Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634359 nr. 11

34 359 Tijdelijke regels inzake het opleggen van vrijheidsbeperkende maatregelen aan personen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of die voornemens zijn zich aan te sluiten bij terroristische strijdgroepen en inzake het weigeren en intrekken van beschikkingen bij ernstig gevaar voor gebruik ervan voor terroristische activiteiten (Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding)

Nr. 11 AMENDEMENT VAN DE LEDEN SWINKELS EN VAN TONGEREN

Ontvangen 28 april 2016

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

In artikel 1 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

e. terroristische activiteiten:

activiteiten die redelijkerwijs in verband kunnen worden gebracht met het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht of het plegen van een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83b van die wet.

Toelichting

Dit amendement neemt een definitie van terroristische activiteiten in het wetsvoorstel op. Met dit amendement worden de criteria waarop iemand die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met «terroristische activiteiten» als bedoeld in artikel 2, eerste lid en artikel 6, aangescherpt. In het wetsvoorstel is momenteel geen definitie opgenomen van «gedragingen die in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan». Gezien de verstrekkende gevolgen van de bestuurlijke maatregelen die met dit wetsvoorstel kunnen worden opgelegd en onder andere kunnen leiden tot vrijheidsbeperking van een individu, achten de indieners het wenselijk de criteria waarop een persoon een maatregel opgelegd kan worden, namelijk terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan, aan te scherpen door een verwijzing te plaatsen naar de artikelen 83 en 83b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit om de rechter houvast te bieden bij het beoordelen van de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel en tevens de betrokkene voldoende rechtszekerheid te bieden, omdat voor de betrokkene met de huidige vage criteria onvoldoende duidelijk is wat onder de bepaling valt en wat niet. Zowel de Raad voor de Rechtspraak, het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten, de Nederlandse Orde van Advocaten als het College voor de Rechten van de Mensen bevelen hiertoe eveneens aan.

Hoewel in de memorie van toelichting wordt aangegeven dat een definitie van het begrip «terroristische activiteiten» niet nodig wordt geacht om de autoriteiten enige interpretatievrijheid te geven bij de uitleg hiervan, lijkt het de indieners uit overwegingen van rechtszekerheid wenselijk aan te sluiten bij de misdrijven genoemd in de artikelen 83 en 83b Sr, waarvan immers is overeengekomen (ook in internationaal verband) dat deze worden verstaan als terrorisme. De indieners volgen daarom het advies van de Adviescommissie van de Nederlandse Orde van Advocaten, om de term «terroristische activiteiten» in het wetsvoorstel te definiëren als «activiteiten die redelijkerwijs in verband kunnen worden gebracht met het voorbereiden of plegen van een terroristisch misdrijf zoals bedoeld in artikel 83 Sr». Ook het College voor de Rechten van de Mens geeft aan dat het gehanteerde criterium in de huidige artikelen 2 en 6 dusdanig vaag en onbepaald is, dat de burger niet kan weten waar hij aan toe is. Bovendien wordt in de memorie van toelichting opgemerkt dat niet hoeft te zijn bewezen dat de betrokkene bepaalde gedragingen heeft gedaan, maar dat de «gedragingen redelijkerwijs vaststaan». Er hoeft geen sprake te zijn van wettig en overtuigend bewijs in strafrechtelijke zin (dan zou immers het strafrecht in werking komen), hetgeen tot gevolg heeft dat een burger op grond van gedragingen waarvan niet bewezen is dat hij of zij die heeft gedaan maatregelen opgelegd kan krijgen die tot beperking van vrijheden kunnen leiden. Enige verduidelijking van de criteria waarop dit gedaan kan worden en zulke verstrekkende gevolgen heeft, is daarom volgens de indieners zowel voor de burger als voor de rechter wenselijk.

Zoals tevens de NJCM stelt voldoet bovendien de minimale omschrijving van «gedragingen die in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan» mogelijk niet aan het vereiste «bij de wet voorzien» zoals vastgelegd in artikel 8, lid 2 EVRM en artikel 2 van het Vierde Protocol. Door middel van duidelijke criteria worden de autoriteiten gedwongen reële proportionaliteitsafwegingen te maken en hierbij de bescherming van de nationale veiligheid tegenover de individuele belangen van de betrokkene tegen elkaar af te kunnen wegen. Juist omdat de gedragingen waar het in dit wetsvoorstel om gaat zijn op zichzelf niet strafbaar zijn (dan waren immers de bestaande strafrechtelijke instrumenten afdoende geweest), wordt nu in het voorstel niet voldoende duidelijkheid voor burgers geboden.

Kortom, gelet op de ingrijpende werking van de maatregelen is het van belang de gevallen waarin de overheid kan optreden en tot de maatregelen overgaan nauwkeuriger in de wet zelf aan te geven.

Swinkels Van Tongeren