34 550 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2017

Nr. 89 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 december 2016

Tijdens de eerste termijn van het Algemeen Overleg met de Vaste Commissie voor Justitie d.d. 30 juni 2016 inzake seksueel misbruik in de Rooms Katholieke Kerk (RKK) zegde ik u toe naar aanleiding van de slotmonitorrapportage van de heer Deetman en na bespreking van die rapportage met de slachtofferorganisaties, de heer Deetman en de vertegenwoordigers van de RKK, met een beleidsreactie te komen (Kamerstuk 34 300 VI, nr. 102).

Leeswijzer

In deze brief zal ik allereerst een korte terugkoppeling geven van de gevoerde gesprekken. Mede aan de hand van de slotmonitorrapportage zal ik een aantal ontwikkelingen in het dossier bespreken en antwoord geven op nog niet beantwoorde vragen uit de eerste termijn van het Algemeen Overleg en de Commissiebrief van 24 maart 2016 over de «geheime schikkingen». Ik zal vervolgens aandacht besteden aan de wijze waarop de RKK klachten behandelt en nog zal behandelen die na 1 mei 2015 werden ingediend. Voorts zal ik aangeven op welke wijze de RKK en de Commissie Deetman voornemens zijn hun archieven open te stellen voor wetenschappelijk onderzoek en aangeven wat de positie is van de overheid ten aanzien van die archieven. Vervolgens zal ik mede namens mijn collega van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een korte reactie geven op het onderzoek naar therapeutische castratie en de tussenevaluatie van de subsidiëring van de organisaties voor de slachtoffers van seksueel geweld. Daarna zal ik onder meer reflecteren op hetgeen de afgelopen jaren is bereikt. Ik zal tot slot aangeven op welke wijze we bij dit dossier betrokken blijven.

De gesprekken met slachtofferorganisaties, de heer Deetman en de RKK

In de afgelopen periode heb ik gesproken met de vertegenwoordigers van de slachtofferorganisaties Mea Culpa United, Vrouwenplatform kerkelijk kindermisbruik (VPKK) en de Koepel landelijk overleg kerkelijk kindermisbruik (KLOKK). De slachtofferorganisaties hebben tijdens dat gesprek onder meer hun zorgen geuit over de archivering, de wijze waarop er door de RKK wordt omgegaan met het bespreekbaar maken van seksueel misbruik en over de behandeling van klachten ter zake van verjaard seksueel misbruik die na 1 mei 2015 werden ingediend. In het gesprek met de vertegenwoordigers van de RKK heb ik voornoemde zorgen van de slachtofferorganisaties, alsmede de vragen van uw Kamer overgebracht. In het gesprek met de heer Deetman heb ik hem mijn grote waardering overgebracht voor zijn inzet in de afgelopen vijf jaar. De heer Deetman heeft tijdens dat gesprek laten weten bereid te zijn met de slachtofferorganisaties te spreken over de archivering van de stukken van de Commissie Deetman en hun vragen dienaangaande te beantwoorden.

De slotmonitorrapportage en slotactie

In de slotmonitorrapportage komt de heer Deetman tot de conclusie dat de RKK verantwoordelijkheid heeft genomen voor het bieden van erkenning, genoegdoening en hulpverlening. Voorts blijkt dat de schadevergoedingsregelingen van de RKK een groot bereik hebben gehad. 98% van de mensen die een klacht hebben ingediend hebben een vorm van erkenning en genoegdoening gekregen. De heer Deetman benadrukt evenwel dat hulpverlening voor slachtoffers een plicht en verantwoordelijkheid is die blijft bestaan na en naast erkenning en genoegdoening. De heer Deetman heeft naar aanleiding van zijn onderzoek naar de bij de schikkingen gebruikte geheimhoudingsclausules de RKK opgeroepen die geheimhouding op te heffen. Zoals u weet heeft de Kardinaal hieraan inmiddels gehoor gegeven en deze oproep binnen de RKK kenbaar gemaakt.

Met betrekking tot de vraag of er (steun-)bewijsmateriaal verloren is gegaan wordt in de slotmonitorrapportage gerapporteerd dat dit niet helemaal is uit te sluiten. De Stichting Beheer en Toezicht inzake seksueel misbruik Rooms-Katholieke Kerk beschikt door de gehanteerde werkwijze in de afgelopen jaren evenwel al over een bij benadering volledig beeld van de tot stand gekomen schikkingen en het daaruit voortvloeiend steunbewijs. Voorts heeft het hoofd van het Meldpunt seksueel misbruik, gelijktijdig met het onderzoek van de heer Deetman, alle schikkingen doorgelicht op mogelijk nog onbekend steunbewijs. Het Meldpunt heeft aan de RKK laten weten dat dit onderzoek geen nieuw steunbewijs heeft opgeleverd. Ook voornoemde oproep van de Kardinaal dat klagers niet gehouden zijn aan de geheimhoudingsbepalingen heeft vooralsnog niet geleid tot nieuw steunbewijs.

In de eerste termijn van het Algemeen Overleg is gevraagd om te reflecteren op de opmerking dat de slotactie zich focust op het erkennen van het leed en niet op het erkennen van de daad. Het is van belang voor ogen te houden dat de slotactie ziet op het bieden van erkenning van en genoegdoening aan degenen wiens klacht ongegrond is verklaard omdat zij niet hebben kunnen voldoen aan het vereiste van aannemelijkheid. Een expliciet oordeel over het misbruik kan dan niet aan de orde zijn. Op advies van de heer Deetman is door de RKK de regeling Slotactie ingesteld. In die regeling staat de authenticiteit van de klacht omtrent het ondergane leed centraal waarmee het slachtoffer toch wordt gehoord.

Openstaande Kamervragen

Ten aanzien van de vraag of slachtoffers onder druk zijn gezet om een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen is in de slotmonitorraportage opgenomen dat dit niet eenduidig te beantwoorden is nu de geheimhoudingsbepalingen in de mediation- en schikkingsovereenkomsten een resultaat zijn geweest van de dynamiek tussen slachtoffers, adviseurs, de aangeklaagden en de mediators. Klagers hebben zich echter bij een groot aantal mediationtrajecten laten begeleiden door (juridisch) adviseurs of door vertegenwoordigers van lotgenotenorganisaties. Zij zagen kennelijk geen bezwaar in deze clausule. Het opnemen van geheimhoudingsclausules bij mediationtrajecten is daarnaast gebruikelijk en er kunnen voor slachtoffers allerlei redenen zijn geweest om geheimhouding te betrachten. De heer Deetman heeft naar aanleiding van zijn onderzoek naar de schikkingen aangegeven feitelijk niet te hebben kunnen vaststellen dat bij de afhandeling van misbruikzaken door overeenkomsten met geheimhoudingsbepalingen sprake was van al dan niet bewust gevoelde druk om specifieke gevallen van seksueel misbruik buiten de openbaarheid te houden

Wat betreft de vraag in hoeverre de ingezette mediators onafhankelijk zijn geweest, is het uitgangspunt dat mediators, uit hoofde van hun functie, onafhankelijk dienen te zijn van de partijen waarvoor zij werken. Ik heb geen reden om te veronderstellen dat van dit uitgangspunt is afgeweken. Voorts is niet gebleken dat de RKK invloed heeft gehad op de keuze van de mediators.

Ten aanzien van de vraag in hoeverre er door de schikkingen voldoende zicht is op aangeklaagden die nog steeds werkzaam zijn voor de Rooms-Katholieke Kerk of elders door kunnen gaan met het plegen van seksueel misbruik, merk ik op dat uit het onderzoek van de heer Deetman niet is gebleken dat er schikkingen zijn getroffen met als doel om bepaalde aangeklaagden buiten het zicht te houden. De RKK geeft aan zicht te hebben op aangeklaagden en dat het veelal gaat om overleden of hoogbejaarde medewerkers die geen functie meer bekleden dan wel niet meer in aanraking komen met kinderen.

Het bespreekbaar maken van seksueel misbruik binnen parochies

De Kardinaal heeft in het gesprek met mij aangegeven dat de RKK er alert op zal zijn dat seksueel misbruik binnen parochies bespreekbaar is en blijft. Zij hebben aangegeven dat slachtoffers en slachtofferorganisaties melding kunnen maken bij het nieuwe Meldpunt seksueel overschrijdend gedrag van signalen dat seksueel misbruik moeilijk bespreekbaar is binnen parochies. De RKK kan deze signalen dan oppakken.

Op de vraag van mevrouw Volp (PvdA) hoe eventuele nieuwe slachtoffers worden begeleid bij het doen van een melding van seksueel misbruik heeft de RKK aangegeven dat het Meldpunt zorgt voor begeleiding en spoedige behandeling van de gemelde klacht(en). Hiervoor is bij het Meldpunt een ervaren juriste werkzaam, die ook betrokken is geweest bij het dossier seksueel misbruik en geweld.

De (preventie-) maatregelen van de RKK

Omdat elk geval van seksueel misbruik er een te veel is, is het van groot belang dat de RKK preventieve maatregelen heeft getroffen en hieraan blijft werken. U heeft mij dan ook gevraagd een overzicht te geven van de preventieve maatregelen die de RKK heeft getroffen. In bijlage 1 treft u een overzicht aan1.

Afspraak voor schrijnende gevallen

Met ingang van 1 mei 2015 is de klachtenregeling ten aanzien van verjaard seksueel misbruik en/of misbruik door een overleden aangeklaagde met toestemming van de rechter beëindigd en is het Meldpunt Grensoverschrijdend gedrag ingesteld. We hebben in de Kamer met elkaar vastgesteld dat na 1 mei 2015 de achterliggende problematiek niet is afgesloten en dat de RKK een verantwoordelijkheid blijft houden voor de slachtoffers. De Kamer heeft dan ook een Kamerbrede motie aangenomen waarin de Kerk wordt opgeroepen slachtoffers die zich pas na het sluiten van de klachtregeling melden, hulp en erkenning te bieden en voor schrijnende gevallen coulance te betrachten ten aanzien van het niet meer kunnen uitkeren van schadevergoeding. Dit punt heb ik opnieuw aan de orde gesteld in mijn gesprek met de vertegenwoordigers van de RKK.

De RKK heeft laten weten dat gewerkt wordt aan een Afspraak voor schrijnende gevallen. Deze is onlangs voor de eerste maal besproken in het Voorzittersoverleg en de slachtofferorganisaties zijn hierover onlangs schriftelijk geïnformeerd. Deze kent de volgende contouren:

  • Voor ieder die zich vanaf 1 mei 2015 meldt als slachtoffer van verjaard seksueel misbruik en/of misbruik door een overleden aangeklaagde blijft hulp beschikbaar;

  • Voor schrijnende gevallen, dat wil zeggen situaties waarin klagers niet in staat of in de gelegenheid waren om voor 1 mei 2015 een klacht in te dienen, zal een mogelijkheid worden geboden om een klacht in te dienen. De klager dient aan te geven welke belemmeringen van geografische, somatische en/of psychiatrische aard het tijdig indienen van de klacht onmogelijk maakten;

  • Een onafhankelijk team van deskundigen toetst de aannemelijkheid van het niet tijdig kunnen indienen van de klacht en beoordeelt, indien dit het geval is, de klacht op basis van de authenticiteit van het leed dat het slachtoffer heeft ondergaan;

  • Dit team adviseert voorts de betreffende bisschop of hogere overste over het toekennen van een genoegdoening. Dit advies wordt opgevolgd. Bij de genoegdoening wordt het referentiekader van de Slotactie gehanteerd.

De behandeling van de schrijnende gevallen zal een belangrijk bespreekpunt zijn in het periodieke voorzittersoverleg. De RKK zal jaarlijks in het toegezegde jaarverslag informatie verstrekken over het beroep op en het gebruik van de voorziening.

De archivering

Wettelijk kader

De Archiefwet 1995 regelt uitsluitend het beheer van archieven van overheidsorganen en andere colleges of personen die met enige openbaar gezag zijn bekleed. Ze strekt zich niet uit tot particuliere archieven. Onder particuliere archieven worden hier verstaan alle archieven die niet door enig overheidsorgaan – in de ruime betekenis – gevormd zijn. Het zijn bescheiden van personen, families, bedrijven, verenigingen, kerkgenootschappen, particuliere instellingen en stichtingen en dergelijke. Op grond van de Archiefwet kunnen particuliere archieven die van bijzonder belang zijn voor de samenleving wel worden overgebracht naar een openbare archiefbewaarplaats. De overdracht van een particulier archief geschiedt bij overeenkomst en op vrijwillige basis. Op dat moment is de Archiefwet op deze gegevens van toepassing. Voor particuliere archieven waarin naar personen te herleiden gegevens voorkomen is de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing. De eigenaren van particuliere archieven zijn op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens zelf verantwoordelijk voor de juiste verwerking van de onder hun verantwoordelijkheid vallende persoonsgegevens.

Zoals ik tijdens de eerste termijn van het Algemeen Overleg en hierboven heb aangegeven heb ik geen zeggenschap over de archieven van de Commissie Deetman en die van de RKK. Ik heb hierover wel met de diverse partijen gesproken en daarbij de wens van de slachtofferorganisaties overgebracht dat alle archieven worden ondergebracht bij het Nationaal Archief. Ik vind het, waar de archieven ook worden beheerd, van groot belang dat de diverse archieven toegankelijk zijn voor wetenschappelijke onderzoek en dat er geen archiefstukken worden vernietigd. In de afgelopen jaren is immers duidelijk geworden hoe belangrijk het is dat wetenschappelijk onderzoek wordt verricht. Ook de Commissie Deetman heeft aangegeven dat de door hen verrichte wetenschappelijke onderzoeken uitvoerig zijn gedocumenteerd juist om ervoor te zorgen dat de onderzoeksbevindingen toetsbaar zijn en andere onderzoekers hierop kunnen voortbouwen.

Archief van de Commissie Deetman

De heer Deetman heeft een uitgebreide aanvulling op de slotmonitorrapportage uitgebracht. Daarin heeft hij aangegeven waarom hij geen overeenstemming heeft bereikt met het Nationaal Archief over de overdracht van het archief van de Commissie Deetman aan het Nationaal Archief. De Stichting Archief Commissie Deetman die begin dit jaar is opgericht, wordt verantwoordelijk voor dit archief. In het bestuur zitten oud-leden van de Commissie Deetman. Met advies van een notaris en een onafhankelijk jurist is een reglement opgesteld dat de inzage in het archief regelt. De heer Deetman geeft aan dat de verschillende delen van het archief van de Commissie Deetman toegankelijk zullen zijn voor wetenschappelijk onderzoek en dat zodra het reglement is vastgesteld een definitief besluit volgt over het archief.

De heer Deetman heeft op mijn verzoek laten weten nog met slachtofferorganisaties te zullen spreken over de archivering en de vragen die op dat punt bij hen leven te zullen beantwoorden. Ik stel het zeer op prijs dat dit gesprek plaatsvindt zodat de zorgen over de archivering kunnen worden weggenomen.

De archieven van de Rooms Katholieke Kerk

De Kardinaal heeft in het gesprek met mij aangegeven dat de RKK bezig is met het opstellen van een Kaderregeling voor de verschillende onderdelen van het archief. Het betreft onder meer de archieven van de Klachtencommissie, Compensatiecommissie, het Platform Hulpverlening en het Meldpunt en de relevante delen uit de archieven van Bisschoppenconferentie en KNR. Deze kaderregeling kent twee belangrijke uitgangspunten: niets wordt vernietigd en het archief wordt opengesteld voor wetenschappelijk onderzoek. De RKK heeft laten weten de opbouw van deze omvangrijke en zeer diverse archieven tot één centraal archief gefaseerd zal plaatsvinden hetgeen een behoorlijke operatie vergt. Vervolgens zal besloten worden waar dit omvangrijke archief zal worden ondergebracht, waarbij het Nationaal Archief tot de mogelijkheden behoort.

Naar aanleiding van de tijdens de eerste termijn door het lid Gesthuizen (SP) gestelde vraag wat er is gebeurd met de gekopieerde bestanden uit de kerkelijke archieven is in de aanvulling op de slotmonitorrapportage aangegeven dat de gekopieerde bestanden uit kerkelijke archieven in overleg met de RKK inmiddels zijn vernietigd. Men volgt de werkwijze dat in het archief van de commissie Deetman beschrijvingen zijn gemaakt van wat is vernietigd zodat onderzoekers de originele stukken gemakkelijk kunnen traceren in het archief van de kerk.

Reactie op onderzoeksrapport Therapeutische Castratie en andere psychiatrische behandelingen van zedendelinquenten 1920–1970

Op verzoek van uw Kamer is wetenschappelijk onderzoek verricht naar de rol van de psychiatrie bij de behandeling van plegers van seksueel misbruik van minderjarigen. Het onderzoek is uitgevoerd door ZonMW en in september 2015 aan uw Kamer aangeboden.

Een belangrijke aanleiding voor het onderzoek naar therapeutische castratie van zedendelinquenten was het rapport Seksueel misbruik van Minderjarigen in de Rooms Katholieke Kerk van de commissie Deetman. Het rapport geeft een goed beeld van de wijze waarop plegers van seksueel misbruik binnen de psychiatrie werden behandeld in de periode 1920–1970. Daarbij ligt de nadruk op het inzetten van chirurgische castratie om de geslachtsdrift te verminderen. Te lezen valt dat in Nederland tussen 1930 en 1968 chirurgische castraties, waarbij de testes operatief worden verwijderd, plaatsvonden als reguliere vorm van therapie in de psychiatrie. Volgens de onderzoekers kan het totale aantal chirurgische castraties dat in Nederland is uitgevoerd niet worden vastgesteld. Binnen het strafrecht blijken wel toegankelijke informatiebronnen beschikbaar te zijn. Op basis hiervan stellen de onderzoekers vast dat er van de 540 gedocumenteerde castraties 384 castraties zijn uitgevoerd bij TBR-verpleegden, zoals tbs-gestelden toen werden genoemd.

Het uitvoeren van chirurgische castraties achtte men indertijd onderdeel van de gangbare medische ethiek. Artsen stelden wel strikte voorwaarden. Alleen als andere therapieën geen resultaat hadden, kon chirurgische castratie worden overwogen. Deze ingreep gebeurde veelal met informed consent. Sinds 1968 worden in Nederland geen chirurgische castraties meer uitgevoerd bij zedendelinquenten. Deze ingreep heeft plaatsgemaakt voor minder ingrijpende behandelmethodieken, waaronder libidoremmende medicatie en cognitieve gedragstherapie.

Het historische onderzoek moet in de context van de morele, juridische en politieke dimensies van die tijd worden geplaatst. Destijds werd een chirurgische castratie als een gewone psychiatrische behandeling gezien om recidive te beperken en de maatschappij te beveiligen. Niettemin vind ik het met de ogen van nu confronterend dat personen nog relatief kort geleden een onomkeerbare castratie hebben ondergaan. Gelukkig is de huidige wetenschap verder en zijn er andere effectieve therapieën en behandelingen beschikbaar, waarmee het (recidive)risico van mensen met een seksuele stoornis tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht.

Tussenevaluatie subsidietoekenning

Tijdens de eerste termijn van het Algemeen Overleg heb ik aangegeven terug te zullen komen op de tussenevaluatie van de subsidieverlening 2012–2017 voor de organisaties van slachtoffers van seksueel geweld. De subsidieverlening heeft plaatsgevonden door de Staatsecretaris van Volksgezondheid Welzijn en Sport en valt daarmee onder zijn verantwoordelijkheid. De betrokken organisaties, te weten Slachtofferhulp Nederland (SHN) en de slachtofferorganisaties KLOKK en SKIP hebben de Staatsecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de zomer schriftelijk laten weten hoe zij in hun organisaties omgaan met de kritiek- en verbeterpunten die in het evaluatierapport van Rebel genoemd zijn.

Voor KLOKK en SKIP loopt de termijn waarvoor een projectsubsidie is verstrekt na 2017 af. Voor de resterende periode in 2016 en 2017 wordt aan de slag gegaan met de verbeterpunten uit het rapport.

Concreet betekent dit onder andere dat KLOKK en SKIP de transparantie van hun organisatie vergroten door verslagen van bestuursvergaderingen op de site te plaatsen, de kwetsbaarheid van KLOKK verkleind wordt door de taken van de directeur te verdelen over meerdere bestuursleden en regulier voortgangsgesprekken met de directeur te voeren. Ook wordt door de organisaties ingezet op een betere samenwerking tussen de diverse slachtofferorganisaties.

Overzicht van de onderzoeken die de afgelopen jaren zijn verricht

Tijdens de eerste termijn van het Algemeen Overleg heeft u mij gevraagd een overzicht te geven van de onderzoeken die op het gebied van seksueel misbruik binnen de RKK hebben plaatsgevonden. In hoofdstuk 3 van de slotmonitorrapportage wordt een uitgebreid overzicht gegeven van de onderzoeken waarnaar ik kortheidshalve verwijs.

In aanvulling daarop noem ik het Oral History project dat op 9 september 2016 is gepresenteerd en dat in opdracht van het Vrouwenplatform Kerkelijk Kindermisbruik en op verzoek van uw Kamer met subsidie van de overheid is uitgevoerd. In het kader van dit project zijn de levensverhalen van een aantal in hun jeugd misbruikte of mishandelde vrouwen opgetekend. Het resultaat bestaat uit zes zeer indrukwekkende video-interviews die inzicht kunnen geven aan hulpverleners, wetenschappers en betrokkenen van de problematiek rond seksueel misbruik en mishandeling in de Rooms Katholieke Kerk (te vinden op www.vpkk.nl).

Voorts is in oktober 2016 in opdracht van het WODC op verzoek van de Kamer het verkennend onderzoek gestart om meer inzicht te verkrijgen in de problematiek van ongehuwd, zwangere vrouwen die tussen 1956 en 1984 afstand deden van hun kind. De verwachting is dat het onderzoek in het voorjaar 2017 gereed zal zijn.

Conclusie ten aanzien van de onderzoeken

Als ik de onderzoeken die zijn verricht in ogenschouw neem, kom ik tot de conclusie dat veel facetten van het pijnlijke drama van het seksueel misbruik binnen de RKK zijn blootgelegd en dat er wat mij betreft geen aspecten zijn blijven liggen. Het uitvoerig wetenschappelijk onderzoek dat door de Commissie Deetman is verricht en de daaropvolgende onderzoeken hebben veel duidelijk gemaakt over de aard en omvang van het seksueel misbruik in de RKK en de wijze waarop daar door de RKK, de samenleving en de justitiële autoriteiten mee is omgegaan. Het onderzoek van de Commissie Deetman richtte zich primair op de rol van de RKK. Dat neemt niet weg dat dit onderzoek, door de uitputtende beschrijving van de vele zaken, ook inzicht biedt in de rol van politie en justitie, ouders of voogden van slachtoffers. Het rapport laat ook zien dat nauwelijks aangifte of melding werd gedaan en zaken zo niet bij de politie of het OM onder de aandacht kwamen. Het doen van aangifte of het aan de kaak stellen van misstanden was niet eenvoudig. Slachtoffers waren bijvoorbeeld bang om hun verhaal te doen of om niet geloofd te worden.

De onderzoeken van de Commissie Archiefonderzoeken naar de rol van het OM en de politie bleken een belangrijke aanvulling te zijn op de onderzoeken van de heer Deetman. Uit het onderzoek naar de OM archieven bleek dat er wel strafrechtelijke onderzoeken hebben plaatsgevonden waaruit veroordelingen zijn gevolgd, maar dat de maatschappelijk status van de geestelijkheid mogelijk invloed heeft gehad op de afhandeling van strafzaken. Mijn ambtsvoorganger heeft tijdens het debat over het eindrapport van de commissie Archiefonderzoek handelen Openbaar Ministerie aangegeven dat, hoewel je moet redeneren vanuit de samenleving zoals die toen was, dit onaanvaardbaar was en heeft hiervoor excuses aangeboden. Uit voornoemde onderzoeken, maar ook uit het onderzoek van de Commissie Samson waarin een hoofdstuk is opgenomen over de reactie van de overheid op signalen van seksueel kindermisbruik, blijkt ook dat op het spreken over seksueel misbruik van minderjarigen tot het eind van de jaren 80 in de gehele Nederlandse samenleving een taboe rustte. Pas vanaf het einde van de jaren 80 ontstond aandacht voor seksueel misbruik van minderjarigen en was het thema seksueel misbruik van minderjarigen niet meer van de politiek agenda weg te denken.

Inmiddels is de samenleving veranderd en is er veel geleerd op het gebied van de aanpak van seksueel misbruik. Zo is de opsporing en vervolging van zedenmisdrijven verder geprofessionaliseerd en bestaat er een landelijk vervolgingsbeleid op dit gebied. De positie van het slachtoffer in het strafproces is eveneens verder versterkt en we hebben er voor gezorgd dat sinds 1 april 2013 ernstige seksuele misdrijven tegen kinderen met een straf van 8 jaar niet meer verjaren, zoals dat eerder wel het geval was.

Centrale regie overheid

De Commissie Deetman trok in het rapport de belangrijke en ronduit confronterende conclusie dat seksueel misbruik zich niet alleen binnen de RKK maar in de volle breedte van de samenleving voordeed. Hij sprak de hoop uit dat seksueel misbruik van minderjarigen de volle aandacht in de samenleving en politiek krijgt. In de beleidsreactie op het rapport van de commissie Deetman heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat de overheid voor zichzelf een belangrijke rol ziet in het voeren van centrale regie op de aanpak van seksueel misbruik.

De afgelopen jaren heeft de overheid veel gedaan op het thema seksueel geweld en misbruik. Voorbeelden hiervan zijn u bekend: de uitvoering van het actieplan Kinderen Veilig 2012–2016, de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik die de uitvoering van maatregelen zal monitoren en aanjagen, de oprichting van Veilig Thuis en deskundigheidsbevordering binnen organisaties als de politie en hulpverlening. Ook de uitbreiding van de taak van de Nationaal rapporteur Mensenhandel met seksueel misbruik is een belangrijke ontwikkeling.

Hulp aan slachtoffers

De hulp aan slachtoffers is verbeterd door diverse initiatieven zoals de hulplijn, «verbreek de stilte» die onder andere is bedoeld voor slachtoffers van seksueel misbruik, lichamelijk of psychisch geweld. Verder bestaan sinds 2012 centra voor seksueel geweld, waar slachtoffers van seksueel geweld zich kunnen melden. Voor de jaren 2016 en 2017 stellen VWS en VenJ gezamenlijk € 4.2 miljoen beschikbaar aan 16 gemeenten om te komen tot een landelijk dekkend netwerk van deze centra.

De aanpak van seksueel misbruik staat nog altijd hoog op de agenda en verdient onze voortdurende aandacht.

Leerpunten uit het proces van de afgelopen vijf jaar

In de afgelopen vijf jaar hebben de media, de slachtofferorganisaties en het parlement een belangrijke aanjagende rol gehad om ten behoeve van de slachtoffers een aantal zaken voor elkaar te krijgen. Het parlement heeft daarbij de grieven van de slachtoffers bij de regering aan de orde gesteld en de regering heeft deze telkens aangekaart bij de RKK. Dit heeft soms tussen betrokkenen voor wrijving gezorgd, maar ik stel vast dat eenieder daarbij naar zijn beste vermogen heeft gehandeld. In verband hiermee is een belangrijk leerpunt dat op voorstel van de Kamer het maandelijks voorzittersoverleg van de BC, KNR en KLOKK is ingesteld, alsmede het jaarlijks overleg met de voorzitters van KLOKK, VPKK en Mea Culpa om op bepaalde punten tot gezamenlijke oplossingen te komen. Hoewel tussen partijen niet altijd overeenstemming bestaat, is de kans groter dat er tussen partijen meer vertrouwen ontstaat en een gedeeld belang gevoeld wordt om problemen en meningsverschillen samen op te lossen.

De Stichting Beheer en Toezicht heeft in een brief van 24 oktober 2016 aangegeven dat het voornemens is rond 1 april 2017 een eindverslag te publiceren waarin wordt teruggeblikt op de gehele periode. Dit eindverslag zal door de Stichting Beheer en Toezicht aan de Kamer worden aangeboden. De klachtencommissie, compensatiecommissie en Platform Hulpverlening hebben eveneens het voornemen zich daarin publiekelijk te verantwoorden voor het gevoerde beleid en de wijze waarop zij zijn omgegaan met commentaar en kritiek zijdens vooral de slachtoffergroepen.

Conclusie

We hebben in het dossier seksueel misbruik in de Rooms Katholieke kerk altijd vier pijlers als uitgangspunt genomen: – het boven tafel krijgen van de waarheid, – de erkenning van hetgeen mensen is overkomen, – adequate hulpverlening en, als sluitstuk, – de mogelijkheid voor compensatie.

Als ik alles overzie kom ik tot de conclusie dat door de inzet van alle partijen veel vooruitgang is geboekt. Ik voeg daaraan toe dat de RKK in Nederland preventieve maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen en de eventueel bestaande zwijgcultuur te doorbreken en heeft aangegeven hier aandacht voor te blijven houden. De overheid blijft zich eveneens inzetten in de strijd tegen seksueel misbruik en geweld tegen kinderen. Ik kan me voorstellen dat die wetenschap van waarde is voor slachtoffers van seksueel misbruik en geweld in de RKK.

Het vervolg

De RKK is ook na het sluiten van het meldpunt op 1 mei 2015 verantwoordelijk voor het verzachten van het leed dat de slachtoffers is aangedaan en heeft laten weten die verantwoordelijkheid te blijven voelen. Wij hebben met elkaar al in een eerder stadium afgesproken de RKK hierin te zullen blijven volgen.

De RKK zal een jaarlijks rapporteren hoe de RKK omgaat met de schrijnende gevallen. Voorts zal in deze rapportage worden opgenomen hoe de RKK verder inzet op preventie en het bespreekbaar blijven maken van seksueel misbruik binnen parochies. Ik zal de Kamer conform de motie van 30 april 2015 (Kamerstuk 34 000 VI, nr. 83) naar aanleiding van voornoemde rapportage van de RKK vervolgens de komende vier jaar jaarlijks informeren over de wijze waarop de RKK invulling geeft aan de zogenaamde schrijnende gevallen nadat ik hierover, indien daar aanleiding toe is, met de Kerkelijke autoriteiten en de slachtofferorganisaties heb gesproken.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

Naar boven