Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634356-(R2064) nr. 13

34 356 (R2064) Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid

Nr. 13 AMENDEMENT VAN DE LEDEN VAN DER STAAIJ EN TELLEGEN TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 91

Ontvangen 13 mei 2016

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel B, wordt artikel 14 als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het derde lid wordt «kan het Nederlanderschap intrekken» vervangen door: trekt het Nederlanderschap in.

b. In het vierde lid wordt «kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken» vervangen door «trekt in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap in» en wordt voor «heeft aangesloten» ingevoegd: vrijwillig.

2. Na onderdeel 2 wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • 2a. Aan het achtste lid (nieuw) wordt een volzin toegevoegd, luidende: Onze Minister trekt het Nederlanderschap niet in op grond van het derde of vierde lid indien vervolging van strafbare feiten hierdoor naar het oordeel van Onze Minister op onaanvaardbare wijze zou worden geschaad.

3. In onderdeel 3 vervalt het tiende lid.

Toelichting

Ondergetekenden zijn van mening dat personen die in vreemde krijgsdienst treden of zich vrijwillig aansluiten bij een terroristische organisatie er vanuit het oogpunt van maximale preventieve werking verzekerd van moeten zijn dat hun Nederlandse nationaliteit daardoor vervalt. De Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) dient daarom niet enkel de bevoegdheid te hebben om de Nederlandse nationaliteit in deze situaties in te trekken, maar dient tot intrekking gehouden te zijn. Uitzondering hierop vormt de situatie waarin strafrechtelijke vervolging door intrekking van het Nederlanderschap op onaanvaardbare wijze zou worden geschaad. De Minister beoordeelt in hoeverre de universele rechtsmacht voor de vervolging van strafbare feiten toereikend is en in hoeverre het strafrechtelijk onderzoek door intrekking van het Nederlanderschap op onaanvaardbare wijze zou worden zou worden doorkruist.

Het feit dat de Minister in geval van vreemde krijgsdienst of aansluiting bij een terroristische organisatie gehouden is het Nederlanderschap in te trekken, doet niets af aan zijn verantwoordelijkheid om te toetsen of aan alle elementen is voldaan. De Minister moet bijvoorbeeld vaststellen of sprake is van vrijwilligheid en of daadwerkelijk van aansluiting bij een terroristische organisatie sprake is. Het besluit om het Nederlanderschap in te trekken kan dus pas na zorgvuldige overweging aan de orde zijn.

Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid verankert dit amendement overigens expliciet het element van vrijwilligheid bij het aansluiten bij een terroristische organisatie. Hoewel ook het zich in vreemde krijgsdienst begeven het element van vrijwilligheid impliceert, heeft de wetgever bewust de vrije wilsbeschikking van betrokkenen willen benadrukken. Ondergetekenden vinden dat die overweging gelijkelijk van toepassing is op het zich aansluiten bij een terroristische organisatie

Van der Staaij Tellegen


X Noot
1

Vervangen in verband met wijziging van de ondertekening.