Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 september 2016
Tijdens het debat met uw Kamer over de Wet Doorstroming Huurmarkt heb ik toegezegd,
naar aanleiding van een vraag van het lid Schalk (SGP), uw Kamer per brief te informeren
over de voor- en nadelen van het hanteren van het inkomen na belasting, als uitgangspunt
bij huurbeleid. Met deze brief doe ik deze toezegging gestand.
Bij de introductie van de mogelijkheid van inkomensafhankelijke huurverhogingen is
bewust gekozen om voor de toetsing van het inkomen het verzamelinkomen te hanteren.
Dit sluit aan op de keuze die bij inkomensafhankelijke regelingen als huurtoeslag,
zorgtoeslag en kinderopvangtoeslag is gemaakt. Zoals uit het rapport van de Commissie
Derksen1 naar voren is gekomen, voldoet het verzamelinkomen2 het best aan de voorwaarden voor een rechtmatig en doelmatig inkomensbegrip voor
inkomensafhankelijke regelingen. Het toenmalige kabinet volgde deze aanbeveling van
de commissie-Derksen (Kamerstukken II 1997–1998, 24 515, nr. 39) dat bij inkomensafhankelijke regelingen het verzamelinkomen het beste als maatstaf
kan worden gehanteerd.
De reden voor de keuze van het verzamelinkomen is dat dit een duidelijk, transparant
en eenduidig criterium is. Het verzamelinkomen kent een eenduidige definitie en wordt
vastgesteld door de Belastingdienst. Hiermee is het ook voor de uitvoering een goed
te hanteren begrip. Ook is het consistent om het inkomensbegrip dat voor de belastingheffing
als beste indicatie voor draagkracht wordt gezien, ook te gebruiken voor inkomensafhankelijke
regelingen.
Naar aanleiding van de vraag van het lid Schalk is gekeken naar het hanteren van het
netto inkomen (inkomen na belastingen en premies) ten behoeve van het toetsen van
het inkomen in het kader van het huurbeleid. Dit heeft gevolgen voor de uitkomsten
van de inkomenstoetsing enerzijds en uitvoeringsaspecten anderzijds.
Indien voor toetsing op het netto inkomen zou worden gekozen, dan moet de inkomensgrens
hierop aangepast worden, hierbij rekening houdend met het gemiddelde verschil tussen
verzamelinkomen en netto inkomen rond het betreffende inkomensniveau. Hierin zit spreiding,
waardoor omschakeling naar een op netto inkomen gebaseerd systeem zal leiden tot koopkrachteffecten.
De spreiding hangt samen met de hoogte van de door een huishouden verschuldigde belastingen
en premies, wat voortvloeit uit keuzes die in de belastingwetgeving zijn gemaakt,
ook in relatie tot de draagkracht van deze huishoudens. In dat licht is het niet consistent
en niet in lijn met het kabinetsbeleid om binnen de huurwetgeving een andere keuze
te maken.
Wat betreft de uitvoeringsaspecten geldt dat het verzamelinkomen algemeen aanvaard
is als het inkomen dat de draagkracht van burgers het beste benadert. Het verzamelinkomen
dan wel het jaarloon wordt, als enig inkomen, jaarlijks door de Belastingdienst vastgesteld
en als zodanig in de Basisregistratie Inkomen (BRI) opgenomen. Het betreft een authentiek
gegeven. Voor authentieke gegevens in basisregistraties geldt dat deze van hoogwaardige
kwaliteit zijn en dat deze zonder nader onderzoek bij de uitvoering van publiekrechtelijke
taken te gebruiken zijn. Anders dan bij het verzamelinkomen bestaat er geen eenduidige
definitie van netto-inkomen. Introductie van een netto-inkomensbegrip in welke vorm
dan ook leidt niet alleen tot forse aanpassingen in de systemen en daarmee een toename
van de complexiteit van de uitvoering door de Belastingdienst maar heeft ook grote
gevolgen voor werkgevers. Voor loon uit dienstbetrekking zullen de circa 600.000 werkgevers
voor hun circa 12 miljoen werknemers bij elke loonuitbetaling het netto loon moeten
bepalen en aan hun werknemer(s) kenbaar moeten maken. Dit netto loon wijkt af van
de netto loonuitbetaling thans. Met het huidige loon verrekenen werkgevers namelijk
componenten als kostenvergoedingen, vakbondscontributies, bijdragen voor personeelsverenigingen,
en dergelijke, die tot de inkomensbestedingen gerekend worden. Los van de principiële
vraag of een ander inkomensbegrip een betere benadering is voor de draagkracht moet
de overgang naar een netto loonbegrip gezien de forse effecten voor werkgevers en
Belastingdienst niet realistisch worden geacht.
Een optie is dan dat de verhuurder zelf bij de individuele huurder het netto inkomen
zou moeten vaststellen en toetsen, op basis van door de huurder aan te leveren bewijsstukken.
Verhuurders zijn veelal niet toegerust om dit goed uit te voeren, daarnaast is het
uit privacy-overwegingen onwenselijk om huurders te verplichten verhuurders inzage
te geven in dergelijke gedetailleerde inkomensinformatie.
De Minister voor Wonen en Rijksdienst,
S.A. Blok