34 351 Evaluatie Wet werk en zekerheid (Wwz)

Nr. 3 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 maart 2016

Naar aanleiding van een recent interview van de heer Van Straalen waarin hij zich kritisch heeft uitgelaten over de Wet werk en zekerheid (Wwz) heeft het lid Pieter Heerma gevraagd om een debat en om het voorafgaand daaraan ontvangen van een brief met een reactie op de uitspraken van de heer Van Straalen (Handelingen II 2015/16, nr. 58, Regeling van werkzaamheden). De heer Van Weyenberg heeft verzocht in deze brief ook antwoord te geven op de vraag of, gelet op het feit dat een van de ondertekenaars van het sociaal akkoord zich kritisch heeft uitgelaten over de genoemde wet, daarmee het sociaal akkoord niet langer geldig is.

Om met het laatste te beginnen, dat is niet het geval. In hetzelfde interview en in latere uitspraken heeft de heer Van Straalen zich volledig geschaard achter de doelstellingen van het sociaal akkoord, als ook de beoogde doelen van de Wwz, waaronder het bevorderen van het aangaan van bestendige arbeidsrelaties. Net als ik acht hij die zowel in het belang van werknemers als van werkgevers. Wel ziet hij een aantal knelpunten bij de uitwerking van de wet die een belemmering kunnen zijn om de beoogde doelen te realiseren.

Hoewel ik zijn conclusie niet op voorhand deel, en het wat mij betreft echt nog te vroeg is om een oordeel te vellen over de uitwerking van de Wwz, heb ik uiteraard wel aandacht voor de zorgen die hij heeft geuit. Het MKB is een belangrijke banenmotor en alleen al om die reden neem ik de uitlatingen van de heer Van Straalen, en zijn zorgen, zeer serieus.

Vorige week heb ik dan ook uitgebreid met hem en met de heer Heerts gesproken. In dat gesprek heeft hij bevestigd dat zijn handtekening onder het sociaal akkoord blijft staan. In het gesprek bleek ook dat wij nog steeds de uitgangspunten van de wet delen: bescherming tegen willekeur en zorgen voor meer zekerheid.

Ik heb aangegeven dat ik open sta voor een gesprek over verbeteringen van de wet als het de doelstellingen dient. We hebben afgesproken dat de heer Van Straalen zijn verbeterpunten inbrengt in de Stichting van de Arbeid en dat werkgevers en werknemers daarna met mij in gesprek gaan over eventuele verbeteringen van de wet. Ik ga ervan uit dat die gesprekken ruim voor de zomer zijn afgerond en zal uw Kamer over het resultaat hiervan berichten.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om uw Kamer ook te informeren over de eerste bevindingen van de verkenner seizoenarbeid, de heer De Waal. In zijn tussenrapportage van 7 maart jl. – die als bijlage bij deze brief is gevoegd1 – geeft de heer De Waal aan dat in de gesprekken die hij met sectoren heeft gevoerd in een beperkt aantal gevallen de cao-besprekingen al bleken te lopen. In de meeste gevallen was het gesprek tussen sociale partners echter nog niet echt op gang gekomen en in een enkel geval lag het onderhandelingsproces om andere redenen al enige tijd stil.

De heer De Waal geeft in zijn brief aan dat hij in alle gesprekken heeft aangedrongen op het starten of hervatten van gesprekken tussen cao-partijen, waarbij hij steeds heeft aangeboden daarbij behulpzaam te zijn. De heer De Waal is van mening dat het, net als het geval is in de land- en tuinbouw, ook in andere sectoren mogelijk moet zijn om in vergelijkbaar constructief cao-overleg tot oplossingen voor de seizoensproblematiek binnen de Wwz te komen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

Naar boven