34 655 EU-voorstel: verordening herziening coördinatie sociale zekerheidsstelsels COM(2016)815

I VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 28 augustus 2026

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de appreciatie van het voorlopig akkoord verordening herziening coördinatie sociale zekerheidsstelsels. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • • De uitgaande brief van 7 juli 2026.

  • • De antwoordbrief van 25 augustus 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van der Bijl

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Den Haag, 7 juli 2026

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief over de appreciatie van het voorlopig akkoord over de verordening herziening coördinatie socialezekerheidsstelsels (COM(2016)815).2 De leden van de Groenlinks-PvdA-fractie, gezamenlijk met het lid van de fractie OPNL willen hier graag een aantal vragen over stellen. De leden van de fractie CDA en het lid van de fractie-Walenkamp sluiten zich graag aan bij deze vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA en het lid van de fractie OPNL

De leden van de fractie GroenLinks-PvdA en het lid van de fractie OPNL hebben kennisgenomen van de voorgenomen wijziging van de verordening. De regering geeft aan dat de wijzigingen in de verordening impact hebben op de uitvoering. Er is gesteld dat UWV en de SVB zullen worden verzocht de impact voor hun organisaties in kaart te brengen en een schatting te maken van de uitvoeringskosten.3

De aan het woord zijnde leden vinden het van belang dat de uitvoeringsgevolgen niet geïsoleerd worden beoordeeld, maar in samenhang met de reeds bestaande druk op de uitvoering van de sociale zekerheid. De SVB wees in haar knelpuntenbrief 2024 erop dat de internationale uitvoering inmiddels een groot beslag legt op de uitvoeringscapaciteit: in 2023 had 48% van de dienstverleningscapaciteit betrekking op internationale dienstverlening, terwijl deze dienstverlening slechts 13% van de burgers betrof. Ook het UWV signaleerde in de knelpuntenbrief 2026 dat onder andere internationalisering ertoe heeft geleid dat de WW niet altijd meer goed aansluit op nieuwe arbeidsrelaties, waardoor zowel cliënten als medewerkers in de uitvoering knelpunten ervaren.4

Hoe beoordeelt de regering de uitvoeringsgevolgen van de wijziging van de verordening tegen de achtergrond van deze reeds bestaande knelpunten? Op welke wijze voorkomt de regering dat de wijzigingen leiden tot een verdere stapeling van uitvoeringsproblemen en administratieve lasten bij gemeenten, het UWV en de SVB?

Is de regering bereid de uitvoeringsgevolgen van deze verordening integraal te bezien, in samenhang met andere recente en voorgenomen nationale en Europese wijzigingen binnen de sociale zekerheid die eveneens beslag leggen op de uitvoeringscapaciteit? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fracties GroenLinks-PvdA en OPNL vragen u daarnaast om, in de aangekondigde reactie op de knelpuntenbrief 2026 en de bredere stand van de uitvoering van de sociale zekerheid, expliciet aandacht te besteden aan de cumulatieve effecten van nieuwe wet- en regelgeving op de uitvoerbaarheid, de benodigde uitvoeringscapaciteit en de dienstverlening aan burgers. Kunt u daarbij tevens aangeven welke maatregelen u neemt om de uitvoeringsorganisaties ook op langere termijn voldoende toegerust te houden in deze context?

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken.

Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, R. van Gurp

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 augustus 2026

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen die gesteld zijn door de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar aanleiding van mijn brief over de appreciatie van het voorlopig akkoord over de verordening herziening coördinatie socialezekerheidsstelsels (COM(2016)815). De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en OPNL hebben een aantal vragen gesteld, waar de fracties van het CDA en Walenkamp zich bij aan hebben gesloten. Deze vragen werden ingezonden op 7 juli j.l. en staan cursief weergegeven. Ze worden hieronder per alinea beantwoord.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief

Hoe beoordeelt de regering de uitvoeringsgevolgen van de wijziging van de verordening tegen de achtergrond van deze reeds bestaande knelpunten? Op welke wijze voorkomt de regering dat de wijzigingen leiden tot een verdere stapeling van uitvoeringsproblemen en administratieve lasten bij gemeenten, het UWV en de SVB?

De gevolgen voor de uitvoering van UWV en de SVB worden nader in kaart gebracht via een uitvoeringstoets. Naar verwachting zullen UWV en de SVB de uitvoeringstoetsen begin december opleveren. Beide uitvoeringsorganisaties zijn reeds goed betrokken geweest tijdens het onderhandelingstraject. De uitvoeringstoetsen zijn erop gericht om de effecten op deze organisaties in kaart te brengen en om inzicht te krijgen in de kosten en eventuele besparingen voor de implementatie en uitvoering van het akkoord. Het is onvermijdelijk dat het doorvoeren van de wijzigingen capaciteit kost, bijvoorbeeld voor het aanpassen van werkinstructies of IT-systemen. Nadat ik de uitvoeringstoetsen ontvangen heb, zal ik samen met UWV en de SVB nagaan of dit tot uitvoeringsproblemen leidt.

De gemeenten voeren geen regelingen uit die onder de materiële werkingssfeer van de Verordening vallen. De herziening van de Verordening zal dus geen (extra) beslag leggen op hun uitvoeringscapaciteit.

Is de regering bereid de uitvoeringsgevolgen van deze verordening integraal te bezien, in samenhang met andere recente en voorgenomen nationale en Europese wijzigingen binnen de sociale zekerheid die eveneens beslag leggen op de uitvoeringscapaciteit? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit? Zo nee, waarom niet?

UWV en de SVB lopen tegen de grenzen van de uitvoerbaarheid van het stelsel aan. Aandacht voor de uitvoeringsgevolgen van nieuwe wetgeving is daarom van belang. Ik ben voortdurend met UWV en de SVB in gesprek om stapeling van beleidsopdrachten te voorkomen en in een vroeg stadium inzichtelijk te krijgen welke uitvoeringsimpact een nationale of Europese wijziging heeft. Waar nodig, wordt gezamenlijk bepaald welke prioriteiten gesteld moeten worden.

Specifiek voor de verordening zijn de uitvoeringstoetsen van UWV en de SVB mijn eerste uitgangspunt. Naar aanleiding hiervan ga ik met beide organisaties in gesprek of dit leidt tot problemen in de uitvoering. Mocht dit het geval zijn, dan ben ik uiteraard bereid om dit, waar nodig, in breder perspectief te bezien.

Daarnaast blijf ik ook in andere trajecten nadrukkelijk aandacht houden voor de impact die bestaand of nieuw beleid heeft op onze publieke dienstverleners. Zo werk ik in de Hervormingsagenda Inkomensondersteuning aan vereenvoudiging die ons stelsel toekomstbestendig en uitvoerbaar houden5.

De leden van de fracties GroenLinks-PvdA en OPNL vragen u daarnaast om, in de aangekondigde reactie op de knelpuntenbrief 2026 en de bredere stand van de uitvoering van de sociale zekerheid, expliciet aandacht te besteden aan de cumulatieve effecten van nieuwe wet- en regelgeving op de uitvoerbaarheid, de benodigde uitvoeringscapaciteit en de dienstverlening aan burgers. Kunt u daarbij tevens aangeven welke maatregelen u neemt om de uitvoeringsorganisaties ook op langere termijn voldoende toegerust te houden in deze context?

Samen met de uitvoering werk ik aan oplossingen om de internationale uitvoering op de lange termijn houdbaar te houden. Zo heb ik recent de Tweede Kamer geïnformeerd over de verkenning die is gedaan naar de complexiteit en vereenvoudiging van de internationale dienstverlening van de SVB6. In deze verkenning zijn ook handelingsperspectieven in kaart gebracht die de uitvoering mogelijk zou kunnen vereenvoudigen. In het kader van deze verkenning wordt onder andere nagegaan hoe het internationale uitvoeringsperspectief beter ingebed kan worden in de nationale beleidsontwikkeling. Door middel van de Standen van de uitvoering zal ik regelmatig rapporteren over de internationale dienstverlening van de SVB.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Bakker-Klein (CDA), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Bovens (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Karaaslan (D66), Koffeman (PvdD), Lagas (BBB), Van der Linden (VVD), Moonen (D66) (ondervoorzitter), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Kamerstukken I, 2025/2026, 34 655, H.

X Noot
3

Kamerstukken I, 2025/2026, 34 655, H, p.3.

X Noot
4

«Knelpuntenbrief UWV 2026», p. 8, bijlage bij Kamerstukken II, 2025/2026, 26 448, Nr. 894.

X Noot
5

Kamerstukken II, 2024/25, 26 448 nr. 849.

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/26, 29 362, nr. 407.

Naar boven