Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734617 nr. 7

34 617 Wijziging van de Wet arbeid en zorg en enkele andere wetten in verband met de uitbreiding van het kraamverlof teneinde de band tussen de partner en het kind te versterken

Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 3 februari 2017

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Het opschrift komt te luiden: Wijziging van de Wet arbeid en zorg en enkele andere wetten in verband met de uitbreiding van het kraamverlof teneinde de band tussen de partner en het kind te versterken en in verband met een aanpassing van het zwangerschap- en bevallingsverlof bij meerlingen.

2

De considerans komt te luiden: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het recht op kraamverlof uit te breiden teneinde de band tussen de partner en het kind te versterken en het zwangerschap- en bevallingsverlof bij meerlingen aan te passen;.

3

In artikel I wordt voor onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

Oa

Aan het slot van de artikelen 3:1, derde lid, 3:8, derde lid, en 3:18, vierde lid, wordt toegevoegd: of, indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, minder dan tien weken heeft bedragen.

4

Aan het slot van artikel VIII wordt toegevoegd: en in verband met een aanpassing van het zwangerschap- en bevallingsverlof bij meerlingen.

5

Artikel IX komt te luiden:

Artikel IX

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Toelichting

Algemeen

Deze nota van wijziging wordt ingediend mede namens de Ministers van Veiligheid en Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Defensie.

De uitbreiding van het zwangerschapsverlof bij de zwangerschap van een meerling («meerlingenverlof») is ingevoerd bij amendement van het lid Heerma1 bij het wetsvoorstel Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden. Reden van deze uitbreiding is de bevordering van de gezondheid van moeder en kinderen tijdens de zwangerschap. De praktijk was dat veel vrouwen zich ziek meldden voorafgaand aan het zwangerschapsverlof. Dat was onwenselijk, omdat de vrouwen feitelijk niet ziek waren. Het ging daarbij niet om een uitzondering; 90 procent van de betrokken vrouwen had zich 4 weken voorafgaand aan het zwangerschapsverlof ziek gemeld. Het amendement waarmee het zwangerschapsverlof bij de zwangerschap van een meerling werd verlengd met 4 weken en dus 10 weken voor de beoogde datum van bevalling ingaat, was in zekere zin dan ook een codificatie van de praktijk waarin de vrouwen na 30 weken zwangerschap stopten met werken. Dit was tevens in lijn met officiële richtlijnen van artsen en verloskundigen, op grond waarvan zwangere vrouwen van een meerling na 26 tot 30 weken volledig zouden moeten stoppen met werken.

Op 1 april 2016 is het meerlingenverlof in werking getreden en sindsdien gaan vrouwen 10 weken voor de beoogde datum van bevalling met zwangerschapsverlof. Het verlof mogen zij nog uitstellen met 2 weken tot aan de 8ste week voor de beoogde datum van bevalling. Op grond van artikel 3.1, derde lid, van de Wet arbeid en zorg, wordt het bevallingsverlof bij vroeggeboorte verlengd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof korter heeft geduurd dan 6 weken. Deze maximale periode van 6 weken komt overeen met de duur van het zwangerschapsverlof bij de zwangerschap van een eenling. Deze maximale periode van 6 weken geldt ook bij vroeggeboorte van een meerling. Het eerdergenoemde amendement voorzag er immers niet in dat bij vroeggeboorte van een meerling het bevallingsverlof werd verlengd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof korter heeft geduurd dan 10 weken.

Nu enkele maanden zijn verstreken sinds de inwerkingtreding van het meerlingenverlof blijkt dat de totale verlofperiode van veel moeders korter duurt dan zij hadden verwacht en korter is dan de totale verlofperiode (inclusief ziekteverzuim) die zij voor de inwerkingtreding van het meerlingenverlof zouden hebben genoten. De reden hiervan is dat de periode van ziekteverzuim tussen de 30ste week van de zwangerschap tot de aanvang van het zwangerschapsverlof nu niet meer als ziekteverlof wordt aangemerkt maar als zwangerschapsverlof. Bij vroeggeboorte resteert daardoor minder zwangerschapsverlof dan voor de inwerkingtreding van het meerlingenverlof en worden minder dagen aan het bevallingsverlof toegevoegd. Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Een tweeling wordt gemiddeld na 37 weken zwangerschap geboren. Voor de inwerkingtreding van het meerlingenverlof genoot de aanstaande moeder vanaf week 30 tot week 34 ziekteverlof (4 weken) en tussen week 34 en week 37 zwangerschapsverlof (3 weken). De resterende 3 weken zwangerschapsverlof werden toegevoegd aan het bevallingsverlof van 10 weken. Totale verlofperiode is dan 4+3+3+10 = 20 weken.

Vanaf de inwerkingtreding van het meerlingenverlof heeft de aanstaande moeder van week 30 tot week 37 zwangerschapsverlof (7 weken). Omdat dit zwangerschapsverlof langer dan 6 weken heeft geduurd, zijn er geen resterende dagen meer die aan het bevallingsverlof worden toegevoegd. Dat blijft staan op 10 weken. De totale verlofperiode is dan 7+10 = 17 weken.

Uit de eerste ervaringsgegevens van UWV blijkt dat slechts 2 procent van de vrouwen die zijn bevallen van een meerling aan de volledige periode van 20 weken verlof zijn toegekomen. De regering gaat ervan uit dat dit niet het effect is dat werd beoogd met het amendement waarbij het meerlingenverlof werd geïntroduceerd. Dit laatste blijkt ook uit de schriftelijke vragen die leden van de Tweede Kamer hebben gesteld en waarin zij verzoeken om de regeling voor meerlingenverlof aan te passen (zie Kamervragen Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nrs. 489 en 492). De onderhavige nota van wijziging bij het wetsvoorstel uitbreiding kraamverlof voorziet in een aanpassing waarmee de artikelen 3.1, derde lid, (werknemers) 3.8, derde lid, (gelijkgestelden) en 3.18, vierde lid, (beroepsbeoefenaren op arbeidsovereenkomst en zelfstandigen) van de Wet arbeid en zorg in lijn worden gebracht met de verlenging van het zwangerschapsverlof bij meerlingen.

Het lid Pieter Heerma (CDA) heeft in zijn Kamervragen (zie eerdergenoemd nr. 492) gevraagd of de regeling van het meerlingenverlof met terugwerkende kracht kan worden aangepast. Ik heb daarop geantwoord mij daarop te beraden en er bij deze nota van wijziging op terug te komen, bij deze doe ik dat.

Omdat het doel van het verlengde zwangerschapsverlof – te weten de bevordering van de gezondheid van moeder en kinderen – niet met terugwerkende kracht gerealiseerd worden en er ook geen sprake is van onjuiste uitvoering van de thans geldende regeling, hetgeen tot terugwerkende kracht zou kunnen nopen –, wordt aan het thans voorliggende voorstel geen terugwerkende kracht toegekend. Nu veel vrouwen uit de doelgroep weer aan het werk zijn, draagt compensatie in de vorm van verlof niet bij aan het realiseren van het doel van het meerlingenverlof. Bovendien zijn er vrouwen gestopt met werken; in dat geval is toekennen van extra verlof niet aan de orde. Zij hebben in plaats van verlengd verlof in het algemeen gewerkt en loon ontvangen of als zelfstandige geld kunnen verdienen. Een financiële compensatieregeling acht ik om die reden dan ook niet nodig.

Overigens geldt voor het onderhavige wetsvoorstel dat het onmiddellijke werking heeft. Dat betekent dat alle vrouwen die bij inwerkingtreding van het onderdeel meerlingenverlof van het wetsvoorstel zwangerschap- of bevallingsverlof genieten profiteren van de uitbreiding van het meerlingenverlof.

Financiële effecten

In de raming van de kosten is destijds rekening gehouden met een volledig gebruik van het extra verlof van vier weken door de vrouwen die zwanger zijn van een meerling, conform de beoogde uitwerking van het amendement van het lid Pieter Heerma. De nu voorgestelde wijziging leidt dan ook niet tot extra uitkeringslasten ten opzichte van de begrote uitgaven. De incidentele uitvoeringskosten voor aanpassingen bij het UWV bedragen € 0,15 miljoen.

UWV uitvoeringstoets

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft aangegeven dat de voorgestelde nota van wijziging, inclusief de voorgestelde onmiddellijke werking, uitvoerbaar en handhaafbaar is. Het is voor UWV mogelijk om de aanpassingen in het meerlingenverlof vanaf 1 april 2018 uit te voeren. Om deze aangepaste regeling uit te voeren is een aanpassing van het uitkeringssysteem noodzakelijk. UWV heeft onderzocht of de aangepaste regeling voor het meerlingenverlof eerder uitgevoerd zou kunnen worden met een handmatige werkwijze. Dat is echter niet uitvoerbaar omdat een dergelijke werkwijze te omslachtig en zeer foutgevoelig zou zijn en in sommige gevallen, aldus UWV, helemaal niet toegepast zou kunnen worden.

Artikelsgewijze toelichting

Onderdelen 1, 2 en 4

Het opschrift, de considerans en het overgangsrechtartikel van het wetsvoorstel zijn aangepast zodat zij aansluiten bij het wetsvoorstel zoals dat komt te luiden na de onderhavige nota van wijziging.

Onderdeel 3

In de gewijzigde artikelen 3.1, derde lid, 3.8, derde lid, en artikel 3.18, vierde lid, wordt het bevallingsverlof verlengd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof korter heeft geduurd dan tien weken indien het een zwangerschap van een meerling betreft.

Onderdeel 5

Op grond van dit artikel kunnen de verschillende artikelen van deze wet op verschillende tijdstippen in werking treden. Hierdoor is het mogelijk de wijzigingen in verband met het meerlingenverlof eerder in werking te laten treden dan de uitbreiding van het kraamverlof. De wijziging van het kraamverlof is, zoals eerder aangegeven, voorzien met ingang van 1 januari 2019. De wijziging van het meerlingenverlof kan met ingang van 1 april 2018 in werking treden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Kamerstukken II 2014/15, 32 855, nr. 24.