34 655 EU-voorstel: verordening herziening coördinatie sociale zekerheidsstelsels COM (2016) 815

Nr. 5 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 8 maart 2017

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de vaste commissie voor Europese Zaken hebben op 15 februari 2017 overleg gevoerd met de heer Asscher, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President, over:

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 8 februari 2017 met fiche: wijziging coördinatieverordening sociale zekerheid (Kamerstuk 22 112, nr. 2299);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President, d.d. 13 februari 2017 met de reactie op het behandelvoorbehoud en verzoek informatieafspraken inzake EU-voorstel herziening verordening coördinatie sociale zekerheidsstelsels (Kamerstuk 34 655, nr. 2).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Bosman

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Azmani

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Esmeijer

Voorzitter: Schut-Welkzijn

Griffier: Van der Linden

Aanwezig zijn drie leden der Kamer, te weten: Kerstens, Schut-Welkzijn en Ulenbelt,

en de heer Asscher, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President.

Aanvang 16.15 uur.

De voorzitter:

Ik heet de Minister en zijn ondersteunende ambtenaren, de Kamerleden en de mensen in de zaal van harte welkom. Het doel van dit overleg is het maken van afspraken met de regering over de wijze van informatieverstrekking door de regering over het verloop van de onderhandelingen, de wetgevingsprocedure en een eventueel vervolgoverleg. Ik stel voor de spreektijd in eerste termijn te bepalen op drie minuten per fractie, want we hebben maar één uur. Het woord is aan de heer Ulenbelt.

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. Ik vroeg mij af of wij in dit overleg ook kunnen spreken over de inzet van de regering. Op dat punt wil ik in ieder geval een heel belangrijke opmerking maken over de A1-verklaring. Volgens mij moet het land waarin iemand werkt, de mogelijkheid hebben om de A1-verklaring in te trekken als daar een concrete aanleiding voor is. Dat moet dus niet alleen maar worden overgelaten aan het land van vertrek.

Ik lees dat wordt voorgesteld om het mogelijk te maken de A1-verklaring voor een periode van twee jaar te laten gelden. De Minister weet als geen ander dat de A1-verklaring tegenwoordig een belangrijk verdienmodel is voor bedrijven in het buitenland. Het zou logisch zijn om dit gelijk te stellen aan de Detacheringsrichtlijn, maar ik zie nog liever dat de regering zich ervoor inzet dat een A1-verklaring helemaal niet nodig is en dat het werklandbeginsel vanaf dag één geldt. Ik verzoek de Minister dan ook om zich daarvoor in te zetten.

De spreektijd is kort. Dit is het belangrijkste.

De voorzitter:

Dat is helder.

De heer Kerstens (PvdA):

Voorzitter. De Partij van de Arbeid staat voor een eerlijke arbeidsmarkt waarop collega's niet tot elkaars concurrenten worden gemaakt, niet tegen elkaar worden uitgespeeld en niet tegen elkaar worden opgezet. In deze kabinetsperiode zijn meer maatregelen tegen het onderbetalen van buitenlandse arbeidskrachten en het daardoor wegconcurreren van Nederlandse werknemers genomen dan ooit tevoren, bijvoorbeeld via de Wet aanpak schijnconstructies of, in de transportsector, via de Wet ketenaansprakelijkheid. Ook op Europees vlak is deze Minister degene die de strijd voor «gelijk loon voor gelijk werk» aanvoert, met een nieuwe handhavingsrichtlijn tot gevolg. Verder is een lang voor onmogelijk gehouden aanpassing van de Detacheringsrichtlijn in gang gezet.

De Partij van de Arbeid vindt dat ook de coördinatieverordening sociale zekerheid op de schop moet, want deze maakt premieshoppen – premie afdragen in het land waar die het laagste is om zo een loonkostenvoordeel te creëren – aantrekkelijk. Dat is niet wat de Partij van de Arbeid wil. Als het vrije verkeer allerlei foute verdienmodellen over de rug van de werknemers mogelijk maakt, dan moeten de regels worden aangepast. In de stukken die aan de Kamer zijn toegezonden, noemt het kabinet het voorkómen van oneerlijke concurrentie en verdringing de essentie van het Nederlandse beleid in dezen. Dat onderschrijf ik. Ik onderschrijf ook de kritische vragen van het kabinet inzake het beperken van het recht op een uitkering. Dat zou wat minder omslachtig moeten kunnen dan nu wordt voorgesteld; ik zeg het even in mijn eigen woorden.

Ik zie dat het kabinet terecht kritisch is over de voorstellen van de Commissie over de premieafdracht en de zogenaamde A1-formulieren. De heer Ulenbelt sprak er net ook al over. Het voorstel van de Commissie is een stapje in de goede richting, maar meer dan dat vindt de Partij van de Arbeid het niet. Is de Minister bereid ook voorop te lopen bij het aanpakken van premieshoppen en misbruik van A1-formulieren? Welke kansen ziet hij op dat vlak? In de huidige voorstellen staan wat meer verplichtingen van het zendende land; die zouden de juistheid van de A1-verklaring en de controle erop beter moeten borgen. Dat is een plus, maar wat zijn de sancties als niet aan die verplichtingen wordt voldaan? Ik ga ervan uit dat Nederland een foute A1-verklaring zelf ongeldig wil verklaren, waardoor er een eind komt aan de niet helemaal zuivere arbeidsverhouding die het gevolg is van deze verklaring. Is dat misschien wat wordt bedoeld met de opmerking in de stukken over het stellen van een grens aan de bindende kracht van de A1-verklaring? Vindt de Minister net als ik dat A1-formulieren minder fraudegevoelig zouden moeten zijn, dat zij digitaal beschikbaar zouden moeten zijn en meer informatie zouden moeten bevatten, zoals een foto, een uniek identificatienummer enzovoort? Is de Minister het met mij eens dat niet alleen postbusondernemingen maar ook postbuswerknemers, voor wie een lage premie wordt afgedragen in een land waar zij nooit hebben gewerkt en waar zij ook nooit gaan werken, moeten worden tegengegaan?

De heer Ulenbelt heeft een aantal opmerkingen gemaakt over de termijn. Daar kan ik mij grotendeels in vinden.

Ik realiseer me dat het verzet tegen een aanscherping van de regels, met name uit de lidstaten in Midden- en Oost-Europa, niet gering zal zijn. Dat zien we ook bij de Detacheringsrichtlijn. Wat is de Minister bereid om meer te doen dan – ik citeer uit de stukken – verduidelijking vragen, bedenkingen uiten en aangeven dat er ook andere mogelijkheden zijn? Met andere woorden: kan de Minister wat concreter zijn over de mogelijke oplossingen die hij in dit dossier ziet?

Voorzitter: Kerstens

De voorzitter:

Het is een eer om dit AO te mogen voorzitten, ook al is het maar eventjes.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Voorzitter. Ik wil eerst een paar opmerkingen maken over de procedure inzake het behandelvoorbehoud. De Minister moet de Kamer tijdig en periodiek goed informeren over de voortgang van de onderhandelingen en over alle punten waarover afspraken zijn gemaakt. Ik vind dat de Minister daarin niet zo'n goed trackrecord heeft opgebouwd. De commissie voor SZW is een soepele commissie, maar de Minister heeft zich vaak onttrokken aan de gemaakte afspraken over het verstrekken van informatie over bijvoorbeeld de onderhandelingen inzake de Detacheringsrichtlijn en de Kamer pas geïnformeerd nadat daar expliciet om werd gevraagd. Ik hoop dat de Minister daarvan geleerd heeft en bij de nieuwe Kamer zijn beste beentje zal voorzetten. Deze informatie is immers heel belangrijk voor de Kamer.

De onderhavige verordening gaat over de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels. Op veel van de desbetreffende maatregelen is de regering kritisch. De VVD deelt die kritiek. Als de Minister mijn bijdragen van de laatste jaren kent, zal het hem niet verbazen dat in het verkiezingsprogramma van de VVD staat dat zij ervoor is om de export van uitkeringen naar landen buiten Europa, en voor zover dat niet mogelijk is naar landen binnen Europa, te stoppen en deze onderhevig te maken aan het woonlandbeginsel. Voor ons is daarbij het uitgangspunt dat bijvoorbeeld kinderbijslag bedoeld is ter tegemoetkoming van kosten die in Nederland worden gemaakt. Moet deze uitkering toch naar het buitenland, dan moet zij worden aangepast aan het prijspeil van dat land.

Hierover zijn twee moties in de Kamer aangenomen. De eerste motie is de motie-Pieter Heerma (33 750-XV, nr. 38), waarover ook in de stukken wordt gesproken. Zij gaat over het aangaan van een discussie over een verbod op de export van kinderbijslag binnen Europa. De tweede motie is de motie-Schut-Welkzijn/Pieter Heerma van de VVD en het CDA van 3 maart 2016 (21 501-31, nr. 394). Daarin wordt de regering verzocht zich hard te maken voor het zo snel mogelijk toepassen van het woonlandbeginsel bij de export van alle kindregelingen binnen Europa. Beide moties zijn aangenomen. De Minister hoort deze dan ook uit te voeren. Ik ga daar dus ook van uit. Dit is zijn kans, zou ik zeggen. We hebben gezien dat de Minister al in Oostenrijk een bondgenoot vindt. Deze coördinatierichtlijn gaat daarover. Ik zou zeggen: grijp die kans. Ik verzoek de Minister dan ook om als onderdeel van de informatieafspraken die wij vandaag maken over de gezinsbijslagen, in beeld te brengen hoeveel het zou opleveren als binnen de EU de kinderbijslag onderhevig wordt gemaakt aan het woonlandbeginsel. Verder verzoek ik de Minister, zich hard te maken voor het uitvoeren van deze twee moties. Graag wordt de VVD geïnformeerd over de voortgang in dezen. Ik hoor hierop graag een toezegging van de Minister.

Mijn volgende punt betreft de werkloosheidsuitkeringen. Het kabinet vindt dat de WW een realistische weergave dient te zijn van het genoten salaris en de afgedragen premies. Daar is de VVD het echt volkomen mee eens. Ons uitgangspunt is dat mensen die zich voor het eerst in Nederland vestigen, even lang moeten wachten totdat zij een WW-uitkering kunnen aanvragen als mensen die al langer in Nederland wonen. In Nederland moet men zes maanden wachten. Wij willen dat andere EU-onderdanen ook zes maanden moeten wachten voordat zij in Nederland voor het eerst een WW-uitkering kunnen aanvragen. Om de Minister een boodschap mee te geven, heb ik daarover bij het debat over Marokko een motie ingediend. Ik heb deze aangehouden met het oog op het gesprek dat wij vandaag voeren. In reactie op deze motie zei de Minister toen dat hij het uitgangspunt van het gelijktrekken van de termijn voor Nederlanders en andere EU-burgers ondersteunt.

Ik ben er bijna, voorzitter.

De voorzitter:

U bent degene die drie minuten heeft voorgesteld.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Ja, dat is waar.

Ik ben teleurgesteld omdat ik dit niet terugvind in de standpuntbepaling van de Minister. Hij zet bij het exporteren in op drie maanden in plaats van zes maanden en legt zich neer bij de termijn van drie maanden, waarna EU-migranten in Nederland een WW-uitkering kunnen aanvragen. Waarom zet de Minister niet in op allebei drie maanden of allebei zes maanden?

Ik zou graag periodiek gedetailleerde informatie ontvangen over de onderhandelingen op het onderdeel werkloosheidsverzekeringen. Daarbij zou ook informatie gegeven moeten worden over de financiële gevolgen voor Nederland van de verschillende voorliggende opties.

Ik heb nog een ander punt, maar het kost echt te veel tijd om daarop nog in te gaan.

Voorzitter: Schut-Welkzijn

De voorzitter:

Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer. Mij blijkt dat de Minister vier minuten nodig heeft voor het voorbereiden van zijn antwoord.

De vergadering wordt van 16.26 uur tot 16.29 uur geschorst.

Minister Asscher:

Voorzitter. Het aantal gestelde vragen is overzichtelijk. De heer Ulenbelt vraagt of ik vind dat ook het ontvangende land, het werkland, de A1-verklaring moet kunnen intrekken. Het antwoord is ja. Dat staat nu niet in het voorstel van de Commissie, maar wij willen daarvoor pleiten.

Moet de termijn niet korter? Het antwoord is ja. Dat vinden wij wel. Wij gaan daarvoor pleiten.

Hoe zit het met de premieverschillen? De heer Kerstens vraagt ook of je de A1-verklaring niet zelf moet kunnen intrekken. Het antwoord is ja. Ik ben het daarmee eens. Wij zullen daarvoor aandacht vragen bij de Commissie. Dat geldt ook voor de fraudevoorstellen van de ad-hocgroep die nu niet zijn overgenomen. Wij willen graag weten waarom dat niet is gebeurd.

Ga ik mij op Europees niveau sterk maken voor het woonlandbeginsel? Indien en voor zover dat het streven naar een verandering van de Detacheringsrichtlijn niet in de weg zit, wil ik dat doen. Dat betekent dat het op dit moment niet opportuun is. Ik zal uiteraard de vragen van de Kamer om informatie over wat het oplevert beantwoorden.

Ik zou op zich voorstander zijn van een wachttermijn van zes in plaats van drie maanden. We moeten even goed aanvoelen of we dan niet overvragen. Op zich is de stap naar drie maanden een positieve stap van de Commissie. Als de kans zich voordoet en er een meerderheid is voor een termijn van zes maanden, dan zal ik dat doen. Anders denk ik dat wij ons moeten richten op de termijn van drie maanden, want die is al een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.

De voorzitter:

Ik constateer dat er behoefte is aan een tweede termijn.

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. Ik heb nog nooit zo snel op twee vragen twee keer alleen maar ja gekregen. Ik vind dat echt geweldig. Ik was er even beduusd van.

Wij weten dat dit soort dingen heel erg lang duren. Als ik het mij goed herinner, zijn er zo'n 100.000 A1-verklaringen uitgegeven vanuit het buitenland voor mensen die hier werken. Ik neem aan dat de verklaringen uit België en Duitsland allemaal bonafide zullen zijn, maar dat geldt niet zo voor de landen die hier de grootste problemen opleveren. Kan de Minister, gezien het klimaat in Europa rond de brexit en rond de verkiezingen her en der, in Europa inbrengen: kom onze kant op, want anders gooi ik echt de kont tegen de eurokrib en doe ik gewoon wat goed is voor de werkgelegenheid in Nederland? We moeten zo snel mogelijk van die postbusbedrijven af. We kunnen eerlijke werkgevers in Nederland beschermen door A1-verklaringen niet meer te accepteren. Dit is geen nationalistische, maar wel een nationale opstelling, omdat het toch allemaal een beetje gerommel blijft aan de uitwassen van het vrij verkeer. Ik ben nu mijn eigen glazen aan het ingooien, want misschien zegt de Minister nu wel gewoon nee. Ik zou graag zien dat hij erop inzet dat het ons menens is en dat hier niet zomaar wordt gesleuteld aan een nieuw coördinatieverdrag, maar dat hier veel grotere belangen op het spel staan die ook te maken hebben met de hele houding in Nederland tegenover de Europese Unie die niet bepaald florissant is.

De heer Kerstens (PvdA):

Voorzitter. Ik ben de Minister niet, dus mijn ja op een vraag van de heer Ulenbelt zal hem misschien wat minder doen. Ik ben het met hem eens dat dit een heel serieuze kwestie is; overigens heeft de Minister dat al eens eerder aangegeven. Ik dank de Minister uiteraard voor de antwoorden die hij net gaf en zijn medewerkers voor al het werk dat daarin is gaan zitten.

Ik had een vraag over het traject. Dit traject gaat een tijdje duren en de brexitonderhandelingen lopen daar doorheen. De Minister heeft zelf al een aantal keren aangegeven dat hij dat een tactisch-strategisch geschikte combinatie vindt om dit dossier wat verder te brengen. Wat zou er mogelijk zijn om, in afwachting van het ei dat op een gegeven moment in Brussel wordt gelegd, zelf wat meer te doen om fraude en misbruik met de A1-formulieren aan te pakken?

Voorzitter: Kerstens

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Voorzitter. De Minister heeft duidelijke antwoorden gegeven. Het is duidelijk dat de VVD de herziening van de detacheringsrichtlijn minder hoog heeft zitten dan de toepassing van het woonlandbeginsel. Wij vinden dat mensen uit de EU hier moeten kunnen komen werken, want we zeggen altijd: de tomaten van de SP moeten geplukt kunnen worden. Maar als zij hier komen, is het niet de bedoeling dat zij dat doen om van onze sociale zekerheid gebruik te maken. Wij willen graag dat juist daarop een limiet komt. De Minister zegt: ik weet het nog niet zeker, het is misschien niet opportuun. Ik heb dan toch de neiging om daarover een motie in te dienen en een uitspraak van de Kamer te vragen. Dat zeg ik nu alvast.

Ik begrijp het punt van de Minister over de drie en zes maanden. Drie maanden wachttijd voordat je een uitkering kunt aanvragen, is al heel wat. Het gaat ons erom dat die termijnen gelijk zijn: drie maanden wachttijd en drie maanden export, niet drie maanden wachttijd en zes maanden export. Wat wordt het voor de Minister? Wordt het twee keer drie maanden of wordt het twee keer zes maanden? Anders ben ik geneigd om de motie die ik heb aangehouden, weer in te dienen.

Mijn laatste vraag gaat over relevante uitspraken van het Europese Hof van Justitie. Het betreft de uitspraak in de zaak-Alimanovic van 15 september 2016. Daarin is gesteld dat bijstand kan worden geweigerd als mensen korter dan een jaar hebben gewerkt. Rotterdam wilde hiermee experimenteren. Hierover hebben wij het eerder gehad in het AO Handhaving. Hoe kan deze uitspraak van het Hof in het voordeel van Nederland worden ingebracht in de onderhandelingen over deze verordening?

De voorzitter:

Er is een interruptie aan uw adres van de heer Ulenbelt, die net als ik hoorde dat het deze keer bij de VVD niet over asperges ging, maar over tomaten.

De heer Ulenbelt (SP):

Als er een aanval wordt ingezet op de SP-tomatenplukkers, dan moet ik natuurlijk reageren. Het valt mij op dat er in het verhaal van de VVD met geen woord wordt gerept over postbusfirma's en gesjoemel door buitenlandse bedrijven met de A1-verklaring, maar dat het alleen maar gaat over de sociale zekerheid voor hardwerkende tomatenplukkers, of zij nou van de SP zijn of niet. Waarom mogen die mensen geen sociale zekerheid hebben in ons land, waar zij naartoe zijn gekomen om te werken? Waarom werpt u die blokkades op? U bent voor vrij verkeer. Behandel die mensen dan ook gelijk en werp geen blokkades op door tijdelijke rechten op sociale zekerheid te ontzeggen. Waarom pest u die SP-tomatenplukkers toch steeds weer?

De voorzitter:

Dat was natuurlijk de vraag waar we op wachtten.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Dat doe ik, omdat die SP-tomatenplukkers vaak Polen en geen Nederlanders zijn. In eerdere debatten heb ik mij ook al hard gemaakt voor handhaving op A1-verklaringen. In die zin sluit ik mij volledig aan bij wat zowel de heer Kerstens als de heer Ulenbelt daarover heeft gezegd. Ik vind ook dat de handhaving moet worden verstevigd. Maar ja, we moeten allemaal selecteren in wat we hier inbrengen. Ik heb het gehad over de uitvoering van door mijzelf ingediende en door de Kamer aangenomen moties. Dat kunt u zich ook voorstellen.

De heer Ulenbelt (SP):

Nu zegt u: omdat het Polen zijn. Dat zijn ook mensen; dat zijn werknemers. Ons standpunt is dat als mensen hier werken, zij voor de Nederlandse wet gelijk behandeld moeten worden, of het nu gaat om de WW of arbeidsongeschiktheid. U zegt altijd dat het vrije verkeer een ontzettende bron van welvaart in Nederland is. Waarom mogen de mensen die volgens u daaraan bijdragen dan niet dezelfde sociale rechten hebben als mensen die in Nederland wonen en werken? Dat is raar.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Ik vind dat heel consequent. Wij vinden dat je eerst moet hebben bijgedragen aan de sociale zekerheid door het afdragen van premies voordat je daarvan gebruik kunt maken. We hebben in Europa nu eenmaal afgesproken dat in eerste instantie de lidstaten zelf over uitkeringen en sociale zekerheid gaan. Wij willen daarbij zo min mogelijk inbreng uit Europa.

De voorzitter:

Ik heb ook nog een vraag, niet als voorzitter maar als commissielid, aan mevrouw Schut. U gaf aan dat u net als wij een selectie hebt moeten maken uit de onderwerpen die u in eerste termijn aan de orde wilde stellen. U gaf ook aan dat, als het gaat om het aanpakken van fraude en misbruik met de A1-formulieren en het handhaven van een goede uitvoering, u daar net zo stevig in zit als collega Ulenbelt en ik. Ik heb de Minister gevraagd of we in afwachting van een ei dat in Brussel daarover wordt gelegd iets kunnen doen in Nederland, als er extra mogelijkheden zijn om die fraude en dat misbruik aan te pakken, los van de Brusselse regels die wellicht aangepast worden. Vind ik de VVD dan aan mijn zijde?

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

In principe zijn wij voor het handhaven van bestaande regels. Als u daarop doelt, vindt u mij zeker aan uw zijde. Volgens mij hebben we deze discussie eerder gevoerd en was het antwoord toen dat dat in strijd was met Europese verordeningen. Wat mij betreft, schuurt dat. Ik ben er volledig voor dat de bestaande regelgeving wordt gehandhaafd. Dat betekent dus dat het woonland een verklaring moet afgeven en dat er premie is betaald voor verzekeringen, maar volgens mij kan dat al met de handhavingsrichtlijn die vorig jaar is geïmplementeerd.

De voorzitter:

Maar zou bijvoorbeeld een intensivering van de inzet op het aanpakken van misbruik van de A1-formulieren op de steun van de VVD kunnen rekenen?

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Ik begrijp nu waarop u doelt. Die afweging moeten we maken in een groter geheel. Volgens mij zijn er al mogelijkheden om dat te doen. Als het anders is, hoor ik dat graag van de Minister.

Voorzitter: Schut-Welkzijn

Minister Asscher:

Voorzitter. Na zijn blijdschap over mijn duidelijke antwoord gaf de heer Ulenbelt allerlei tips mee hoe ik mijn standpunt naar voren zou kunnen brengen in het Europese gremium. Ik neem zijn suggesties ter harte en zal daar naar bevind van zaken het Nederlandse belang zo krachtig mogelijk verdedigen.

De heer Kerstens vraagt wat ik nog meer kan doen behalve de A1-verklaring zelf aanpakken. Wij doen daar al heel veel aan. Belangrijk is een goede samenwerking met de uitvoerende diensten, ook in andere landen. Daarin wordt veel geïnvesteerd. Ik heb de afgelopen jaren talloze bilaterale afspraken en convenanten gesloten om ervoor te zorgen dat we niet afhankelijk zijn van wat er in Europa gebeurt, maar dat je direct kunt teruggrijpen op voorbeelden van fraude met de A1-verklaringen. Dat laat onverlet dat ik mijn best zal doen om het meer onze kant op te krijgen.

Mevrouw Schut heeft aangegeven een Kameruitspraak te willen over de prioriteitstelling in onze onderhandelingen. We wachten dat af.

Mevrouw Schut vraagt of ik kies voor twee keer drie maanden of twee keer zes maanden. Volgens mij verschillen wij daarover niet zo van mening. We moeten gewoon bekijken wat de ruimte is, ook bij andere landen. Ik zal de Kamer ervan op de hoogte houden wat dat oplevert.

De uitspraak in de zaak-Alimanovic geeft in ieder geval aan in welke gevallen gemeenten melding moeten doen bij de IND bij een bijstandsaanvraag en hoe die melding gedaan moet worden. Volgens mij geeft Alimanovic ons de ruimte om aan de hand daarvan te proberen om het experiment in Rotterdam een stap verder te krijgen. Ik denk dat dat goed is. Wij willen, met alle mitsen en maren en de capaciteitsproblemen, ervoor zorgen dat er adequaat wordt gereageerd, zodat mensen zich niet ten onrechte alleen maar op basis van een behoefte aan een uitkering hier vestigen.

Wij verschillen van mening over de aanpassing van de Detacheringsrichtlijn. Wij denken dat dat nodig is; met «wij» bedoel ik de regering. Wij lobbyen daar hard voor, maar weten dat de VVD-fractie daar anders tegen aankijkt. Dat is gewoon een politiek verschil. Dat sluit aan bij die Randstaddirecteur die zei: we moeten nog 80.000 mensen hiernaartoe halen om in de bouw te gaan werken. Ik denk dat het veel beter is om mensen die dat werk tot voor kort deden weer een kans te geven. Maar dat is alleen maar goed. Politieke verschillen horen bij een democratie. Daar zal de kiezer zich over uitspreken.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zal aan het einde van dit algemeen overleg de gemaakte afspraken samenvatten.

  • Het kabinet heeft naar aanleiding van het behandelvoorbehoud al een brief gestuurd naar de Kamer. Daarin staat bijvoorbeeld de afspraak om de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van de onderhandelingen, in ieder geval in aanvulling op de geannoteerde agenda van de formele en de Informele Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (WSBVC), onderdeel werkgelegenheid en sociaal beleid. Dit betreft de voortgang van zowel de onderhandelingen in de Raad als die met het Europees parlement, inclusief de trialoogfase.

  • De Kamer krijgt een periodieke rapportage in aanvulling op de geannoteerde agenda. Die gaat nader in op de volgende onderwerpen:

    • 1. werkloosheidsuitkeringen, waarbij de financiële gevolgen voor Nederland inzichtelijk worden gemaakt en er aandacht zal zijn voor de periode om met behoud van een werkloosheidsuitkering in een andere EU-lidstaat naar werk te zoeken;

    • 2. uitkeringen bij langdurige zorg;

    • 3. de toegang van economisch inactieve burgers tot sociale voordelen;

    • 4. de coördinatie van sociale zekerheid voor gedetacheerde werknemers waarbij de termijn van de detachering in ogenschouw moet worden genomen;

    • 5. gezinstoelagen, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt wat het woonlandbeginsel zal opleveren bij export van uitkeringen;

    • 6. de toepasselijkheid van de A1-verklaringen;

    • 7. een nadere rapportage over relevante aangenomen moties.

  • De Kamer wordt tijdig geïnformeerd wanneer de Minister voorziet in de onderhandelingen te moeten afwijken van het kabinetsstandpunt zoals weergegeven in het BNC-fiche of zoals vastgelegd is met de Kamer, bijvoorbeeld in een motie of na toezeggingen van de Minister.

  • De Kamer wordt geïnformeerd wanneer er substantiële nieuwe elementen aan de oorspronkelijke voorstellen lijken te worden toegevoegd tijdens de EU-onderhandelingen.

  • De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over opties die voorliggen ter besluitvorming in de Raad en onderliggende overlegfora en die gevolgen hebben voor belangrijke elementen van de voorgestelde richtlijnen en/of de Nederlandse inzet. De Kamer zal op die manier in staat worden gesteld om de inzet nog te bespreken voordat de onderhandelingen in een beslissende of afrondende fase zijn.

  • De Kamer wordt tijdig geïnformeerd zodra een akkoord aanstaande is, zodat het in concept kan worden bestudeerd.

  • Het kabinet stuurt, zodra de onderhandelingen in de Raad WSBVC met het Europees parlement zijn afgerond, een appreciatie naar de Kamer van het uiteindelijk behaalde resultaat in relatie tot de oorspronkelijke, Nederlandse onderhandelingsinzet.

Dat was het. Heeft iemand hier nog iets aan toe te voegen?

De heer Kerstens (PvdA):

Nee, het was hartstikke compleet.

De voorzitter:

Er zal een VAO worden aangevraagd.

Sluiting 16.48 uur.

Naar boven