Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734627 nr. 10

34 627 Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet (voortgang energietransitie)

Nr. 10 AMENDEMENT VAN HET LID JAN VOS C.S.

Ontvangen 16 februari 2017

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

In artikel I, onderdeel A, wordt na het eerste onderdeel een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • 1a. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel ba door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

    bb. netto elektrisch rendement:

    de aan het landelijk hoogspanningsnet geleverde elektriciteit gedeeld door de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen.

II

In artikel I wordt na onderdeel AG een onderdeel ingevoegd, luidende:

AGA

Na artikel 68 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 69

  • 1. Het netto elektrisch rendement van een grote productie-installatie die met steenkool of een combinatie van steenkool en een of meer andere brandstoffen wordt gestookt, is vanaf 1 januari 2031 ten minste 48%.

  • 2. In het geval van levering aan een warmtenet als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Warmtewet, wordt het netto elektrisch rendement, bedoeld in het eerste lid, wat betreft:

    • a. de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen gecorrigeerd voor de energie-inhoud van de brandstoffen die additioneel worden gebruikt in verband met de warmtelevering, of

    • b. de elektriciteitslevering berekend door de aan het landelijk hoogspanningsnet geleverde elektriciteit te verhogen met de elektriciteitsderving als gevolg van de warmtelevering.

  • 3. Het netto elektrisch rendement wordt bepaald over de laatste vijf jaar dat de productie-installatie in bedrijf is geweest of, indien de productie-installatie minder dan vijf jaar in bedrijf is, over de periode dat de productie-installatie elektriciteit heeft geleverd aan het landelijk hoogspanningsnet met een minimum van een jaar.

  • 4. Op verzoek van Onze Minister overlegt degene die de productie-installatie drijft de gegevens over het netto elektrisch rendement van de productie-installatie.

Toelichting

De indieners beogen met dit amendement de energietransitie een impuls te geven en de uitstoot van broeikasgassen versneld terug te dringen. De aanleiding hiervoor is het Klimaatverdrag van Parijs van 12 december 2015 en de door indieners gewenste omschakeling van een samenleving die afhankelijk is van fossiele energie naar een samenleving die draait op duurzame energie.

Kolencentrales zijn meer dan welke andere energieopwekkende installatie verantwoordelijk voor de uitstoot van broeikasgassen. Het is bovendien van belang dat de overheid een onmiskenbaar signaal afgeeft dat de transitie naar een duurzame energietransitie een onomkeerbaar en urgent proces is.

Door middel van dit amendement wordt beoogd de laatste vijf kolencentrales uit te faseren. Voor deze laatste vijf kolencentrales geldt dat zij uiterlijk in 2030 gesloten moeten worden.

De indieners hebben overwogen wat het juiste middel zou moeten zijn om de kolen-exit te bewerkstelligen en daarbij meegewogen dat aan sommige middelen juridische bezwaren kleven. Een energetische rendementsnorm per centrale heeft deze bezwaren niet. Deze norm bestaat al in het Activiteitenbesluit bij de Wet Milieubeheer (art. 5.12a Activiteitenbesluit Milieubeheer).

De indieners beogen deze al bestaande norm verder aan te scherpen, waarbij dus niet een nieuwe juridische norm wordt geïntroduceerd. Het Activiteitenbesluit is al een keer aangescherpt om het Energieakkoord van 2013 te ondersteunen. Toen is een rendementsnorm van 40% vastgelegd. Deze norm willen de indieners nu verhogen naar 48% in 2030. Dit gebeurt door het opnemen van een daartoe strekkend nieuw artikel 70 in de Elektriciteitswet in het hoofdstuk 5 Duurzame elektriciteitsvoorziening. Dit leidt dan, zoals hiervoor genoemd, tot sluiting van de laatste vijf kolencentrales uiterlijk in 2030.

De indieners achten een dergelijke maatregel voorzienbaar, omdat Minister J. Cramer van VROM al in 2007 in antwoorden op Kamervragen heeft aangegeven dat kolencentrales in hun mogelijkheden zullen worden beperkt. In de vergunningen, dan wel in de overwegingen daarbij, zijn voor de laatst geopende drie kolencentrales ook CCS-verplichtingen en CO2-beperkingen opgenomen. Bij het in acht nemen van de ruime overgangsperiodes die in het amendement opgenomen zijn, in combinatie met de voorzienbaarheid van deze maatregel, wordt de kans op nadeelcompensatie hiervoor geminimaliseerd.

Jan Vos Dik-Faber Houwers Klein Monasch