootverbruikers, evenals kleinverbruikers, gebonden verbruikers zijn of dat zij beschikken over reële alternatieven voor de wijze waarop zij in hun warmtebehoefte voorzien. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven, is uit overleg met relevante stakeholders gebleken dat er onvoldoende aanleiding is de in de Warmtewet opgenomen grens generiek te laten vervallen. Ook in het geval dat de aansluitplicht voor gas komt te vervallen, beschikken zakelijke grootverbruikers over reële alternatieven voor de wijze waarop zij in hun warmtebehoefte kunnen voorzien. Zo kan een grotere verbruiker er ook voor kiezen om te voorzien in de eigen warmtebehoefte met behulp van een eigen centrale verwarmingsinstallatie (bijvoorbeeld een warmtepomp). Verbruikers met een aansluiting van meer dan 100 kilowatt zijn dan ook nog steeds niet de gebonden verbruikers die de Warmtewet beoogt te beschermen. Ook voor wat betreft de in de vraag aangehaalde zekerheid voor grootverbruikers bij investering in duurzame hernieuwbare bronnen geldt dat deze grootverbruikers zich niet in dezelfde afhankelijkheidspositie bevinden als kleinverbruikers.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vroegen of de bepalingen uit het consumentenrecht ten aanzien van het door afnemers kunnen beëindigen van de leveringsovereenkomst van kracht blijven, ook als de uitzonderingen van de Warmtewet van toepassing zijn

Het beëindigen van overeenkomsten is op grond van de bepalingen van het consumentenrecht niet voor alle consumenten mogelijk. Op grond van het Burgerlijk wetboek kan een overeenkomst voor onbepaalde tijd door een consument altijd worden beëindigd. Dit is niet het geval voor overeenkomsten voor bepaalde tijd. Deze overeenkomsten kunnen op grond van het Burgerlijk Wetboek slechts worden opgezegd indien de overeenkomst voorziet in deze mogelijkheid, of als er sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten (artikel 6:258 van het BW).

Met dit wetsvoorstel wordt in beginsel voor alle verbruikers van warmte mogelijk gemaakt dat zij hun warmteleveringsovereenkomst kunnen opzeggen. Op deze hoofdregel worden met deze wijziging van de Warmtewet evenwel twee uitzonderingen gemaakt. Deze bepalingen van de Warmtewet (artikel 3c) hebben het karakter van een lex specialis en hebben om deze reden voorrang boven de meer algemene bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben vragen gesteld over de uitzonderingen op de regel dat een afnemer altijd zijn leveringsovereenkomst moet kunnen beëindigen.

De vraag doelt op situaties waar het inpandige warmtenet in een gebouw zo is aangelegd dat de in dat gebouw gelegen wooneenheden om technische redenen niet afzonderlijk kunnen worden afgesloten. Dergelijke inpandige warmtenetten komen vooral voor bij oudere bestaande gebouwen.

Besluiten over het inpandige warmtenet worden niet genomen door de beheerder van het warmtenet, maar door de gebouweigenaar. De gebouweigenaar heeft weinig belang bij het aanleggen van een inpandig warmtenet op een dusdanige manier dat afsluiting van individuele wooneenheden niet mogelijk is. Er is daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat gebouweigenaren bij de aanleg van nieuwe inpandige warmtenetten een dergelijke keuze zullen maken. Regelgeving op dit gebied wordt daarom niet nodig geacht.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen waarom er geen ruimte wordt geboden voor variatie in de aansluittarieven en de aanbodtemperatuur.

Voorliggende wijziging biedt wel degelijk de mogelijkheid om te variëren met het vastrecht en de aanbodtemperatuur van de geleverde warmte. Een afwijking van het tarief voor de eenmalige aansluitbijdrage is niet mogelijk, maar daar is, gelet op het feit dat het hier om een eenmalige en dus niet jaarlijks terugkerende kostenpost gaat, ook geen behoefte aan.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben meerdere vragen gesteld ten aanzien van de marktordening en verduurzaming van warmtenetten. Deze leden vroegen op welke manier dit wetsvoorstel in de ingroei van duurzame bronnen voorziet en hoe deze ontwikkeling kan plaatsvinden terwijl bestaande contracten worden gerespecteerd. Verder vroegen deze leden waarom een bestaande producent van een fossiele warmtebron zou willen vertrekken of minder zou willen leveren en welke prikkel dit wetsvoorstel biedt om over te stappen op lokale duurzame warmteproductie. Er werd ook gevraagd waarom de regering niet voor gereguleerde toegang kiest die voorziet in voorrang van duurzame warmtebronnen op warmtenetten en op welke manier dit wetsvoorstel dan regelt dat zelfstandig opererende warmtenetten met eventueel decentrale warmteopwekking of restwarmtegebruik voorrang zullen verlenen aan lokale duurzame hernieuwbare bronnen en hoe voorzien wordt in het vervangen van de (grote) warmteproducenten.

De voorliggende herziening van de Warmtewet richt zich in eerste instantie op de bescherming van de gebonden kleinverbruiker en niet op de ordening van de markt voor warmtelevering of op het stellen van duurzaamheidseisen. Ik heb aangegeven dat ik in een volgende herziening van de Warmtewet inga op de ordening van de markt.

De ingroei van CO2-arme bronnen is noodzakelijk om te komen tot duurzame en betrouwbare warmtenetten. In deze herziening van de Warmtewet is een eerste stap gezet door (toekomstige) producenten van warmte het recht te geven om relevante informatie te verkrijgen over de situatie op het betreffende net, zodat zij hier op aan kunnen sluiten bij het uitwerken van een businesscase. De potentiele producent kan hierdoor goed geïnformeerd in onderhandeling treden met de beheerder en leverancier. Deze onderhandelingen kunnen bijvoorbeeld plaatsvinden op het moment dat sprake is van uitbreiding van het warmtenet of wanneer bestaande contracten het einde van de looptijd bereiken. Ook vormen momenten van groot onderhoud vaak aanleiding voor een leverancier van warmte om nieuwe afwegingen te maken voor de bron van warmte.

Naast dit recht op het verkrijgen van relevante informatie kan ook de rapportageverplichting over de duurzaamheid van de geleverde warmte belangrijke inzichten bieden bij het maken van keuzes in de verduurzaming. Met de duurzaamheidsrapportage komt er meer zicht op de bronnen voor de warmtelevering en of aanvullende eisen in de toekomst wenselijk zijn.

Duurzame warmtebronnen hebben in het algemeen de voorkeur boven minder duurzame bronnen, maar indien deze niet of slechts tegen hele hoge kosten beschikbaar zijn of onvoldoende leveringszekerheid bieden, vormen ook andere alternatieven waarmee ook CO2 wordt bespaard een optie. Regels voor gedwongen voorrang voor duurzaam kunnen bovendien het functioneren en de uitbreiding van warmtenetten ondermijnen als gevolg van toenemende investeringsonzekerheid voor bestaande en toekomstige neteigenaren en warmteproducenten. Het ontbreken van investeringszekerheid – de zekerheid dat gedane investeringen terugverdiend kunnen worden – kan potentiële producenten (ook de duurzame) vervolgens weerhouden te investeren in nieuwe bronnen. Naast de duurzaamheid moeten ook de leveringszekerheid en betaalbaarheid gewaarborgd blijven. De afweging tussen deze publieke belangen kan voor verschillende warmtenetten tot een andere snelheid van ingroei van hernieuwbare bronnen leiden.


X Noot
1

Deze concepten zijn te raadplegen op https://www.internetconsultatie.nl/wijziginglagereregelgevingwarmte

Naar boven