Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734473-(R2069) nr. 6

34 473 (R 2069) Goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 8 april 1979 te Wenen tot stand gekomen Statuut van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 29 september 2016

Algemeen

De regering dankt de algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor haar verslag van 9 juni 2016 met betrekking tot het voorstel van rijkswet tot goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 8 april 1979 te Wenen tot stand gekomen Statuut van de organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling (UNIDO).

De regering heeft kennis genomen van de mededeling van de leden van de PvdA-fractie en de CDA-fractie dat het voorliggende wetsvoorstel hen geen aanleiding geeft tot het stellen van vragen of opmerkingen.

Tevens is met belangstelling kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie en de D66-fractie. In deze nota naar aanleiding van het verslag worden de betreffende vragen beantwoord.

Toelichting bij de opzegging

De scorekaarten

De leden van de VVD-fractie merken op dat de scorekaarten evenmin een rooskleurig beeld laten zien bij onder andere UN-Habitat. «De relevantie van UN-Habitat voor het beleid op het gebied van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is hoogstens beperkt voor enkele deelaspecten», zo lezen deze leden in de laatste scorekaart. Toch gaat daar blijkens de antwoorden op de feitelijke vragen bij het jaarverslag 2015 nog 2 miljoen euro naartoe. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering een reflectie kan geven op deze bijdrage. Is de regering voornemens om ook deze bijdrage stop te zetten, gezien de overeenkomsten met de casus UNIDO?

Nederland beëindigde in 2009 de ongeoormerkte bijdrage aan UN-Habitat vanwege de geringe effectiviteit van de organisatie en besloot geen nieuwe verplichtingen aan te gaan. Dit beleid staat nog altijd, met de nuancering dat financiering met gedelegeerde fondsen mogelijk is als in het desbetreffende land geen alternatief kanaal voorhanden is. Dat is het geval bij de Nederlandse bijdrage van EUR 2 miljoen, waaraan in de vraag wordt gerefereerd, voor het «Afghanistan Urban Peacebuilding programme». Met dit programma voor vredesopbouw werkt UN-Habitat aan de dialoog tussen gemeenschappen, lokale overheden en politie op het gebied van veiligheid en vredesopbouw en de legitimiteit van de overheid. Vanwege het kwalitatief hoogstaande voorstel en de complementariteit met het werk van «The Asia Foundation» (TAF) en «Gesellschaft fur Internationale Zusammenarbeit» (GIZ), waarmee Nederland ook samenwerkt, is in dit geval een uitzondering gemaakt voor UN-Habitat. UN-Habitat beschikt over jarenlange ervaring in Afghanistan en over stevige uitvoeringscapaciteit ter plaatse. De Nederlandse financiering loopt tot 2017 (Kamerstukken II, 2014–2015, 27 925, nr. 533).

De leden van de D66-fractie constateren dat de United Nations Industrial Development Organization (UNIDO) op de scorekaart, opgesteld door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet goed scoort, net als andere multilaterale organisaties. UNIDO scoort gemiddeld een 2,75; vijf andere organisatie scoren ook onder een 3 gemiddeld. Drie organisaties scoren gemiddeld lager dan UNIDO, te weten: UN Habitat, UNCTAD en de WHO. Kan de regering nader toelichten waarom zij het Statuut van UNIDO wil opzeggen en die van de drie andere slecht scorende organisaties niet?

De regering baseert de bijdrage aan multilaterale organisaties op grond van de relevantie van het mandaat van de organisatie voor de beleidsdoelen van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking en hun effectiviteit. Daarnaast wordt bezien of zij een breder Nederlands beleidsbelang dienen en/of zij door hun aard en omvang een belangrijke schakel in het mondiale ontwikkelingssysteem zijn. UNIDO voldoet niet of niet in voldoende mate aan deze criteria en daarom wenst de regering de bijdrage tot het uiterste minimum terug te brengen. Aangezien UNIDO een verdragsorganisatie is met verplichte verdragscontributies, is opzegging van het Statuut de enige mogelijkheid om dit te bereiken.

UNCTAD richt zich op hulp, handel en investeringen en daarmee is deze organisatie (in potentie) een relevante partner. Uit de scorekaart uit 2015 blijkt echter dat UNCTAD vaak inefficiënt opereert en strategische sturing ontbeert. Nederland draagt daarom alleen bij aan die onderdelen en programma’s die wel goed functioneren, zoals de investeringsdivisie en een schuldverlichtingsprogramma voor ontwikkelingslanden. De huidige Secretaris-Generaal van UNCTAD heeft inmiddels ingezet op een hervormingsagenda.

De WHO is de belangrijkste VN-organisatie op het gebied van gezondheid. Deze organisatie speelt een essentiële en unieke rol bij het opstellen van wereldwijde normen en standaarden, bij het versterken van nationale gezondheidssystemen en bij de aanpak van grensoverschrijdende bedreigingen. De WHO is een belangrijke partner op Nederlandse prioriteiten zoals verspreiding van geneesmiddelen, tegengaan van antimicrobiële resistentie en bevordering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Op het gebied van strategie, resultaatgericht werken, personeelsbeleid, evaluatie en financieel beheer laat de organisatie al vooruitgang zien. Nederland en gelijkgezinde landen zullen de komende tijd blijven inzetten op een duurzaam en structureel financieringsmodel en een heldere, efficiënte aansturing van de organisatie.

Zoals hiervoor aangegeven is de reguliere, ongeoormerkte bijdrage aan UN-Habitat reeds in 2009 stopgezet.

De leden van de D66-fractie merken verder op dat veel multilaterale organisaties die tot familie van de Verenigde Naties (VN) behoren slecht scoren op gebieden als beleidsevaluatie, de effectiviteit van de bestuursorganen en resultaatgerichtheid. Dat bleek laatst ook bij het voornemen tot beleidsdoorlichting door de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) van het VN-kanaal. Aan de regering wordt gevraagd hoe zij deze tekortkomingen bij UNIDO waardeert in de context van de prestaties van andere VN-organisaties. Welke acties gaat de regering ondernemen om de prestaties van de multilaterale organisaties VN-breed te verbeteren? Hoe gaat dat tot resultaat leiden?

In de brief van 19 juni 2015 over de multilaterale scorekaarten toont de regering aan dat een aantal VN-organisaties op de genoemde terreinen voldoende tot goed scoort, bijvoorbeeld WFP, UNEP, UNDP, UNFPA, UNICEF, UNODC en UNWomen (Kamerstukken II 2014–2015, 33 625, nr. 170). UNIDO scoort op het terrein van strategie en focus onvoldoende, op resultaatssturing matig en op evaluatie goed. Op twee van de terreinen scoort UNIDO derhalve duidelijk minder dan de genoemde organisaties.

De regering zet zich dit jaar in het kader van een vierjaarlijkse resolutie over de richtlijnen voor VN-organisaties, de zogenaamde «Quadrennial Comprehensive Policy Review 2016» in voor de verbetering van het functioneren van het VN-ontwikkelingssysteem en de VN-organisaties. De focus van Nederland ligt hierbij ondermeer op betere onderlinge samenwerking (Delivering as One, One UN) en grotere effectiviteit, betere, voorspelbare en flexibele, meerjarige financiering, het betrekken van andere stakeholders door het aangaan van partnerschappen, en betere aansluiting tussen humanitaire en ontwikkelingsactiviteiten. Als lid van het «Multilateral Organization Performance Assessment Framework» (MOPAN) werkt Nederland voorts nauw samen met andere donoren aan de beoordeling van multilaterale organisaties. Deze beoordeling biedt de organisaties een instrument dat hen in staat stelt zich te verbeteren en betere resultaten te behalen. Daarnaast zal ons land afzonderlijke VN-organisaties tijdens de periodieke uitvoerende raden blijven aansporen en monitoren om efficiëntie en effectiviteit te vergroten op de terreinen strategie en focus, resultaatssturing, bestuurs- en beheersorganen, beleidsevaluaties, personeels- en financieel beheer en corruptie- en fraudebestrijding. Dat deze inzet resultaten afwerpt blijkt bij UNHCR, dat mede op aandringen van Nederland stappen heeft genomen om de personeelsvoorziening in crisisgebieden te bespoedigen. Een goed resultaat is ook de hoge score van verschillende VN-organisaties bij de uitvoering van het de richtlijnen van het «International Aid Transparency Initiative» (IATI). UNDP en UNICEF staan op respectievelijk nummer 1 en nummer 3 in de index.

Effectiviteit UNIDO

De leden van de D66-fractie lezen dat de regering het Statuut van UNIDO op wil zeggen omdat de organisatie niet voldoet aan de criteria op het gebied van efficiëntie c.q. effectiviteit en omdat de doelstelling van de organisatie niet in voldoende mate aansluit op het bredere Nederlandse beleidsbelang. Hoe beoordeelt de regering in dat licht het recent door UNIDO aangenomen Medium-Term Programme Framework (MTPF)? Toont dat niet een wil aan ten aanzien van de strategie en focus van de organisatie zodat zij in staat zal zijn haar ambities mede door Nederland onderschreven te verwezenlijken? En hoe beoordeelt de regering de evaluaties van andere lidstaten die een positiever oordeel hebben over het functioneren van UNIDO?

Het «Medium Term Programme Framework» (MTPF 2016–2019) beoogt de «Lima Declaration» voor inclusieve duurzame industriële ontwikkeling te implementeren. De regering meent dat dit raamwerk een goede basis kan bieden voor de verbetering van effectiviteit en efficiency. Een eerste beoordeling van de resultaten kan pas plaatsvinden in juni 2017 wanneer de Directeur-Generaal rapporteert over het eerste jaar van uitvoering (2016). De regering verwacht echter dat tastbare resultaten langer op zich zullen laten wachten omdat ook andere factoren zoals verbetering van de versnipperde werkwijze op landenniveau aan betere resultaten zullen moeten bijdragen.

Hiermee voldoet het mandaat van UNIDO echter nog niet aan de tweede voorwaarde voor financiering van Nederland, namelijk relevantie voor het Nederlandse speerpuntenbeleid van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking.

Het oordeel over UNIDO in de Nederlandse scorekaart is mede gebaseerd op evaluaties van Noorwegen, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. De regering beschouwt de positieve constateringen van Noorwegen over UNIDO mede in het licht van de Noorse beleidsprioriteiten waarvan industriële ontwikkeling deel uitmaakt.

Relevantie UNIDO

De leden van de D66-fractie constateren dat de regering het werk van UNIDO als onvoldoende relevant beoordeelt voor het behalen van Nederlandse beleidsdoelen. De regering wordt verzocht per beleidsdoel aan te geven of zij de werkzaamheden en missie van UNIDO, wel, niet of beperkt relevant vinden en welke inzet Nederland gepleegd heeft hierin verbetering te doen plaatsvinden. Wanneer de regering de inzet van UNIDO bij een beleidsdoel als wel of beperkt relevant beoordeelt, kan zij dan toelichten welke andere multilaterale organisaties hier beter op aansluiten? Aansluitend daarop vragen deze leden waar het nu beschikbare budget voor UNIDO na aanname van dit wetsvoorstel aan besteed zal gaan worden. Deze leden ontvangen graag een concrete specificering hiervan.

De regering heeft zich bij elk van de acht prioritaire thema’s van de beleidsagenda voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de vraag gesteld hoe relevant de multilaterale organisaties zijn voor het behalen van resultaten op deze thema’s. Dit betreft voedselzekerheid, water, veiligheid & rechtsorde, SRGR/hiv/aids, gendergelijkheid, klimaat, private sectorontwikkeling en humanitaire hulp. Het resultaat daarvan is voor alle beoordeelde multilaterale organisaties vastgelegd in scorekaarten. Zoals uit de betreffende scorekaart blijkt, is UNIDO relevant voor het thema private sectorontwikkeling en beperkt relevant voor de thema’s voedselzekerheid, water, gendergelijkheid en klimaat. Voor veiligheid & rechtsorde, SRGR/hiv/aids en humanitaire hulp is UNIDO niet relevant.

Voorts heeft de regering in de reeds genoemde brief van 19 juni 2015 over de scorekaarten een overzicht gegeven van de relevantie van alle multilaterale organisaties voor de acht prioritaire beleidsthema’s. Hieruit blijkt dat het overgrote deel van de organisaties waarmee wordt samengewerkt, relevant is voor meerdere van deze thema’s. Uitschieters zijn de Wereldbank, IFC en UNICEF, die voor bijna alle prioriteiten een relevante, wereldwijde speler zijn.

De missie van UNIDO is vastgelegd in de eerder genoemde «Lima Declaration» (2013). Hiermee beoogt UNIDO de bevordering van duurzame en inclusieve industriële ontwikkeling. Nederland heeft echter beleidskeuzes gemaakt (zie hierboven de opsomming van de prioritaire thema’s), waar een actievere inzet op UNIDO niet in past.

Over de besteding van de vrijvallende middelen na opzegging van het Statuut kan de regering eerst een voorstel doen in de begrotingsvoorbereiding van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor 2018 op grond van de dan geldende prioriteiten en «overall» beschikbare middelen. De Nederlandse bijdrage voor 2017 moet nog aan UNIDO worden afgedragen.

De leden van de D66-fractie geven aan te begrijpen van UNIDO dat zij de afgelopen jaren haar missie heeft herijkt, mede door duurzaamheid een centralere rol te geven in haar programma’s en de doelen op het gebied van gendergelijkheid naar boven bij te stellen. In de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel vinden deze leden van dat proces nog weinig terug. Zij vragen of de regering daar nader op kan ingaan en daarbij mede kan ingaan op de wijze waarop Nederland en UNIDO voornemens zijn de Sustainable Development Goals in te vullen.

De regering waardeert de inzet van UNIDO ter bevordering van verdere inclusiviteit en verduurzaming van hun inspanningen, zoals vastgelegd in de «Lima Declaration» en het «Medium Term Programme Framework» (MPTF) 2016–2019. Dit geldt ook voor de «gendermainstreaming» in de activiteiten die uit hun mandaat voortvloeien. Dit is in lijn met de «United Nations System-wide Action Plan on Gender Equality» (SWAP). Nederland zet hier bij alle multilaterale organisaties op in.

De wijze waarop UNIDO zal bijdragen aan de «Global Goals» is vastgelegd in het programma (MPTF) 2016–2019. Dit programma richt zich op «Inclusive and sustainable industrial development». De instrumenten die hiervoor worden ingezet zijn technische assistentie, gestructureerd en breder industrieel beleidsadvies aan landen in het partnerschapsprogramma, partnerschappen en onderzoek en verspreiding van informatie, in het bijzonder door middel van het jaarlijkse Industrial Development Report.

Voor een uiteenzetting van de wijze waarop de regering uitvoering zal geven aan de «Global Goals» in Nederland wordt verwezen naar de brief van 24 mei 2016 aan de Tweede Kamer, Kamerstukken II 2015–2016, 33 625, nr. 213. In deze brief gaat de regering in op de inhoudelijke en procedurele uitvoering en de wijze waarop gerapporteerd zal worden over de voortgang.

Overig

De leden van de VVD-fractie lezen dat opzegging van het Statuut geen gevolgen zal hebben voor de recentelijk tot stand gekomen partnerschappen in het kader van private sectorontwikkeling. Zij vragen of de opzegging van het Statuut in het geheel geen gevolgen heeft voor het Nederlandse bedrijfsleven.

Met betrekking tot de gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven wijst de regering er op dat individuele bedrijven, zoals Heineken en Philips, en instellingen desgewenst de samenwerking met UNIDO kunnen voortzetten c.q. aangaan. Dit is eveneens de inzet van de Directeur-Generaal van UNIDO.

Op projectbasis geven UNIDO en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) al invulling aan pragmatische samenwerking. RVO kan bestaande samenwerking voorzetten en nieuwe initiatieven ontplooien. Er loopt momenteel een aantal activiteiten. De Europese Unie (EU) heeft aan UNIDO gesuggereerd om de Europese private sector meer te betrekken, in het bijzonder daar waar projecten met Europees geld worden gefinancierd.

Nederland zal via de EU blijven bijdragen aan UNIDO.

Visie van UNIDO op de Nederlandse scorekaart

De leden van de D66-fractie krijgen de indruk dat het bestuur van UNIDO zich onvoldoende gehoord voelde bij de totstandkoming van de scorekaart. Wat is de exacte rol van de organisatie zelf geweest bij het opstellen van de scorekaart? In hoeverre is de score gegeven de recente hervormingen nog relevant?

De regering stelt de scorekaarten zorgvuldig op. Dit gebeurt op basis van rapportages van de organisatie zelf en van de «Board of Auditors», interne en externe evaluaties, beoordelingen door andere donoren en van het «Multilateral Organisations Performance Assessment Network» (MOPAN) die op het moment van schrijven beschikbaar zijn. Daarnaast wordt om input gevraagd aan een veelheid van actoren, zoals vakdepartementen, de Permanente Vertegenwoordigingen en Kiesgroepkantoren. Deze input wordt in de scorekaarten verwerkt.

De scorekaarten geven de Nederlandse visie weer. Aan geen van de beoordeelde organisaties is om input gevraagd, zo ook niet aan UNIDO. De regering is te allen tijde bereid om achteraf met organisaties te bespreken hoe de beoordeling in de de scorekaarten tot stand is gekomen en waar verbeteringen worden verwacht. Een aantal organisaties heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt, bijvoorbeeld UN-Habitat. UNIDO heeft hun visie op de scorekaart neergelegd in een brief, die door de Nederlandse regering is beantwoord (Kamerstuk nr. 2015D25791).

Gevolgen voor de Nederlandse reputatie, de Nederlandse samenwerking in EU-verband en voor UNIDO

Gevolgen voor de Nederlandse reputatie

De leden van de D66-fractie constateren dat de regering geen negatieve gevolgen voor de Nederlandse reputatie verwacht na een opzegging van het Statuut van UNIDO. Dit in tegenstelling tot het Raad van State advies. Zij waren ook kritisch over het feit dat de regering niet duidelijk aangeeft welke stappen er unilateraal en in EU-verband zijn genomen om het functioneren van UNIDO te verbeteren, alvorens te besluiten tot opzegging van het Statuut. De betreffende leden menen dat de reactie van de regering op het advies bijzonder kort is. In dat verband wordt de regering alsnog gevraag hierop gemotiveerd te reageren.

De regering is van mening dat Nederland geen reputatieschade zal oplopen door het besluit om het UNIDO-lidmaatschap op te zeggen. De regering verwacht dat er overwegend begrip voor zal zijn dat Nederland prioriteiten moet stellen in het licht van strategisch donorschap. De regering zal eventuele negatieve gevolgen zoveel mogelijk beperken door helder te communiceren over de nationale overwegingen om tot dit besluit te komen, vooral over de nationale beleidscontext en de keuze voor een aantal speerpunten in het Nederlandse beleid voor buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking, en het feit dat deze niet langer aansluiten op het mandaat en de activiteiten van UNIDO. Ervaringen van andere landen, zoals van België, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, laten ook zien dat er geen negatieve gevolgen te verwachten zijn bij uittreding.

De inzet van de EU-lidstaten ten aanzien van UNIDO wordt gecoördineerd door de EU-vertegenwoordiging in Wenen. Nederland heeft zijn zorgpunten ingebracht in de coördinatie bijeenkomsten van de EU. De EU-inzet ten aanzien van UNIDO is mede daarop gebaseerd. Daarnaast neemt Nederland deel aan de reguliere, halfjaarlijkse bijeenkomst van EU-ambassadeurs met de Directeur-Generaal van UNIDO, waar de voortgang op het werkplan en het functioneren met UNIDO worden besproken. Voorts heeft de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging in Wenen in de afgelopen periode meerdere malen bilateraal overleg gevoerd met de Directeur-Generaal van UNIDO. In deze gesprekken zijn de Nederlandse zorgpunten en de overwegingen om het lidmaatschap van UNIDO op te zeggen in openheid besproken, hetgeen door de Directeur-Generaal zeer werd gewaardeerd.

De Groep van 77 (voormalige) ontwikkelingslanden en China (G77) in Wenen heeft in een brief aan de Algemene Commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn zorgen geuit over de Nederlandse opzegging van het UNIDO statuut. Deze brief is in afschrift naar de vertegenwoordigers van de G77 landen en China in New York gestuurd. Nederland heeft deze landen in een brief verzekerd een toegewijde en langdurige supporter te zijn van het VN-ontwikkelingssysteem en de «Global Goals». De regering verwacht niet dat deze brief verstrekkende gevolgen voor de Nederlandse reputatie heeft.

Gevolgen voor de Nederlandse samenwerking in EU-verband

De leden van de VVD-fractie merken op dat de Europese Unie een grote donor is van UNIDO. Op deze manier betaalt de Nederlandse belastingbetaler nog steeds mee aan het in stand houden van een VN-organisatie waarvan de regering stelt dat de bijdrage daaraan leidt tot inefficiënt gebruik van middelen. Zij vragen of de regering bij de Europese instellingen erop kan aandringen dat inefficiënt gebruik van middelen zoveel mogelijk wordt voorkomen en dus de bijdrage van de EU aan UNIDO wordt stopgezet.

De algemene Nederlandse inzet ten aanzien van multilaterale organisaties in EU-verband wordt ingebracht in de Raadswerkgroep voor de VN in Brussel. De regering benadrukt in de bijeenkomsten het belang van effectiviteit en efficiency van het VN-systeem en de afzonderlijke organisaties en zal dit blijven doen. De regering schat echter in dat dit niet op korte termijn zal leiden tot een gezamenlijk standpunt over het beëindigen van de relatie tussen de EU en UNIDO.

De leden van de D66-fractie constateren ook dat, terwijl Nederland het Statuut van UNIDO op wil zeggen in navolging van enkele andere Europese leden, de Europese Unie juist doorgaat met UNIDO. De leden vragen waaruit deze tweedeling voortkomt. Welk verschil zit er volgens de regering tussen landen die wel en niet deel willen zijn van UNIDO? Heeft Nederland zijn bedenkingen over het functioneren van UNIDO in daarvoor bedoelde Europese fora in het verleden geuit en besproken, zoals in de motie-Sjoerdsma (Kamerstuk 33 446, nr. 10) verzocht? Zo ja, waartoe heeft dit geleid?

De gezamenlijke inzet van de EU en UNIDO betreft industriële ontwikkeling. Door de afdrachten van de lidstaten aan de EU blijven zij UNIDO en hun activiteiten steunen. Het staat individuele lidstaten van de EU echter vrij om op het terrein van ontwikkelingssamenwerking andere prioriteiten te stellen en daaraan uitvoering te geven. Zo hebben in 2015 Denemarken en Griekenland het lidmaatschap van UNIDO opgezegd wegens veranderde prioriteiten. Anderzijds zijn er landen zoals Duitsland, die, evenals de Europese instellingen, willen blijven samenwerken met UNIDO, omdat zij prioriteit geven aan industriële ontwikkeling.

Zoals reeds aangegeven in antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie over genomen stappen ter verbetering van het functioneren van UNIDO, wordt de inzet van de EU-lidstaten ten aanzien van UNIDO specifiek gecoördineerd door de EU-vertegenwoordiging in Wenen. Nederland heeft zijn zorgpunten ingebracht in de coördinatie bijeenkomsten van de EU. De EU-inzet ten aanzien van UNIDO is mede daarop gebaseerd. Het Nederlandse EU-lidmaatschap geeft de gelegenheid om de ontwikkelingen bij UNIDO te kunnen blijven volgen.

Gevolgen voor UNIDO

De leden van de D66-fractie vragen welke gevolgen het stopzetten van de Nederlandse financiering voor UNIDO zou hebben. Dit mede in het licht van de andere landen die zich hebben teruggetrokken. Concreet zijn deze leden benieuwd welke gevolgen dit heeft voor het hervormingsprogramma dat moet leiden tot duurzame en effectievere programma’s op door Nederland belangrijk gevonden beleidsterreinen.

De Nederlandse bijdrage ad EUR 1,6 miljoen betreft ongeveer 2,5% van het totaal aan verplichte UNIDO-bijdragen. De gevolgen van een Nederlandse opzegging van het UNIDO Statuut lijken mee te vallen voor UNIDO. Het hervormingsprogramma is niet afhankelijk van de Nederlandse bijdrage.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders