Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734352 nr. 56

34 352 Uitvoering en evaluatie Participatiewet

Nr. 56 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 april 2017

Tijdens de regeling van werkzaamheden van 4 april vroeg u mij om een schriftelijke reactie op het manifest «Investeren in werk voor kwetsbare groepen» (Handelingen II 2016/17, nr. 63, item 13). Deze reactie geef ik met deze brief.

Op 28 maart verscheen het manifest «Investeren in werk voor kwetsbare groepen» ondertekend door wethouders van 209 gemeenten. De wethouders die het manifest ondertekenden roepen de politieke partijen op te waarborgen dat de kennisinfrastructuur en de instrumenten die nodig zijn om mensen te begeleiden naar betaald werk en werkgevers hierbij te ontzorgen, landsdekkend blijven bestaan. Daar ben ik het van harte mee eens. Ik zie dat gemeenten en sw-bedrijven de afgelopen jaren goede stappen hebben gezet, zowel op het terrein van de Wsw, als bij de instroom van de nieuwe doelgroep bij de gemeenten. Dit is gebeurd onder lastige budgettaire omstandigheden. Ik zal op beide terreinen hieronder kort schetsen waar we wat mij betreft nu staan en daarbij uiteraard ook ingaan op de zorgen die worden uitgesproken in het manifest.

Wsw

Wat betreft de Wsw zie ik inderdaad dat de transformatie van de sw-bedrijven in volle gang is. Hierbij verwijs ik graag naar mijn brief over de uitvoering van de motie Kerstens die ik u hierbij tegelijkertijd doe toekomen. Hierin wordt toegelicht hoe de 30 miljoen euro heeft bijgedragen aan deze transformatie van de sw-sector. Het aantal werknemers dat werkt bij reguliere werkgevers is gestegen van 34% in 2014 naar 38% in 2015. Uit de sector informatie van Cedris over 2015 blijkt daarbij dat door een verbetering van de omzet, beperking van de kosten en een terughoudende loonontwikkeling de efficiency van de sw-bedrijven gemiddeld gezien duidelijk is toegenomen. Er zijn echter grote verschillen tussen bedrijven. Cedris geeft daarbij aan dat verdere verhoging van de inkomsten door een breder dienstenaanbod en hogere tarieven noodzakelijk is om verdere verbetering door te zetten. Kortom we zijn er nog niet.

Ik begrijp de zorg die wordt geuit in het manifest of de ingezette verbeteringen in de pas blijven lopen met de efficiencykorting waarmee in het financieel kader van de Participatiewet is rekening gehouden. Deze korting loopt nog verder op tot en met 2020. Daarom hebben we met elkaar afgesproken om goed in de gaten te houden of deze aannamen houdbaar blijven door middel van de thermometer Wsw. Deze zal eind dit jaar weer uitkomen. In deze thermometer zal niet alleen een landelijk beeld worden geschetst maar zal ook meer in de diepte aandacht besteed worden aan hoe verschillende bedrijven omgaan met de prijs per arbeidsjaar. Zo hopen we meer inzicht te verkrijgen in de oorzaken achter de verschillen en hieruit lessen te trekken.

Over de volumeontwikkeling van de Wsw in 2016 hebben we al eerder, namelijk begin mei, de definitieve informatie beschikbaar. De voorlopige resultaten wijzen er op dat het gerealiseerde volume circa 300 arbeidsjaren lager is dan de raming die destijds bij de invoering van de Pwet is gemaakt. Ook in 2015 viel het gerealiseerde volume al wat lager uit dan geraamd. Actualisering van de raming lijkt dus nu niet nodig. Het blijft echter zaak om goed de vinger aan de pols te houden.

Het in het manifest genoemde LIV zal met ingang van 2017 een extra steun in de rug vormen voor werkgevers om werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt in dienst te nemen. Ook Wsw-bedrijven profiteren hiervan. Het is een extra bijdrage ten opzichte van het financiële beeld zoals deze is vastgesteld ten tijde van de invoering van de Participatiewet. Wel is het zo dat de wetgeving voor het LIV naar aanleiding van een verzoek van de Tweede Kamer zodanig is aangepast dat het financiële voordeel voor de sw-sector lager is geworden. Of hervorming van het LIV wenselijk is, is aan een nieuw kabinet.

Nieuwe doelgroep

Wat betreft de nieuwe doelgroep die sinds de invoering van de Participatiewet terecht kan bij de gemeente zie ik na een wat aarzelende start in 2015 nu een gestage groei. Gemeenten raken steeds beter bekend met de nieuwe doelgroep en hebben met name de jongeren die uitstromen uit Vso en Pro in toenemende mate in beeld. Gemeenten hebben ook verdere stappen gezet in de daadwerkelijke begeleiding van deze jongeren. Wel zijn er verbeterpunten gesignaleerd vooral als het gaat om jongeren met een lage arbeidsproductiviteit die niet altijd naar werk worden begeleid, maar bijvoorbeeld naar dagbesteding of vrijwilligerswerk. Ook de inzet van de jobcoach kan nog beter.1 Uit de gemeentelijke registraties blijkt ook dat er steeds meer re-integratie-instrumenten worden ingezet voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

Het aantal beschutte werkplekken is eind 2016 gestegen naar 200. De bonus beschut werk dient als een tijdelijke extra financiële stimulans, voor de opstartfase. Deze komt bovenop de middelen die reeds verstrekt zijn voor de financiering van de beschutte werkplekken. De bonus zal nog tot 2020 zorgen voor een financiële steun in de rug, naar verwachting zijn eventuele opstart problemen dan inmiddels wel verholpen.

Ook buiten het beschut werk gaan mensen aan de slag op de reguliere arbeidsmarkt. Ongeveer 4500 mensen waren eind 2016 aan de slag met een loonkostensubsidie en/of een jobcoach. Dat laat zien dat de nieuwe instrumenten nu op stoom beginnen te komen. Daarbij wordt de kennisinfrastructuur ondersteund door het programma Effectiviteit en Vakmanschap en het kennisprogramma Vakkundig aan het werk, beiden gefinancierd door het ministerie. Het programma Effectiviteit en Vakmanschap richt zich op de professionalisering van de klantmanager en wordt uitgevoerd door Divosa. Het kennisprogramma «Vakkundig aan het werk» wordt uitgevoerd door ZonMw, geeft meer inzicht in de effecten, en waar mogelijk de (randvoorwaarden voor) effectiviteit, van interventies op het gemeentelijke terrein van werk en inkomen, waaronder ook armoede en schulden.

In het manifest word gevraagd om het re-integratiebudget voor de nieuwe doelgroep op te hogen zodat voor iedere nieuwe doelgroeper intensieve begeleiding mogelijk wordt. Ten tijde van de invoering van de Participatiewet is voor degenen van wie wordt verwacht dat intensieve begeleiding nodig is een budget beschikbaar gesteld van circa € 4.000 euro per persoon. Voor de overige mensen uit de nieuwe doelgroep (die voor 2015 in de Wajong zouden stromen) is het re-integratiebudget van het UWV budgetneutraal overgeheveld. Dit bedrag is inderdaad minder dan € 4.000 per persoon maar intensieve begeleiding is niet voor iedereen uit deze groep wenselijk en noodzakelijk. In 2015 werkte van de Wajongers die in een regulier bedrijf meer dan 60% zonder begeleiding.

Samenvattend concludeer ik dat de herstructurering van de sw-sector en de ondersteuning van de nieuwe doelgroep van de Participatiewet steeds meer gestalte krijgen. Zoals ook de SER in zijn verkenning «Sociale infrastructuur kwetsbare groepen binnen de Participatiewet» (juni 2016) heeft aangegeven is een duurzame en sluitende sociale infrastructuur in elke arbeidsregio essentieel. Daarbij moet, in samenwerking met gemeenten, sociale partners en UWV, de expertise van de sw-bedrijven, die onontbeerlijk zijn, optimaal worden ingezet. Op die manier kunnen de kansen die de huidige conjuncturele omstandigheden bieden om ook de kwetsbare groepen aan het werk te helpen, worden benut. Dat vraagt forse inspanningen van alle betrokken partijen. Zoals ik hierboven heb aangegeven blijven we de financiële condities waaronder dit gebeurt goed monitoren, zodat we zo nodig aanpassingen kunnen bewerkstelligen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

Inspectie SZW, oktober 2016. Als je ze loslaat ben je ze kwijt.