34 352 Uitvoering en evaluatie Participatiewet

Nr. 75 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 december 2017

In het ordedebat van 8 november jl. heeft uw Kamer aangegeven behoefte te hebben aan opheldering over wat er in Amsterdam en andere gemeenten gebeurt met betrekking tot onderzoeken naar een effectievere wetsuitvoering binnen de kaders van de Participatiewet (Handelingen II 2017/18, nr. 19, item 6). Voorafgegaan door een brief, wenst uw Kamer hierover een debat. Met deze brief, die ik op feitelijkheden heb afgestemd met de gemeente Amsterdam, voldoe ik graag aan het verzoek van uw Kamer. Met deze brief beantwoord ik ook de vragen van het lid Peters (CDA), ingezonden op 9 november 2017, over dit onderwerp.

Vooraf wil ik benadrukken dat er een wezenlijk verschil is tussen een experiment op basis van het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet (zie de volgende paragraaf) en werkwijzen die gehanteerd kunnen worden binnen de kaders van de Participatiewet. Gemeenten die zijn aangewezen als experimenteergemeenten kunnen op onderdelen van de Participatiewet afwijken. Uiteraard geldt dat niet voor gemeenten die niet zijn aangewezen. Zij dienen zich te houden aan de wettelijke kaders.

Experimenten Participatiewet: algemeen

Met de inwerkingtreding van het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet per 1 april 20171, wordt gemeenten de mogelijkheid geboden om door middel van experimenten te onderzoeken hoe de Participatiewet met betrekking tot arbeidsinschakeling doeltreffender uitgevoerd kan worden. Bij de uitwerking van dit besluit is rekening gehouden met de wens van gemeenten en met de motie Voortman2. In genoemd besluit en in de Tijdelijke regeling experimenten Participatiewet zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet zijn voldaan om een gemeente te kunnen aanwijzen als experimenteergemeente. Dit wil zeggen dat de gemeente de bevoegdheid krijgt om op onderdelen en voor een bepaalde periode af te wijken van de wet. Een van de voorwaarden houdt in dat de bij Participatiewet verplicht voorgeschreven verordeningen van de verzoekende gemeente in procedurele en inhoudelijke zin in overeenstemming zijn met de wet.

Zoals uw Kamer eerder is gemeld zijn de volgende gemeenten aangewezen als experimenteergemeenten: Groningen, in samenwerking met Ten Boer, Wageningen, Tilburg, Deventer en Nijmegen. Ik waardeer het zeer dat deze gemeenten veel tijd en energie willen steken in een experiment.

Experimenten Participatiewet: verzoeken Amsterdam en Utrecht

Ten aanzien van de experimenten heeft mijn ambtsvoorganger, bij brieven van 3 juli 20173, 10 juli 20174 en 14 juli 20175, u geïnformeerd over de stand van zaken van de wet- en regelgeving, de aanvragen alsmede de beoordelingen en de besluitvorming resp. de specifieke situatie met betrekking Amsterdam en Utrecht. Met deze twee steden bestond verschil van inzicht over de vraag of de plaatselijke verordeningen tegenprestatie al dan niet in overeenstemming waren met de Participatiewet. Om gezamenlijk duidelijkheid te verkrijgen is de Raad van State verzocht voorlichting te geven over de vraag in hoeverre de wet ruimte biedt om de bevoegdheid tot het opdragen van een tegenprestatie geheel en al afhankelijk te maken van vrijwillige medewerking door de bijstandsgerechtigde. Uit de voorlichting van de Raad van State blijkt in essentie dat het verrichten van een tegenprestatie niet geheel en al kan afhangen van de wensen en daarmee geheel en al kan afhangen van de vrijwillige medewerking van de uitkeringsgerechtigde, zodat de gemeenteraad in zijn verordening moet regelen dat het college bevoegd is om een tegenprestatie verplicht op te dragen. Hiermee werd de juistheid van de interpretatie van SZW bevestigd.

De wethouders van beide steden hebben hun gemeenteraden geïnformeerd over de opvatting van de Raad van State. In Utrecht moet de gemeenteraad nog beslissen of hij zijn verordening gaat aanpassen. In Amsterdam heeft de gemeenteraad op 20 juli 2017 een motie aangenomen, inhoudende om geen verplichte tegenprestatie in de verordening op te nemen en om in september 2017 te starten met een «pilot». De laatste belemmering om te kunnen worden aangewezen als experimenteergemeente, werd derhalve niet door de gemeenteraad weggenomen. Amsterdam heeft haar verzoek om te worden aangewezen als experimenteergemeente inmiddels ingetrokken.

Werkwijzen binnen de kaders van de Participatiewet: algemeen

In antwoord op vragen van het lid Nijkerken-de Haan (VVD) heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer op 15 mei 20176 geïnformeerd dat de gemeente, bij de gedecentraliseerde uitvoering van de Participatiewet een grote mate van vrijheid toekomt om beleid en uitvoering af te stemmen op de lokale omstandigheden en dat de gemeente in deze context beschikt over een scala aan mogelijkheden om, binnen de kaders van de wet, te onderzoeken hoe zij de Participatiewet effectiever kan uitvoeren. Hiervoor is toestemming van SZW niet aan de orde. Deze ruimte en de daarbinnen gemaakte keuzen door de gemeente laten onverlet dat het op individuele personen toegesneden maatwerk uitgangpunt is, ook bij de ondersteuning van de bijstandsgerechtigden op weg naar de arbeidsmarkt.

De gemeente die wil experimenteren met de Participatiewet en daarbij wil afwijken van bepaalde wetsartikelen kan dit uitsluitend doen indien ik haar, op een daartoe strekkend verzoek, heb aangewezen als experimenteergemeente. Als dat niet het geval is, kan er geen sprake zijn van een experiment als bedoeld in het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet.

In algemene zin kan worden gesteld dat een onderzoek binnen de kaders van de Participatiewet blijft indien het college:

  • a. de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende;

  • b. de voor belanghebbende geldende verplichtingen, in het bijzonder de arbeids- en re-integratieverplichtingen, handhaaft, tenzij het op grond van individuele omstandigheden een formele ontheffing heeft verleend;

  • c. de onder a. bedoelde opdracht niet categoriaal toepast, hetgeen onder meer inhoudt dat:

    • voor iedere persoon die in een onderzoeksgroep is ingedeeld, voor aanvang van het onderzoek, moet worden beoordeeld of het toe te passen regime ook passend is bij die persoon;

    • categoriale ontheffing van verplichtingen of gebrek aan handhaving hiervan niet past binnen de kaders van de wet;

  • d. de gelijke rechten tussen de niet-deelnemers en de vrijwillige deelnemers aan het onderzoek waarborgt.

Werkwijze binnen de kaders van de Participatiewet: Amsterdam

Ter uitwerking van de motie van de gemeenteraad van 20 juli 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders een voorstel uitgewerkt met als uitgangspunt te blijven binnen de kaders van de wet en tevens om zo veel mogelijk aan te sluiten bij het op 1 mei jl. ingediende experimenteervoorstel. De gemeente geeft in haar informatie aan dat:

  • alle bijstandsgerechtigde Amsterdammers die aan de voorwaarden voldoen, kunnen deelnemen en daarmee in aanmerking komen voor een premie tot maximaal € 200,00 per maand, als zij in deeltijd gaan werken;

  • de doelgroep daarnaast verschillende soorten begeleiding krijgt;

  • onderzocht wordt bij welke vorm van begeleiding de doelgroep meer uitstroomt naar werk;

  • het onderzoek op 1 februari 2018 start en een looptijd heeft van 24 maanden. Indien de verwachte (uitstroom)resultaten achterblijven en de realisatie sterk afwijkt van de aannames, kan het onderzoek na één jaar worden gestopt;

  • het uitgangspunt blijft dat het onderzoek moet leiden tot wetenschappelijk verantwoorde uitspraken over de effecten van de genomen maatregelen op uitstroom uit de bijstand. De Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam zijn bij de opzet en uitvoering van het onderzoek betrokken.

De doelstelling van de gemeente Amsterdam om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om uitstroom naar werk effectiever vorm te geven ondersteun ik. Uitgangspunt is immers dat een uitkering op grond van de Participatiewet in beginsel een tijdelijk karakter dient te hebben. Zowel voor het maatschappelijk draagvlak als voor de zelfontplooiing van een bijstandsgerechtigde, is het van groot belang dat mensen zo snel als mogelijk zelfvoorzienend worden voor wat betreft hun inkomstenverwerving. Van belang is ook dat gemeenten hierbij alle mogelijke instrumenten inzetten om dit doel te bereiken en niet lichtvaardig omspringen met arbeids- en re-integratieverplichtingen die uit de Participatiewet voortvloeien.

De gemeente Amsterdam onderscheidt in haar voorstel drie groepen deelnemers:

  • a. zelfregiegroep met premie bijverdiensten

    voor deze groep is geen sprake van «verplichte» of standaard begeleiding en ondersteuning vanuit de gemeente. Vormen van ondersteuning blijven wel op verzoek beschikbaar voor de bijstandsgerechtigde;

  • b. extra aandacht met premie bijverdiensten

    Voor deze groep verdubbelt het aantal (fysieke) contactmomenten tussen de bijstandsgerechtigde en de gemeente.

  • c. vergelijkingsgroep met premie bijverdiensten

    Op bijstandsgerechtigden binnen deze groep is het reguliere re-integratiebeleid van toepassing.

De gemeente Amsterdam heeft mij geïnformeerd dat zij geenszins voornemens is om deelnemers aan het onderzoek te ontheffen van de voor hen geldende arbeids- en reintegratieverplichtingen. Net als in het reguliere beleid van Amsterdam staat daarin maatwerk aansluitend bij de kansen en mogelijkheden van klanten en bij hun intrinsieke motivatie voorop. De deelnemers uit de «zelfregiegroep» worden in de gelegenheid gesteld om zelf te kiezen welke re-integratieinstrument(en) het beste bij hen past. De gemeente Amsterdam heeft mij verzekerd dat het nadrukkelijk de bedoeling is dat deelnemers uit deze groep werken aan hun eigen re-integratie op de arbeidsmarkt.

Uit de beschikbare informatie blijkt dat Amsterdam bij mensen die gaan werken in deeltijd de inkomsten uit arbeid conform de regelgeving in de Participatiewet verrekent met de uitkering. Amsterdam benut het instrument van de een- of tweemalige premie van ten hoogste € 2.404,00 per kalenderjaar. Dit betreft een bestaand instrument uit de Participatiewet (artikel 31, lid 2 onderdeel j) dat tijdelijk ingezet kan worden voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

Op basis van het Amsterdamse voorstel en de hierover ontvangen nadere informatie van de gemeente, concludeer ik dat de voorgenomen werkwijze, mits zo uitgevoerd, past binnen de kaders van de Participatiewet. Amsterdam maakt op normale wijze gebruik van de mogelijkheden die de Participatiewet biedt. Dit laat onverlet dat de verordening tegenprestatie van Amsterdam niet voldoet aan de wettelijke voorschriften. Ik ga daarover met de gemeente in gesprek.

Mede omdat mij signalen bereiken uit diverse andere gemeenten dat de werkwijze van Amsterdam onderdeel is van lokale politieke discussies hecht ik er ook om die reden aan duidelijkheid te scheppen over wat wel en niet mogelijk is binnen de kaders van de Participatiewet. Ik zal daarom gemeenten in kennis stellen van deze brief.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark


X Noot
2

Kamerstuk 24 515, nr. 318.

X Noot
3

Kamerstuk 34 352, nr. 59.

X Noot
4

Kamerstuk 34 352, nr. 61.

X Noot
5

Kamerstuk 34 352, nr. 63.

X Noot
6

Zie ook Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nr. 1388.

Naar boven