Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634485-XV nr. 3

34 485 XV Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2016 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

Nr. 3 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 20 juni 2016

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 10 juni 2016 voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij brief van 17 juni 2016 zijn ze door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

Adjunct-griffier van de commissie, Van der Linden

1

Zijn de effecten op de begroting van het aangepaste bilaterale socialezekerheidsakkoord met Marokko, dat per oktober 2016 in zal gaan, meegerekend? Zo nee, wat zijn de effecten van dit akkoord?

Antwoord

De budgettaire gevolgen van het aanpassen van het verdrag zijn nog niet in de begroting verwerkt. Het bereikte akkoord leidt tot hogere uitgaven dan opzegging van het verdrag. Deze extra uitgaven lopen op van € 1,2 miljoen in 2017 tot € 5,5 miljoen in 2021. Daarbij is er nog sprake van compensatie met terugwerkende kracht bij mensen voor wie afgelopen jaren het woonlandbeginsel is toegepast. De kosten hiervan bedragen circa € 5 miljoen eenmalig.

2

Kunt u de kasschuif ten behoeve van de voorfinanciering bijstand zoals overeengekomen in het uitwerkingsakkoord verhoogde asielinstroom nader toelichten? Was hier bij de ontwerpbegroting 2016 al wat voor gereserveerd en zo ja, hoe hoog was dit bedrag?

Antwoord

Onvoorziene hogere of lagere bijstanduitgaven in een bepaald jaar worden niet direct verrekend met het aan gemeenten toegekende budget voor dat jaar, maar werken via de realisaties door in het budget voor de jaren daarop.

Vanwege de verhoogde asielinstroom, en als gevolg daarvan hogere uitkeringslasten bijstand die niet direct tot uitdrukking komen in het macrobudget Participatiewet, zouden gemeenten deze extra kosten conform de reguliere systematiek zelf een jaar moeten voorfinancieren. Tegelijkertijd komt de uitstroom van deze groep ook niet direct tot uitdrukking in het macrobudget, waardoor gemeenten op termijn een tijdelijk financieel voordeel hebben. Per saldo ontvangen alle gemeenten samen dus een toereikend macrobudget.

Om de tijdelijke extra last voor gemeenten te verlichten, zijn het Rijk en gemeenten een inter-temporele voorfinanciering vanuit het Rijk overeengekomen.

Bij de ontwerpbegroting 2016 waren hier nog geen middelen voor gereserveerd.

3

Kunt u nader inzicht geven in de totale uitgaven 2016 van de gevolgen van de verhoogde asielinstroom op de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de andere begrotingen?

Antwoord

De eerste suppletoire begroting geeft een overzicht van de mutaties in de uitgaven en ontvangsten ten opzichte van de oorspronkelijk opgestelde begroting, en biedt dus geen totaaloverzicht van kosten. Het eerstvolgende moment waarop – ook voor de andere begrotingen – een totaaloverzicht wordt geboden, is in de ontwerpbegroting 2017.

Mutaties in de eerste suppletoire SZW-begroting, die direct het gevolg zijn van de verhoogde asielinstroom, zijn:

Participatiebudget

140 mln

 

Screening capaciteiten

4 mln

(gemeenten dragen daarnaast ook 4 mln bij)

Voorfinanciering bijstand

85 mln

(kasschuif)

Maatschappelijke begeleiding

51 mln

(hoger volume en ophoging prijs naar € 2.370)

Voorinburgering

25 mln

(hoger volume en ophoging prijs naar € 2.000)

Leningen inburgering

45 mln

(hoger volume en hogere gemiddelde prijs)

Daarnaast dient de bevolkingsprognose van het CBS, waarin rekening wordt gehouden met asielinstroom, als basis voor de ramingen van kindregelingen. Het precieze aandeel van hogere asielinstroom in de uitgaven aan kindregelingen is niet bekend.

4

In hoeverre is de ramingssystematiek kinderopvangtoeslag aangepast om grote schommelingen te voorkomen? IN hoeverre zijn daar externe partijen betrokken bij geweest, zoals het Sociaal Cultureel Planbureau en het Centraal Planbureau?

Antwoord

Bij de 1e suppletoire wet is voor 2016 een ramingsmeevaller kinderopvangtoeslag opgenomen van € 40 miljoen: € 23 miljoen tegenvaller uitgaven en € 63 miljoen meevaller ontvangsten (zie ook toelichting 1e suppletoire wet). Begin 2015 zijn de inzichten uit, eind 2014 beschikbaar gekomen, onderzoek van het CPB en het SCP in de raming verwerkt. Dit heeft vorig voorjaar geleid tot een structurele neerwaartse ramingsbijstelling. Sinds deze aanpassing heeft vervolgens uitvoerige afstemming plaatsgevonden met het CPB over het voorspellen van het gedrag van ouders bij aanpassingen in de toeslagtabel. Dit mede naar aanleiding van de intensiveringen in de kinderopvangtoeslag van structureel € 290 miljoen (vanaf 2016) en structureel € 200 miljoen (vanaf 2017). Echter, het gebruik van kinderopvangtoeslag hangt sterk af van de persoonlijke keuzes en afwegingen van ouders. Het gaat daarbij bijvoorbeeld over de keuzes wie ze voor hun kind willen laten zorgen en hoe zij hun werk en leven indelen. Daarbij zijn ook de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt van invloed. Hierdoor zal, ondanks deze aanpassingen, ook in de toekomst een raming van de uitgaven aan kinderopvang enige onzekerheid blijven kennen. Gegeven deze onzekerheid worden de uitgaven aan kinderopvangtoeslag intensief gemonitord.

5

Heeft de Auditdienst Rijk (ADR) een toets gedaan op de bijdrage aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in verband met de verdere uitwerking van de beoogde nieuwe financieringssystematiek voor de kinderopvangsector (€ 2,733 miljoen)? Zo ja, wat was de strekking van deze toets?

6

Kan u inzicht geven in de totale kosten die gemoeid zijn met de beoogde nieuwe financieringssystematiek, uitgesplitst naar uitgekeerde bekostiging, uitvoeringskosten en transitiekosten? In hoeverre zijn deze kosten budgetneutraal gebleven? In hoeverre is dit verwerkt in de Voorjaarsnota en de daarbij behorende eerste suppletoire begrotingen?

Antwoord op de vragen 5, 6, 18 en 19

Eerder dit jaar heeft het concept wetsvoorstel directe financiering kinderopvang opengestaan voor internetconsultatie en zijn uitvoeringstoetsen uitgevraagd. Naast de standaard uitvoeringstoetsen is ook door het Platform Buitengewone Opsporingsdienst, de ADR, en het BIT respectievelijk gekeken naar de inrichting van de toezichtketen, de uitvoeringskosten en de ICT-infrastructuur. Op dit moment ben ik samen met de betrokken partijen de ontvangen toetsen en reviews aan het bestuderen en vervolgstappen op de ontvangen adviezen aan het formuleren en uitwerken. U zult hierover op korte termijn worden geïnformeerd.

De financiële effecten van de beoogde nieuwe financieringssystematiek maken geen onderdeel uit van de 1e suppletoire begroting met uitzondering van de genoemde € 2,733 miljoen. Dit bedrag is toegevoegd aan het budget voor 2016 ten behoeve van DUO in verband met de voorbereiding op de beoogde nieuwe financieringssystematiek (onderzoek naar technische mogelijkheden, uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving). De toets van de ADR op de uitvoeringskosten richt zich niet specifiek op dit subonderdeel van de financiering.

7

Kunt u de vervanging van het wagenpark van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) nader toelichten? Om hoeveel auto’s gaat het? Hoe kan het dat de vervangingskosten lager zijn dan de inruilwaarde?

Antwoord op vragen 7 en 28

Op 8 januari 2015 is een overeenkomst getekend tussen de staat en Leaseplan voor extern wagenbeheer (EWB) van vrijwel het gehele civiele wagenpark van de rijksoverheid. Deze overeenkomst geldt ook voor de Inspectie SZW.

Als gevolg daarvan vervalt de lopende overeenkomst van de Inspectie SZW waarbij auto’s werden aangeschaft, gekoppeld aan operational lease met een margeverklaring ten aanzien van de inruilwaarde.

Bij de nieuwe Rijksbrede overeenkomst is sprake van financial lease en worden de auto’s dus niet meer aangekocht.

Enerzijds schaft de Inspectie nu geen auto’s meer aan ter vervanging, anderzijds ontvangen we wel de restwaarde van auto’s uit het aflopende contract. Op korte termijn dalen de uitgaven dan ook, op langere termijn stijgen de uitgaven voor dienstauto’s, omdat de rentevergoeding die in de leaseprijs verwerkt zit, voorheen geen deel uitmaakte van de uitgaven.

De Inspectie heeft ruim 450 auto’s in gebruik. Het wagenpark wordt niet ingekrompen.

8

Wat is de reden dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft bijgedragen aan uitgaven in het kader van het EU-voorzitterschap, terwijl de Minister van Buitenlandse Zaken de begroting voor het EU-voorzitterschap beheert?

Antwoord op vragen 8 en 30

Het kabinet heeft ervoor gekozen om alle vergaderingen en conferenties in het kader van het Europees voorzitterschap uit efficiencyoverwegingen op één locatie in Amsterdam te houden: het Scheepvaartmuseum voor de ministeriële bijeenkomsten en het Europagebouw op het voormalige Marine Etablissement voor de ambtelijke bijeenkomsten. De locatiekosten inclusief centrale voorzieningen als tolkencabines worden gefinancierd uit de centrale EU-voorzitterschapsbegroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De overige kosten zoals catering, transport en accommodatie, tolken, vergadertechniek en faciliteiten, geschenken en inhuur specialistisch personeel komen voor rekening van de respectievelijke ministeries.

9

Kunt u tabel B.3.3 uit de begroting SZW (p. 151) in euro's weergeven, in plaats van in procenten?

Antwoord

Onderstaande tabel laat de werkloosheidsval, herintredersval en deeltijdval zien in euro’s. De berekeningen uit deze tabel zijn op basis van de laatste raming van het CPB (KMEV 2017). In alle gevallen wordt uitgegaan van een voltijdbaan (5 dagen), tenzij anders vermeld. Bij de huishoudens onder de herintredersval en deeltijdval wordt uitgegaan van een huishouden met 2 kinderen tussen de 6 en 11 jaar en gebruik van buitenschoolse opvang.

Werkloosheidsval (inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk vanuit een bijstandsuitkering)
 

Vooruitgang in euro’s

 

2015

2016

verschil1

alleenverdiener met kinderen

€ 841

€ 740

€ -102

alleenstaande

€ 2.668

€ 3.573

€ 905

alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)

€ 515

€ 1.374

€ 859

X Noot
1

Vanwege de afronding zijn de waarden niet altijd gelijk aan het verschil van de eerste twee kolommen.

Herintredersval (inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk niet-werkende partner)
 

Vooruitgang in euro’s

 

2015

2016

verschil

hoofd minimumloon, partner 3 dagen werk (0,6xminimumloon)

€ 2.231

€ 3.625

€ 1.395

hoofd modaal partner 3 dagen werk (1/2xmodaal)

€ 11.109

€ 12.959

€ 1.851

hoofd 2xmodaal partner 3 dagen werk (1/2xmodaal)

€ 10.130

€ 11.886

€ 1.757

Deeltijdval minstverdienende partner (inkomensvooruitgang bij dag extra werk)
 

Vooruitgang in euro’s

 

2015

2016

verschil

hoofd minimumloon, partner van 3 naar 4 dagen werk (0,8xminimumloon)

€ 1.296

€ 1.917

€ 621

hoofd modaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3xmodaal)

€ 2.633

€ 3.143

€ 511

hoofd 2xmodaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3xmodaal)

€ 1.792

€ 2.385

€ 593

10

Kunt u een totaaloverzicht geven van de gevolgen van de asielinstroom voor het macrobudget Participatiewet sinds 1 januari 2015?

Antwoord

Hoeveel van het macrobudget Participatiewet in 2015 is uitgegeven aan statushouders is niet bekend. Dit wordt niet afzonderlijk in kaart gebracht. Het CBS heeft onlangs de per saldo instroom in de bijstand in 2015 in kaart gebracht in het persbericht «Bijstand groeit in eerste kwartaal 2016». In dat bericht staat dat er in 2015 per saldo ruim 10 duizend bijstandsontvangers bijkwamen die geboren waren in Syrië. Ook meldt het CBS dat van de Syriërs die in de periode 2013–2015 in de bevolking zijn ingeschreven, nu ongeveer drie kwart bijstand ontvangt. Dit om een idee te geven van de gevolgen van asielinstroom voor het macrobudget Participatiewet. Tegenover deze instroom in de bijstand staat dat statushouders die in eerdere jaren bijstandgerechtigd waren, in 2015 mogelijk weer zijn uitgestroomd uit de bijstand.

11

Kunt u toelichten wat de oorzaak is dat het aantal niet westerse allochtonen dat de AOW-leeftijd bereikt lager is dan wat oorspronkelijk begroot was? Was er rekening gehouden met hogere immigratiecijfers? Zo nee, wat is de oorzaak van deze bijstelling?

Antwoord

De neerwaartse bijstelling is gedaan om goed rekening te houden met de verhoging van de AOW-leeftijd. In de raming van de AIO wordt niet expliciet rekening gehouden met immigratiecijfers.

12

Kunt u toelichten waarom nu onder de post subsidies meer dan 25% van het oorspronkelijk begrote bedrag is verwerkt voor budgettair neutrale kasschuiven 2016–2019 ten behoeve van het ritme van financiering van «subsidies sectorplannen» en Armoedebeleid? Was dit financieringsritme niet bekend ten tijde van de oorspronkelijke begroting? Welk voordeel wordt hier mee behaald?

Antwoord op vragen 12 en 14

De budgettair neutrale kasschuiven/herschikkingen hebben vooral betrekking op een aanpassing van de regeling cofinanciering sectorplannen. Om binnen de sectorplannen betere aansluiting te krijgen bij de duur van de BBL-trajecten is de mogelijkheid geboden om de plannen met maximaal een jaar te verlengen. Daarnaast hebben de sectorplannen de mogelijkheid gekregen om maatregelen binnen het project een half jaar te verlengen. Verder worden er minder voorschotten aangevraagd dan eerder geraamd.

Ten tijde van het opstellen van de oorspronkelijke begroting was het huidige financieringsritme nog niet bekend. Toen stond het derde aanvraagtijdvak voor de sectorplannen nog open en waren neerwaartse herzieningen van eerdere subsidieverleningen nog niet bekend.

Het voordeel van deze kasschuiven/herschikkingen is dat de kasbudgetten beschikbaar zijn in de jaren, dat de aanvragers die middelen nodig hebben.

13

Kunt u het kasritme van alle middelen voor de sectorplannen in een tabel uiteen zetten? Kunt u hierin de vergelijking maken met het kasritme zoals bedoeld in het sociaal akkoord?

Antwoord

In onderstaande tabel is een weergave gegeven van het oorspronkelijke budget uit het sociaal akkoord (€ 590 mln. excl. uitvoeringskosten), de realisaties van 2014 en 2015 en het huidige kasritme voor de jaren 2016–2019.

Daarnaast is het deel van de beschikbare middelen dat niet meer benut wordt ingezet voor de motie Kerstens (€ 30 mln.) en de Doorstart naar nieuw werk (€ 120 mln.) zoals gemeld in de brief «Doorstart naar nieuw werk» van 30 november 2015.

(in mln. euro's)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Totaal

Sociaal akkoord (excl. uitvoeringskosten)

294

296

       

590

Realisatie

74

69

       

143

Huidig kasritme

   

108

106

43

40

297

             

Motie Kerstens (sectorplan WSW)

 

30

       

30

Doorstart naar nieuw werk

   

31

56

33

 

120

14

Waarom worden er weer subsidies voor sectorplannen naar latere jaren geschoven?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 12.

15

Kunt u de cijfers van de omhoog gestelde uitkeringslasten Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en het omlaag gestelde re-integratiebudget Wajong nader toelichten?

Antwoord

De toename in uitkeringslasten in 2016 is toe te wijzen aan de opwaartse bijstelling van de gemiddelde jaaruitkering. Deze bijstelling is het gevolg van o.a. een verschuiving van het aantal personen met een studieregeling naar de uitkeringsregeling. Onder de uitkeringsregeling ontvangen ze een hogere uitkering dan onder de studieregeling. Een andere oorzaak is de afname van het aandeel jongeren onder de 23 jaar, van wie de uitkeringshoogte is gebaseerd op het jeugdminimumloon. Vanwege het ouder worden van de Wajong-populatie krijgt iedereen op termijn een uitkering gekoppeld aan het volwassen minimumloon.

Het re-integratiebudget Wajong 2016 is naar beneden bijgesteld op basis van de verwachte uitgaven voor re-integratie Wajong door het UWV. UWV heeft overigens geen re-integratietrajecten dan wel werkvoorzieningen geweigerd met als reden tekort op het budget.

16

Gezien de structurele verlaging van de raming kinderopvangtoeslag dit jaar en de grote schommelingen in de ramingssystematiek afgelopen jaren, kunt u aangeven in hoeverre deze verlaging gebeurd is om schommelingen te voorkomen en in hoeverre dit andere oorzaken heeft? Is deze aanpassing in samenspraak gebeurd met externe partijen?

Antwoord

Dit jaar, in de 1e suppletoire wet, is er geen structurele verlaging van de raming voor de kinderopvangtoeslag geweest. Voor de resterende beantwoording van de vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.

17

Kunt u toelichten wat de reden is van de hoger dan verwachte ontvangen terugvorderingen over 2013 en 2014? Op welke basis worden de oorspronkelijke ontvangsten begroot? Wordt een gedeelte van de terugvorderingen afgeschreven?

Antwoord

De geraamde ontvangsten worden begroot op basis van de realisatiecijfers van de Belastingdienst. Na definitieve toekenning wordt duidelijk wat het daadwerkelijke recht van huishoudens op kinderopvangtoeslag is geweest. Inmiddels zijn 2013 en 2014 grotendeels definitief beschikt en is er een goed beeld van de hoogte van de terugvorderingen en nabetalingen over deze toeslagjaren. De hogere verwachte ontvangsten hangen samen met te veel aangevraagde kinderopvangtoeslag. In 2013 wordt dit deels verklaard door het vervallen van toeslag voor de hoogste inkomens voor het kind met de meest opvanguren1. In 2014 is voor meer uren kinderopvangtoeslag aangevraagd dan uiteindelijk bleek afgenomen. Vanwege versnelling in het uitvoeringsproces komen de terugontvangsten over 2013 en 2014 naar verwachting eerder binnen en concentreert de meevaller zich in 2016. Een deel van de ingestelde vorderingen zal oninbaar blijken en daarmee wordt ook rekening gehouden in de ramingen.

18

Kunt u toelichten waarom, ondanks toezeggingen eerder dit jaar, de Kamer nog geen enkele toets of review over de beoogde nieuwe financieringssystematiek voor de kinderopvangsector heeft ontvangen? Zijn deze toetsen reeds uitgevoerd? Zo ja, wat waren de resultaten van deze toetsen en wanneer kan de Kamer deze verwachten?

Antwoord

Zie antwoord op vraag 5.

19

Kunt u een duidelijk overzicht geven van de kosten die gemoeid zijn met de nieuwe financieringssystematiek? Zijn deze kosten budgetneutraal gebleven?

Zie antwoord op vraag 5.

20

Kunt u toelichten wat wordt verstaan onder het benaderen van mensen om de korting terug te draaien «die in 2013 en 2014 zijn gekort op hun partnertoeslag in het kader van de Algemene Ouderdomswet (AOW), overbruggingsuitkering of uitkering in het kader van de Algemene Nabestaandenwet (ANW) vanwege eenmalige afkoop van een klein pensioen»? Waarom gebeurt dit?

Antwoord

De Staatssecretaris heeft de Sociale Verzekeringsbank uit coulance-overwegingen verzocht besluiten ten aanzien van de afkoop van kleine pensioenen over de jaren 2013 en 2014 volledig te herzien aan de hand van het met ingang van 1 december 2014 geldende Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Uw Kamer is hier per brief (Kamerstuk 32 043, nr. 299) van 18 januari 2016 over geïnformeerd.

21

Kunt u toelichten wat wordt verstaan onder «restituties die betrekking hebben op verrekeningen inzake betaalde rijksvergoedingen Overbruggingsregeling in het kader van de Algemene Ouderdomswet (AOW) in 2015»? Waarom gebeurt dit?

22

Kunt u toelichten wat wordt verstaan onder «restituties die betrekking hebben op verrekeningen inzake betaalde rijksvergoedingen Uitvoeringskosten Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en Sociale Verzekeringsbank (SVB) in 2015»? Waarom gebeurt dit?

Antwoord vragen 21 en 22

De uitkeringslasten en uitvoeringskosten van begrotingsgefinancierde wetten en regelingen worden gedurende het jaar bevoorschot aan UWV en de SVB en achteraf op basis van realisaties exact afgerekend. Dit leidt tot nabetalingen en terugontvangsten in 2016. Bij de OBR was er bijvoorbeeld gedurende 2015 circa € 6,4 miljoen bevoorschot, terwijl de totale uitgaven in dat jaar circa € 4,3 miljoen bedroegen. Dit heeft voor de OBR geleid tot een terugontvangst van circa € 2,1 miljoen.

23

Waarom wordt er een «budgettair neutrale herschikking tussen begrotings- en premiegefinancierde uitvoeringskosten van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeriingen (UWV)» gedaan? Is dit toegestaan onder de begrotingsregels? Kunt u het verschil van € 40,293 miljoen wat hiermee gepaard gaat nader toelichten?

Antwoord

De uitvoeringskosten van het UWV worden gebudgetteerd op totaalniveau maar komen ten laste van diverse fondsen en rijksbijdragen conform Wet suwi. Dit leidt binnen de SZW-begroting tot een onderscheid tussen begrotingsgefinancierde – en premiegefinancierde uitvoeringkosten. Indien uit informatie van het UWV blijkt dat de relatieve verdeling tussen begrotingsgefinancierde – en premiegefinancierde uitvoeringkosten wijzigt, dan leidt dat binnen de SZW-begroting tot een budgetneutrale herschikking tussen deze twee posten. Dit is toegestaan onder de begrotingsregels. De mutatie van € 40,293 miljoen betreft grotendeels een neerwaartse bijstelling van de geraamde begrotingsgefinancierde uitvoeringskosten Wajong en een opwaartse bijstelling van de premiegefinancierde uitvoeringkosten WW, ZW en WIA.

24

Hoe groot is de taakstelling die nog niet is ingevuld bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) voor de jaren 2016, 2017 en 2018? Op welke wijze gaat deze worden ingevuld?

Antwoord

Uit de regeerakkoorden Rutte/Verhagen en Rutte/Asscher vloeit een taakstelling op de uitvoeringskosten van het UWV voort oplopend van € 31 miljoen in 2016, € 66 miljoen in 2017, tot structureel € 88 miljoen vanaf 2018. Voor 2016 is deze taakstelling volledig ingevuld binnen het jaarplan UWV 2016, dat ik uw Kamer op 10 februari jl. heb doen toekomen. Deze besparingen hebben grotendeels een structureel karakter. Over de invulling van een deel van de taakstelling in 2017 en verder ben ik op dit moment nog in gesprek met UWV. Gezamenlijk onderzoeken wij daarbij eventuele besparingsmogelijkheden als gevolg van een meer doelmatige uitvoering, vereenvoudiging van wet- en regelgeving en versobering van taken en dienstverlening. De uitkomst van deze gesprekken verwerkt UWV in de jaarplannen voor 2017 en 2018, die ik zoals gebruikelijk aan uw Kamer zal aanbieden.

25

Kunt u toelichten waar maatschappelijke begeleiding precies uit bestaat en wat het verschil is met inburgering?

Antwoord

Maatschappelijke begeleiding is bedoeld om praktische hulp te bieden aan asielmigranten (en hun na gereisde gezinsleden), waarbij gedacht kan worden aan praktische bewegwijzering in de gemeente en toeleiding naar inburgering.

Daarnaast is er ook ruimte voor begeleiding met het oog op het stimuleren van integratie en participatie. Het participatieverklaringstraject maakt onderdeel uit van de maatschappelijke begeleiding en omvat het volgen van een inleiding in de Nederlandse kernwaarden en de ondertekening van de participatieverklaring.

Gemeenten zijn grotendeels vrij in de invulling van de maatschappelijke begeleiding. Dit om de maatschappelijke begeleiding aan te laten sluiten bij de lokale behoeften, alsmede de behoeften van de specifieke inburgeringsplichtige. De maatschappelijke begeleiding vindt aan het begin van de inburgering plaats.

26

Kunt u toelichten wat er precies verstaan wordt onder voorinburgering?

Antwoord

De voorinburgering is een programma dat wordt aangeboden door het COA – in opdracht van het Ministerie van SZW – aan vergunninghouders dat hen voorbereidt op het leven in de gemeente en op de inburgeringsplicht.

Het programma bestaat uit:

  • 1. Taalprogramma (nadruk op beheersing op A1 niveau);

  • 2. Training elementaire Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) (begrippen eigen verantwoordelijkheid en eigen initiatief vormen de rode draad, focus ligt op kennis die direct van belang is voor de eerste fase van huisvesting in de gemeente);

  • 3. Persoonlijke begeleiding, dossiervorming (gericht op de persoonlijke situatie van de vergunninghouder).

Het programma is voor de deelnemers vrijwillig en gratis.

27

Gezien het beoogde doel van het gezamenlijke financiële systeem 3F, namelijk het beter en efficiënter maken van het financieel beheer van de betrokken ministeries, hoe komt deze verbetering tot uiting in de begroting? Zijn er (in de toekomst) besparingen te realiseren door de integratie van de financiële systemen van de drie betrokken ministeries? Zo ja, op welke termijn en onder welke posten kan de Kamer deze besparingen terug zien in de toekomst?

Antwoord

Het gebruik van een gezamenlijk financieel systeem door de departementen (SZW, OCW, VWS, FIN en vanaf 1 januari 2017 ook BZK) komt tot uiting in lagere beheer- en ontwikkelkosten per departement. Deze staan bij SZW op artikel 96 onder externe inhuur, automatisering en bijdrage SSO’s. SZW is in 2012 aangesloten op het gezamenlijke financiële systeem. Daarnaast leidt de samenwerking op het voeren van de financiële administratie tot lagere uitgaven voor personeel voor de deelnemende departementen. Het Financieel Dienstencentrum (FDC) voert sinds 2015 de administratie voor het kerndepartement SZW, VWS en FIN en op termijn ook voor OCW en BZK. De totale personeelskosten van het FDC staan bij SZW, als eigenaar, in de begroting op artikel 96.

28

Kunt u aangeven hoe het mogelijk is dat de inruilwaarde van het wagenpark van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) hoger uitvalt dan de kosten voor de vervanging van het wagenpark? Wordt het wagenpark ingekrompen?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 7.

29

Kunt u toelichten welke invulling er gegeven wordt aan de 1,995 miljoen die er begroot is voor de taakstelling Rutte-II?

Antwoord

Aan dit bedrag wordt met name invulling gegeven door inzet van de opbrengst van de versterking van de effectiviteit van de opsporing en de verbetering van het opsporingsproces bij de Inspectie SZW en het niet volledig gebruiken van de ontvangen eindejaarsmarge.

30

Kunt u toelichten waar de bijdrage voor het EU-voorzitterschap aan besteed is? Waarom valt dit niet onder de EU-voorzitterschapsbegroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 8.


X Noot
1

In de kinderopvang bestaat een zogenoemde eerste kindtabel voor het kind met de meeste opvanguren. Voor volgende kinderen geldt de zogenoemde tweede kindtabel. In 2013 is het toeslagpercentage in de eerste kindtabel voor de hoogste inkomens op 0 gesteld.