Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 juni 2016
Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Gegevensverstrekking Belastingdienst
op 29 maart 2016 heb ik naar aanleiding van een vraag van het lid Lintmeijer (GroenLinks)
toegezegd uw Kamer over het aantal huurders dat heeft geklaagd over onterechte verstrekking
van inkomensindicaties, het aantal gevallen waarin de klacht gegrond is verklaard
en het aantal opgelegde sancties te blijven informeren (T02266).
Op 21 juni 2016 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de evaluatie van de uitvoering
van de inkomensafhankelijke huurverhoging in 2015 (Kamerstukken II 20115/16, 27 926, nr. 263). Dit in vervolg op eerdere brieven aan de Tweede Kamer over de uitvoering van de
inkomensafhankelijke huurverhoging van 2013 (Kamerstukken II, 2013/14, 27 926, nr. 206) en 2014 (Kamerstukken II, 2014/15, 27 926, nr. 243).
Bijgaand ontvangt u een afschrift van mijn brief aan de Tweede Kamer van 21 juni 2016
over de evaluatie van de uitvoering van de inkomensafhankelijke huurverhoging in 20152 (27 926, nr. 263).
Zoals in de brief aan de Tweede Kamer aangegeven, heeft de Belastingdienst in 2015
306 klachten van huurders ontvangen. Uit die klachten is geconstateerd dat 50 verhuurders
in 2015 voor in totaal 67 geliberaliseerd verhuurde woningen inkomensindicaties hebben
opgevraagd.
Na constatering van deze onterechte aanvragen van inkomensindicaties hebben deze 50
verhuurders de voor de betreffende 67 woningen ontvangen inkomensindicaties vernietigd
en de huurders excuses aangeboden. Uit onderzoek van de Belastingdienst bleek dat
in geen van de gevallen sprake was van moedwillig aanvragen van inkomensindicaties
voor geliberaliseerd verhuurde woningen. Het foutief en onrechtmatig opvragen van
inkomensindicaties werd veroorzaakt door menselijke fouten, ontbrekende kennis of
fouten in het proces van adresselectie.
Er is in 2015 één beschikking gegeven met de sanctie dat de verhuurder van het gebruik
van het webportaal wordt uitgesloten omdat hij ook in een van voorgaande jaren een
inkomensverklaring had aangevraagd voor een of meer geliberaliseerd verhuurde woningen.
In 2015 ging het overigens om één woning. Deze verhuurder heeft in zijn bezwaar tegen
deze beschikking berouw getoond voor de vergissing en heeft vervolgens maatregelen
getroffen om herhaling in 2016 te voorkomen.
In aanvulling op de brief van 21 juni 2016 over de uitvoering van de inkomensafhankelijke
huurverhoging in 2015, informeer ik u dat de Belastingdienst in 2014 645 klachten
van huurders ontving. Huurders ontvangen sinds 2014 een kennisgeving van de Belastingdienst
als hun verhuurder voor hun woonadres een inkomensindicatie heeft aangevraagd en verkregen.
Uit onderzoek naar aanleiding van deze 645 klachten bleek dat 66 verhuurders voor
in totaal 270 geliberaliseerd verhuurde woningen (onrechtmatig) inkomensindicaties
hadden aangevraagd. Deze 66 verhuurders hebben de ten onrechte opgevraagde en verkregen
gegevens vernietigd en hebben de betreffende huurders verontschuldigingen aangeboden.
Zoals ook in 2015 bleek in geen van deze gevallen sprake te zijn van moedwillig foutief
en onrechtmatig opvragen van inkomensindicaties. Het foutief en onrechtmatig opvragen
van inkomensindicaties werd veroorzaakt door menselijke fouten, ontbrekende kennis
of fouten in het proces van adresselectie.
De Belastingdienst heeft daardoor geoordeeld dat er bij deze 66 verhuurders geen sprake
was van misbruik en heeft dus (nog) geen sancties toegepast. Wel heeft de Belastingdienst
de betrokken verhuurders een waarschuwingsbrief gezonden waarin te kennen is gegeven
het ten onrechte opvragen van (een) inkomensindicatie(s) een ernstige zaak is en dat
indien in 2015 opnieuw wordt geconstateerd dat ten onrechte inkomensindicaties worden
opgevraagd de verhuurder de toegang tot het webportaal zal worden ontzegd waardoor
de verhuurder geen gebruik meer zal kunnen maken van de inkomensafhankelijke huurverhoging,
ook niet voor de niet-geliberaliseerd verhuurde woningen. Deze verhuurders hebben
het dringende advies gekregen om maatregelen te treffen om herhaling te voorkomen.
De Minister voor Wonen en Rijksdienst,
S.A. Blok