Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 januari 2017
Naar aanleiding van de berichtgeving in de uitzending van Nieuwsuur d.d. 23 januari
jl. bericht ik uw Kamer het volgende.
In het debat op 16 december 2015 (Handelingen II 2015/16, nr. 38, items 10 en 12)
heb ik de vraag gesteld of ik als Kamerlid nog goed genoeg het verschil in de gaten
had tussen de medewetgevende rol en de controlerende rol in de contacten met de toenmalige
Minister over dit specifieke onderwerp. Ik verwijt mijzelf, zoals ik in dat debat
heb gezegd, dat ik de grens te laat heb getrokken. Ik had deze contacten eerder moeten
afbreken.
Als Kamerlid heb ik bij het beoordelen van teksten van brieven en mijn adviezen aan
de Minister altijd drie hoofdvragen gehanteerd: begrijp ik wat er staat, roept het
vragen op die niet door de tekst worden beantwoord (met de twee opties of niet oproepen
van de vraag of die vraag ook beantwoorden) en klopt het met hetgeen eerder aan mij
is meegedeeld (zie mijn gespreksverslag met de Commissie Oosting).
De e-mail waarover Nieuwsuur nu bericht heb ik zondag 8 maart 2015 ontvangen en op
maandagochtend 9 maart gelezen en van commentaar voorzien. Van deze e-mailwisseling
wordt als volgt melding gemaakt in het tweede rapport van de Commissie Oosting op
bladzijde 149 (bijlage bij Kamerstuk 34 362, nr. 16): «Op zondagavond 8 maart 2015, op 20.26 uur (nog voor de vondst van «het bonnetje»)
stuurde de waarnemend politiek assistent op verzoek van Minister Opstelten de concept-antwoorden
en een concept voor een begeleidende Kamerbrief per e-mail naar het Kamerlid Van der
Steur. Deze antwoordde op maandag 9 maart 2015, 10.16 uur, met een aantal vragen en
tekstuele suggesties». Deze e-mail is aan de Commissie ter beschikking gesteld ten
behoeve van haar onderzoek.
Met betrekking tot de door Nieuwsuur aangehaalde opmerking (AS21) merk ik op dat ik
als Kamerlid niet heb voorgesteld de passage over de bedragen te schrappen. Ik heb
mij afgevraagd waarom deze bedragen niet eerder aan de Kamer waren gemeld. Dat achtte
ik zeer kwetsbaar.
Dit is ook besproken tijdens het debat op 16 december 2015 (Handelingen II 2015/16,
nr. 38, items 10 en 12). In antwoord op de vragen van diverse leden van uw Kamer heb
ik toen een toelichting gegeven dat ik als Kamerlid op 9 maart 2015 kennis nam van
de herinnering van staatsecretaris Teeven, nadat op 4 maart al diverse bedragen waren
genoemd. Ik heb in dit debat tevens melding gemaakt van mijn reactie destijds, te
weten: «waarom is dit niet eerder met de Kamer gedeeld? Net zoals de heer Oosting
concludeert, vond ik en vind ik nog steeds dat je die herinnering van voormalig officier
Teeven aan de Kamer had kunnen melden, maar dat hoorde ik dus pas op 9 maart. Toen
heb ik die opmerking ook gemaakt».
In de beantwoording van de schriftelijke vragen van uw Kamer voorafgaand aan het debat
op 16 december 2015 heb ik op de vraag van uw Kamer wanneer ik ben geïnformeerd over
de herinnering van de heer Teeven geantwoord (Kamerstuk 34 362, nr. 5): «De heer Teeven heeft op 4 maart 2015 in het gesprek over de uitzending van Nieuwsuur
uit zijn geheugen verschillende bedragen genoemd (2 miljoen, 2,2 miljoen en 4,8 miljoen
gulden) die niet overeenkwamen met het bedrag dat Nieuwsuur had aangekondigd die avond
te gaan noemen. Op 9 maart 2015 werden mij en de heer Dijkhoff, in onze hoedanigheid
van Kamerlid, de bedragen 2,3 miljoen gulden als hoofdsom en 4,8 miljoen gulden als
rente op rente bekend (tezamen 7,1 miljoen gulden).»
Op 9 maart 2015 had ik geen kennis van de inhoud van het gespreksverslag. Op dat moment
kende ik wel reeds de herinnering van de Staatssecretaris uit de concept-brief van
8 maart 2015 die ik op 9 maart las.
Ik achtte het niet juist bij het gesprek aanwezig te blijven toen de desbetreffende
directeur-generaal zijn aantekeningen zou gaan toelichten. Niet omdat ik de bedragen
niet wilde horen, die kende ik immers al, maar omdat het ging om persoonlijke aantekeningen
en ik vreesde dat er andere informatie zou worden gedeeld die niet aan de Kamer zou
worden gegeven. In het Kamerdebat van 16 december 2015 (Handelingen II 2015/16, nr.
38, items 10 en 12) heb ik hierover gezegd: «Ik ben toen opgestaan en heb gezegd:
het past mij niet als woordvoerder en Kamerlid om kennis te nemen van die informatie,
omdat die informatie niet bekend is bij de Kamer.» Ik heb pas kennis genomen van de
inhoud van het gespreksverslag op de dag van publicatie van het rapport Oosting.
Waarom de desbetreffende passage in de concept-brief van 8 maart 2015 waarin de herinneringen
van de Staatssecretaris zijn opgenomen uiteindelijk niet meer in de definitieve versie
van de brief die naar uw Kamer terugkomt, valt niet met zekerheid te zeggen. Feit
is dat op maandagochtend 9 maart 2015 het betalingsbewijs van 4,7 miljoen gulden van
de ontnemingsschikking gevonden was. Daarmee stond vast wat feitelijk was overgemaakt
door de Staat in het kader van de ontnemingsschikking. Daarmee waren ook de bedragen
uit de herinnering van Staatssecretaris Teeven die niet overeenkwamen met het bedrag
van het inmiddels gevonden betalingsbewijs ingehaald.
Het dossier geeft geen fraai beeld, er is veel fout gegaan, er zijn moeilijke debatten
over gevoerd met uw Kamer en ik heb er lessen uit getrokken niet alleen voor mijn
rol als Kamerlid maar ook voor het ministerie.
De Minister van Veiligheid en Justitie,
G.A. van der Steur