Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634356-(R2064) nr. 31

34 356 (R2064) Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid

Nr. 31 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG VAN DE STATEN VAN SINT MAARTEN

Ontvangen 1 juli 2016

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van het verslag van de Staten van Sint Maarten. De regering waardeert de bereidheid van de Staten om zich te voegen in de behandeling van dit voorstel tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

De leden van de fracties van de United People’s Party en Marlin Romeo hebben een vraag gesteld, die ik graag beantwoord.

Het lid van de Marlin-Romeo-fractie vraagt wat er gebeurt met een persoon van wie het Nederlanderschap wordt ingetrokken en die dientengevolge staatloos wordt. In reactie hierop merk ik op dat intrekking niet zal plaatsvinden wanneer dit leidt tot staatloosheid (zie het huidige artikel 14, zesde lid, van de Rijkswet). De door het lid geschetste situatie zal zich dus niet kunnen voordoen.

De United People’s Party-fractie vraagt of de last van de intrekking van de nationaliteit wordt geplaatst bij Sint Maarten. De intrekking van het Nederlanderschap is, onder de huidige Rijkswet en onder de toekomstige situatie, een bevoegdheid van de Minister van Veiligheid en Justitie van Nederland, in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk. De last van intrekking zal dus niet worden geplaatst bij Sint Maarten.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur