Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 februari 2016
Tijdens het debat met uw Kamer van 16 december 2015 inzake het rapport van de Commissie
Oosting verzocht het lid Pechthold (D66) mij na te gaan of met het overboeken van
het bedrag van de ontnemingsschikking sprake is geweest van witwassen en daarmee ook
onder de wetgeving van voor 2001 een strafbaar feit is gepleegd, te bezien of het
opnemen van de passage over de Belastingdienst in de schikkingsovereenkomst alsnog
strafbaar is, te bezien of er reden is om volgens artikel 69 Algemene inzake wetrijksbelastingen
(Awr) alsnog aangifte te doen en voorts te bezien of er iets van het belastinggeld
kan worden teruggekregen.(Handelingen II 2015/16, nr. 38, item 12, blz. 17) Voorts verzocht het lid Pechtold (D66) mij mijn ambtsgenoot van BZK te
vragen om de Kamer nader te informeren over de wijze waarop bij het openbaar maken
van stukken omgegaan wordt met de «persoonlijke beleidsopvatting» van ambtenaren.
Met onderhavige brief doe ik deze toezeggingen gestand.
In het onderzoek van de Commissie Oosting is de vraag aan de orde geweest of door
de in de schikkingsovereenkomst gekozen constructie – waarbij het Openbaar Ministerie
geldbedragen van Luxemburgse bankrekeningen naar een Nederlandse bankrekening heeft
doorgeleid – sprake is geweest van witwassen.1 De Commissie merkt hierover onder meer op dat de strafbaarstelling van witwassen
op 14 december 2001 in werking is getreden terwijl op die datum de schikkingsovereenkomst
reeds was afgewikkeld. In de periode voorafgaand aan 14 december 2001 werd, zoals
ook de Commissie toelicht, bij de bestrijding van witwasgedragingen gebruik gemaakt
van de strafbaarstelling van heling. Schuldig aan heling is onder andere hij die een
goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving
of het voorhanden krijgen van het goed wist dan wel had moeten vermoeden dat het een
door misdrijf verkregen goed betrof. Voor heling is derhalve vereist, zoals de Commissie
in haar rapport opmerkt, dat sprake is van «een door misdrijf verkregen goed». De
Commissie heeft er in dat verband op gewezen dat waar het gaat om de herkomst van
de in de schikking betrokken Luxemburgse bankrekeningen, die herkomst niet door een
rechter is beoordeeld. Doordat de ontnemingsprocedure niet meer ter zitting is aangebracht
voor nadere inhoudelijke behandeling, heeft de strafrechter geen oordeel uitgesproken
over de herkomst van deze bedragen. Ik sluit me aan bij deze bevindingen van de Commissie
en merk daarbij voorts op dat de Commissie in haar rapport in algemene zin heeft aangegeven
dat zij geen aanwijzingen heeft voor niet-verjaarde strafbare feiten.2
De geheimhoudingsclausule hield onder meer in dat partijen zich jegens elkaar verplichtten
om uiterste inspanningen te doen om volstrekte geheimhouding over deze schikking te
betrachten en in dat verband geen mededelingen aan derden, waaronder de Belastingdienst,
te doen. Ten aanzien van de in de schikkingsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsclausule
wil ik nogmaals onderstrepen dat ik met de Commissie van oordeel ben dat er geen enkele
rechtvaardiging was om de Belastingdienst niet te betrekken bij de afwikkeling van
de ontnemingsschikking. Te meer omdat het College van procureurs-generaal daartoe
expliciet opdracht gaf.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij een eerdere gelegenheid aangegeven dat
er geen gegevens zijn aangetroffen bij de Belastingdienst over Cees H. over de bewuste
periode.3 Bij gebrek aan gegevens kan niet meer worden vastgesteld of aan Cees H. in 2001 belastingaanslagen
hadden kunnen worden opgelegd, laat staan of er door het opnemen van de passage over
de Belastingdienst in de schikkingsovereenkomst strafbare feiten zijn gepleegd.4 Het aspect van de strafrechtelijke verjaring doet daarmee niet ter zake. Voorts
is gezien het voorgaande het «terugkrijgen van belastinggeld» evenmin aan de orde.
Voor wat betreft de wijze waarop bij het openbaar maken van stukken omgegaan wordt
met de «persoonlijke beleidsopvatting» van ambtenaren kan ik opmerken dat de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een actualisering in voorbereiding heeft
van de notitie uit 2002 over artikel 68 Grondwet. Daarin zal ook uitdrukkelijk aandacht
worden besteed aan het verstrekken van informatie aan de Kamer over persoonlijke beleidsopvattingen
bestemd voor intern beraad én aan het verband met de Wet openbaarheid bestuur. De
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties streeft ernaar, zoals reeds
door mij aangegeven in het debat in januari over prof. Maat, om de notitie voor de
zomer aan uw Kamer aan te bieden.
Met deze brief meen ik te hebben voldaan aan mijn toezeggingen aan de heer Pechtold
(D66) zoals gedaan tijdens het debat met uw Kamer van 16 december 2015 inzake het
rapport van de Commissie Oosting.
De Minister van Veiligheid en Justitie,
G.A. van der Steur