Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-201634314 nr. C

34 314 Wijziging van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek in verband met de selectieve woningtoewijzing ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag

C MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 17 juni 2016

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene zaken en Huis van de Koning belast met het voorbereidend onderzoek naar het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek in verband met de selectieve woningtoewijzing ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag. Hierna wordt ingegaan op de vragen en opmerkingen uit dit verslag. De indeling van het verslag is gevolgd, waarbij op onderdelen vragen van gelijke strekking zijn samengevoegd.

1. Voorgeschiedenis van dit wetsvoorstel

De leden van de SP-fractie vragen om een chronologisch overzicht waarin wordt aangegeven in hoeveel en in welke gemeenten momenteel een of andere vorm van selectieve woningtoewijzing wordt toegepast waarbij woningzoekenden worden beoordeeld op overlastgevend en crimineel gedrag. Deze leden verzoeken om daarbij een onderscheid te maken tussen gemeenten waar deze vorm van selectieve woningtoewijzing plaatsvindt op basis van een wettelijke grondslag en gemeenten die dit toepassen zonder over een wettelijke grondslag hiervoor te beschikken.

Op basis van de mij beschikbare informatie, blijkt dat er 19 gemeenten zijn waar selectieve woningtoewijzing op basis van politiegegevens in het verleden is toegepast of op dit moment wordt toegepast.

gemeente

Periode

Aantal woningen waarvoor screening geldt/gold.

Amsterdam (Dichtersbuurt)

Sinds 2012

396

Arnhem

2010–2014

Ongeveer 245

Barendrecht

Sinds 2013

513

Borger Odoorn

Sinds 2007

minder dan 80

Capelle aan den IJssel

Sinds 2012

892

Culemborg

Sinds 2014

1.130

Dordrecht

Sinds 2016

Ongeveer 1.500

’s Hertogenbosch (Hambaken)

Sinds 2009

916

’s Hertogenbosch (Barten Zuid)

Sinds 2005

496

Hoogeveen

Sinds 2007

wisselend aantal

Midden Drenthe

Sinds 2015

44

Nijmegen

Sinds 2004

335

Nissewaard

Sinds 2012

3.550

Ridderkerk

Sinds 2013

2.523

Rotterdam

Sinds 2009

200 straten

Utrecht (Geuzenwijk)

1997–2011

900

Utrecht (Zwanenvechtplein)

2011–2014

400

Utrechtse Heuvelrug

Sinds 2013

70

Zaltbommel

Sinds 2012

338

Zoetermeer

Sinds 2015

327

Zwolle

Sinds 2013

Ongeveer 400

In de meeste gemeenten vindt de screening van woningzoekenden plaats op basis van een convenant tussen de gemeente, de woningcorporatie en de politie. De grondslag voor de verstrekking van de politiegegevens aan de burgemeester wordt gebaseerd op artikel 16, eerste lid, onderdeel c, onder 2, van de Wet politiegegevens. Op basis van die bepaling kunnen politiegegevens verstrekt worden aan de burgemeester voor zover dat noodzakelijk is in het kader van de handhaving van de openbare orde. De Wet politiegegevens biedt geen grondslag om aan woningzoekenden huisvesting te weigeren ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag. Met voorliggend wetsvoorstel wordt de praktijk van selectieve woningtoewijzing voorzien van een wettelijke grondslag en van de nodige rechtswaarborgen voor woningzoekenden.

De leden van de SP-fractie ontvangen graag een gemotiveerd overzicht van alle incidenten die tot nu toe in alle gemeenten, met of zonder wettelijke grondslag, gehanteerd zijn bij de beoordeling door de politie van de door een gemeente bij de politie ingediende aanvraag voor het bepalen van het zogenaamde woonrisico, waarbij wordt aangegeven hoe vaak en op welke wijze bij het bepalen van het woonrisico de politie een of andere vorm van overlast heeft vermeld die veroorzaakt is door, dan wel op enigerlei wijze gerelateerd is aan, de «verwarde» geestelijke gesteldheid van betrokkene. Tevens vernemen deze leden graag of het aantal door de politie gemelde incidenten met verwarde personen de afgelopen jaren sterk gestegen is.

De meeste gemeenten waar screening van woningzoekenden plaatsvindt, maken gebruik van het modelconvenant dat door het Landelijk Platform Woonoverlast is ontwikkeld. Daarin zijn de volgende overlast- en hindercriteria opgenomen:

  • ernstige (geluids)overlast in of rond de woning;

  • misdragingen in of rond de woning;

  • handel in verdovende middelen of overige activiteiten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld;

  • gewelddadigheden naar de directe omgeving;

  • drank- of drugsmisbruik;

  • asociale verhuurder.

Er is geen overzicht beschikbaar van alle incidenten die voor de politie aanleiding zijn geweest om een negatief advies af te geven als zij het woonrisico te groot achtten. Bij het bepalen van het woonrisico is evenmin bekend hoe vaak en op welke wijze een vorm van overlast werd veroorzaakt door of gerelateerd is aan verwarde personen.

Uiteraard kan het voorkomen dat in een aangewezen complex, straat of gebied aan een verward persoon huisvesting wordt geweigerd of dat deze persoon alsnog een huisvestingsvergunning krijgt met een gedragsaanwijzing. In uitzonderlijke gevallen kan ook toepassing worden gegeven aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van dit wetsvoorstel. Het is daarom van belang dat eerst wordt gekeken naar de zorgbehoefte van de betrokken verwarde persoon. In dat kader bevordert het Aanjaagteam Verwarde Personen structureel overleg tussen relevante partijen op lokaal niveau om te komen tot een persoonsgerichte aanpak voor en met mensen met verward gedrag. Op 19 februari 2016 heeft het Aanjaagteam een tussenrapportage gepubliceerd, getiteld «Samen doorpakken: op weg naar een meer persoonsgerichte aanpak voor en met mensen met verward gedrag», met daarin praktische handreikingen en bouwstenen om een sluitende aanpak te realiseren.1 Sinds 2011 registreert de politie het aantal incidenten van personen met verward gedrag, de zogenaamde E33-meldingen. Er is geen onderscheid gemaakt tussen incidenten met en zonder strafbaar feit. Uit deze cijfers blijkt een stijging van het aantal registraties van overlast door verwarde personen van 40.012 in 2011 naar 65.831 in 2015. Het gaat hierbij om een toename van het aantal registraties van incidenten en niet zonder meer om een toename van het aantal verwarde personen. Eenzelfde persoon kan zorgen voor meerdere registraties en bij één registratie kunnen ook meerdere personen betrokken zijn. Verder kan in dit verband worden opgemerkt dat tijdens de plenaire behandeling door de Tweede Kamer van dit wetsvoorstel de heer Bashir (SP) bij motie2 ook aandacht heeft gevraagd voor een sluitende aanpak om de oorzaken en gevolgen van overlast door verwarde personen te minimaliseren.3

De leden van de PvdA-fractie vragen of de keuze voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG) of een antecedentenonderzoek een «vrije» keuze is voor de woningzoekende. Tevens vernemen deze leden graag welke ruimte de burgemeester van de betreffende plaats heeft bij beoordeling of een VOG in voldoende mate relevante informatie bevat dan wel dat een woning toegewezen kan worden zonder antecedentenonderzoek. De leden van de PvdA-fractie gaan ervan uit dat het uitsluitend ontbreken van een VOG onvoldoende grond is om iemand huisvesting te weigeren en willen dan ook graag vernemen of de regering hun zienswijze onderschrijft.

Als een woningzoekende zich wil huisvesten in een woonruimte in een aangewezen complex, straat of gebied waar selectieve woningtoewijzing wordt toegepast ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag, dan dient hij een huisvestingsvergunning aan te vragen. Wanneer de aspirant-huurder voldoet aan de overige criteria in de huisvestingsverordening voor het aanvragen van een huisvestingsvergunning dan vindt vervolgens een verplichte screening plaats waarbij ofwel een VOG wordt verlangd ofwel onderzoek gedaan wordt op basis van relevante politiegegevens Afhankelijk van de problematiek en de mate en aard van overlast en criminaliteit in een complex, straat of gebied dient de gemeenteraad in de aanvraag tot aanwijzing ervan gemotiveerd aan te geven voor welk instrument gekozen wordt. In de aanwijzing door de Minister voor Wonen en Rijksdienst en in de huisvestingsverordening wordt vervolgens opgenomen welk instrument het college van burgemeester en wethouders mag gebruiken in het desbetreffende complex, de straat of het gebied. De woningzoekende heeft hierbij dus geen eigen keuze.

Het onderzoek voor het al dan niet verlenen van een VOG wordt uitgevoerd door de dienst Justis, namens de Minister van Veiligheid en Justitie. Indien een woningzoekende het niet eens is met het voornemen tot afwijzing van een VOG, dan heeft de aanvrager van de VOG de mogelijkheid om binnen twee weken een zienswijze in te dienen bij de dienst Justis. Ook bestaat de mogelijkheid om tegen een beslissing van de dienst Justis om geen VOG te verlenen, bezwaar en beroep in te stellen. Op basis van de wel of niet overlegde VOG neemt het college van burgemeester en wethouders vervolgens een besluit op de aanvraag van de huisvestingsvergunning. De burgemeester heeft daarbij geen ruimte om te beoordelen of een VOG voldoende relevante informatie bevat. Ook heeft hij geen ruimte om te beslissen of een woning kan worden toegewezen zonder antecedentenonderzoek. Indien de woningzoekende geen VOG kan overleggen, zal het college van burgemeester en wethouders de woningzoekende op de hoogte stellen van het voornemen tot weigering van een huisvestingsvergunning en de mogelijkheid bieden zijn zienswijze hierop kenbaar te maken. In bepaalde gevallen kan het college van burgemeester en wethouders toepassing geven aan de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van dit wetsvoorstel en alsnog een huisvestingsvergunning verlenen. Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn indien een familielid dat zich op een later tijdstip bij de houder van een huisvestingsvergunning zou willen huisvesten, geen VOG kan overleggen.

2. Het wetsvoorstel selectieve woningtoewijzing

De leden van de VVD-fractie geven aan dat gemeenten bij de aanvraag van een gebiedsaanwijzing onder meer moeten voldoen aan de eisen van subsidiariteit en effectiviteit. Daartoe moet de gemeenteraad aangeven welke andere sociale en fysieke maatregelen reeds getroffen zijn, alsmede het al dan niet voldoende resultaat van die inzet. Deze leden vernemen graag hoe de inzet en het effect van eerdere en andere maatregelen door de Minister gemeten en beoordeeld zullen gaan worden, aangezien er telkens nieuwe varianten van maatregelen denkbaar zijn en een effectmeting jaren kan duren.

De discussie over de noodzaak, geschiktheid, subsidiariteit en proportionaliteit vindt allereerst plaats in de gemeenteraad. De aanvraag voor een gebiedsaanwijzing moet immers door de gemeenteraad worden ingediend. De reeds ingezette andere, minder ingrijpende maatregelen vervallen niet nadat een gebied is aangewezen, maar blijven van kracht om de leefbaarheidsproblemen in het aangewezen gebied te verhelpen, naast de inzet van de maatregelen uit de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp). De gemeenten die de maatregelen uit de Wbmgp toepassen, moeten de effecten monitoren. Voor een eventuele verlengingsaanvraag moet immers opnieuw een goed onderbouwde aanvraag door de gemeenteraad worden ingediend.

De leden van de CDA-fractie juichen toe dat maatwerk mogelijk wordt door naast gebieden ook straten en complexen aan te wijzen. Zij vragen de regering om een reactie op het feit dat het in de praktijk lastig kan zijn om betrouwbare statistische gegevens te verzamelen voor deze kleinere «gebieden».

Wanneer het bij een aanvraag op straat- of complexniveau met de beschikbare monitorinstrumenten niet mogelijk is om op dat schaalniveau kwantitatieve gegevens te genereren, dan kan de gemeente na contact met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een kwalitatieve onderbouwing aanleveren om de noodzaak van de maatregel voldoende aannemelijk te maken.

De leden van de VVD-fractie merken verder op dat het wetsvoorstel voorziet in een beslistermijn van 13 weken op de aanvraag van de gemeenteraad door de Minister. Zij vragen zich af of deze termijn omzeild kan worden door een afwijzend besluit van de Minister, gevolgd door een nieuwe aangepaste aanvraag door de gemeenteraad. Deze leden zijn bezorgd dat dit de kans met zich mee zou kunnen brengen van een langdurige vertraging als gevolg van een verschil van mening tussen gemeente en Minister, hetgeen deze leden zouden betreuren.

Voor gemeenten die een aanvraag overwegen is een handreiking opgesteld met een checklist van onderwerpen die in de aanvraag aan bod moeten komen. Ook wordt deze gemeenten geadviseerd om in een zo vroeg mogelijk stadium contact op te nemen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zodat de aanvraag aan alle procedurele en inhoudelijke eisen voldoet en de aanvraagprocedure zo vlot mogelijk kan verlopen. Mocht er na formele indiening van de aanvraag alsnog relevante informatie ontbreken, dan wordt de gemeenteraad verzocht om de aanvullende informatie te verstrekken. De beslistermijn van 13 weken, die na inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel wordt verkort tot 8 weken, wordt in dat geval opgeschort totdat de gemeenteraad de aanvullende informatie heeft verstrekt. De gemeenteraad blijft verantwoordelijk voor de ingediende aanvraag, waarbij voldoende aannemelijk moet worden gemaakt dat de beoogde gebiedsaanwijzing voldoet aan de toetsingscriteria, bedoeld in artikel 6 van de Wbmgp. Indien de Minister voor Wonen en Rijksdienst de aanvraag afwijst, kan de gemeenteraad daartegen bezwaar en beroep instellen.

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat er voor woningzoekenden, die zich door de toepassing van de maatregel niet kunnen huisvesten in een aangewezen gebied, voldoende geschikte huisvesting binnen de regio beschikbaar moet zijn. Deze leden vragen zich daarom af of dit betekent dat deze afgewezen woningzoekende urgentie of voorrang krijgt.

De woningzoekende die geen huisvestingsvergunning krijgt in een aangewezen complex, straat of gebied, krijgt op basis van dit wetsvoorstel niet automatisch een urgentiestatus. De gemeenteraad kan, indien hij dit noodzakelijk acht, in de huisvestingsverordening bepalen dat voor een of meer aangewezen categorieën woonruimte voorrang wordt gegeven bij het verlenen van een huisvestingsvergunning aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is. In de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad criteria vastleggen wie als urgent woningzoekende wordt aangemerkt.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of een woning moet worden gereserveerd voor een woningzoekende indien tegen de afwijzing van een huisvestingsvergunning bezwaar is ingesteld dan wel een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter wordt aangevraagd en wie de kosten van de leegstand dan betaalt of dat de reclamant een voorrangspositie krijgt voor een andere woning, indien de huisvestingsvergunning alsnog verleend wordt naar aanleiding van het bezwaar of beroep.

Het instellen van bezwaar of beroep tegen een besluit tot weigering van een huisvestingsvergunning heeft geen schorsende werking. Dit betekent dat de verhuurder de woning aan een andere woningzoekenden die in aanmerking komt voor de woning kan verhuren, mits deze een huisvestingsvergunning heeft. Uiteraard kan een woningzoekenden tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure een voorlopige voorziening vragen bij de bestuursrechter. Maar of de rechter in zo’n voorlopige voorziening zal bepalen dat de woning niet verhuurd mag worden aan een andere woningzoekende die wel over een huisvestingsvergunning beschikt, is zeer de vraag. Er hoeft dus geen woning gereserveerd te blijven, indien de woningzoekende bezwaar of beroep instelt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een huisvestingsvergunning. Daardoor is er ook weinig kans dat er leegstand zal ontstaan ten gevolge van dit wetsvoorstel. Indien het bezwaar of beroep gegrond is verklaard en de betreffende woning reeds is verhuurd, kan de woningzoekende reageren op een alternatieve woning in een aangewezen complex, straat of gebied. Hoewel geen sprake is van een wettelijk verplichte voorrangspositie, ligt het in de rede dat het college van burgemeester en wethouders, indien er een andere passende woning beschikbaar is, zo snel mogelijk een huisvestingsvergunning verleent voor die woning. Ook zou de gemeenteraad in de huisvestingsverordening kunnen bepalen dat woningzoekenden, waarvan het bezwaar of beroep tegen de afwijzing van een huisvestingsvergunning gegrond is verklaard, met voorrang worden gehuisvest in een gelijkwaardige woning.

De leden van de VVD-fractie willen verder graag vernemen of de verhuurder een mogelijkheid heeft om een huurder te weigeren indien deze over een huisvestingsvergunning beschikt, omdat de verhuurder verwacht dat hij ten gevolge van wangedrag verwacht dat de huurder zijn plicht met betrekking tot ongestoord gebruik en woongenot van nabijgelegen woningen niet kan waarmaken of uit eigen bron over informatie over een woningzoekende beschikt.

De verhuurder heeft op basis van het privaatrecht contractsvrijheid om een aspirant-huurder te weigeren als blijkt dat deze zich eerder als huurder schuldig heeft gemaakt aan slecht betalingsgedrag of ander wangedrag en er dus een gerechtvaardigde vrees is dat de aspirant-huurder de huurovereenkomst niet zal nakomen of zich niet zal gedragen als een goed huurder. Ook kan in een gesprek met de verhuurder blijken dat niet kan worden voldaan aan de gestelde inkomenseisen of dat de woning niet passend is voor de woningzoekende. Slechts op het moment dat de verhuurder een huurovereenkomst wil aangaan met de betreffende woningzoekende, kan de woningzoekende een huisvestingsvergunning voor die woning aanvragen bij de gemeente. In de algemene maatregel van bestuur op basis van dit wetsvoorstel zal worden geregeld dat de verhuurder de woningzoekende een «bereidverklaring» moet verstrekken, indien hij voornemens is met de woningzoekende een huurovereenkomst aan te gaan. Dit is een schriftelijke verklaring van of namens de eigenaar van een woonruimte dat hij bereid is die woonruimte aan de aanvrager van de huisvestingsvergunning in gebruik te geven. Door deze bereidverklaring, die de woningzoekende bij de aanvraag van de huisvestingsvergunning moet overleggen aan de gemeente, wordt voorkomen dat woningzoekenden nodeloos een huisvestingsvergunning gaan aanvragen en er bij verlening van die vergunning toch geen huurovereenkomst wordt gesloten. Deze systematiek wordt reeds in gemeenten toegepast waar een huisvestingverordening in verband met schaarste aan goedkope woonruimte van kracht is.

De leden van de VVD- en de CDA-fractie vragen op welk niveau van de Nationale Politie de politiegegevens verzameld en geanalyseerd zullen gaan worden: op het niveau van de regionale politie-eenheid of door een centraal bureau van de Nationale Politie. Ook vragen de leden van de VVD-fractie zich af of er behoefte zou kunnen zijn aan eenvormigheid bij de gegevensverstrekking, en zo ja, hoe dat binnen de politieorganisatie kan worden opgelost.

Op basis van dit wetsvoorstel verstrekt de politiechef van de regionale eenheid de relevante politiegegevens en de duiding ervan aan de burgemeester. Uiteraard kan de politiechef van de regionale eenheid deze taak mandateren aan een ondergeschikte. De politiechef van de regionale eenheid blijft wel verantwoordelijk voor het juist uitvoeren van deze opdracht. Het is onwenselijk om dit bij een centraal bureau van de politie te beleggen, omdat juist de duiding van de gevonden politiegegevens beter kan plaatsvinden op het decentrale niveau. De politiechef van de regionale eenheid of de door hem gemandateerde kan voor de duiding immers makkelijker contact opnemen met de wijkagent of de agent die de politiegegevens heeft ingevoerd om eventueel nader te infomeren naar de context van de melding. Deze werkwijze sluit aan op de aanbeveling in het rapport over de impactanalyse om de verstrekking en duiding te beleggen bij het regionaal of districtelijk informatieknooppunt binnen de politieorganisatie, zoals dat bij de screening in de praktijk voor enkele steden al het geval is.4 Wel zullen de regionale eenheden hun werkwijzen op elkaar afstemmen. Zo wordt een efficiënte en eenvormige gegevensverstrekking bevorderd.

Op basis van de Wet politiegegevens is de korpschef van de politie verantwoordelijk voor de verwerking van politiegegevens. Hij heeft deze taak uiteraard gemandateerd aan onder meer de politiechefs van de regionale eenheden, die dit verder kunnen mandateren aan hun ondergeschikten. Op die wijze blijft de korpschef de uiteindelijke systeemverantwoordelijke voor de verwerking en verstrekking van politiegegevens, als bedoeld in artikel 6 van de Wet politiegegevens, terwijl de concrete uitvoering plaatsvindt op decentraal niveau. Vanuit deze systeemverantwoordelijkheid zal de korpschef werkinstructies kunnen geven over de wijze waarop de verstrekking in de praktijk dient plaats te vinden in het kader van dit wetsvoorstel. Een duiding in schriftelijke vorm en een afstemming op landelijk niveau door de regionale eenheden omtrent hun werkwijzen maken daarvan onderdeel uit.

De leden van de VVD-fractie willen graag weten of bij de capaciteit die nodig is voor handhaving ook rekening is gehouden met een uitbreiding van gedragsvoorschriften en andere vergunningsvoorwaarden en of het gewenste maatwerk bij vergunningsvoorwaarden deze handhaving niet extra arbeidsintensief maakt.

In het uitgevoerde onderzoek naar de bestuurlijke lasten, waaronder de kosten voor de handhaving vallen, wordt er op basis van de gehouden interviews van uit gegaan dat de controle en handhaving van de huisvestingsvergunningen die onder de Wbmgp worden afgegeven, kan worden ingevuld binnen de huidige, reguliere handhavingsactiviteiten in het kader van bijvoorbeeld de Huisvestingswet 2014 en de Woningwet.5 Het is moeilijk te voorspellen in hoeverre het opleggen van eventuele gedragsaanwijzingen extra handhavingscapaciteit vergt. De omvang is ook afhankelijk van het aantal screenings dat per jaar moet worden uitgevoerd. In de uitgevoerde evaluaties wordt uitgegaan van een grote preventieve werking. Door duidelijke communicatie vooraf zullen de meeste woningzoekenden met criminele of overlastgevende antecedenten naar verwachting geen huisvestingsvergunning voor een woonruimte in een aangewezen complex, straat of gebied aanvragen, waardoor het aantal afwijzingen ook beperkt zal zijn. Deze preventieve werking zal ook effect hebben op het aantal verleende huisvestingsvergunningen waaraan voorschriften in de vorm van gedragsaanwijzingen worden verbonden. De screeningsmaatregel voorkomt in elk geval dat steeds nieuwe overlastgevers of criminelen in het aangewezen gebied komen wonen, zodat de druk op het handhavingsapparaat niet verder toeneemt. Verder zou het opleggen van gedragsvoorschriften op termijn wellicht ook handhavingscapaciteit kunnen besparen als daarmee escalatie van overlastgevende situaties (en zwaarder ingrijpen) kan worden voorkomen. Ten slotte wordt opgemerkt dat de capaciteit die nodig is voor de handhaving van de gedragsvoorschriften uiteraard ook afhangt van de aard van het desbetreffende ge- of verbod. De gemeente zal met andere partijen, zoals politie, verhuurder of hulpverlenende instelling, afspraken moeten maken over hun benodigde inzet voor de naleving.

De leden van de fractie van D66 aan vragen om nog eens te beargumenteren waarom de regering dit instrument mogelijk wil maken voor alle gemeenten, terwijl de Afdeling advisering van de Raad van State zeer kritisch was over het wetsvoorstel en uit de evaluatie van de Universiteit van Amsterdam (UvA) zou blijken dat selectieve toewijzing geen aantoonbaar effect heeft op de leefbaarheid. Tevens vernemen deze leden graag waarom de regering heeft besloten artikel 8 te handhaven, nu er een gerichte screeningsmogelijkheid komt, zoals verwoord in artikel 10 en volgende van dit wetsvoorstel. Ook de leden van de SP-fractie verzoeken de regering specifiek te reageren op de uitkomsten van de wetenschappelijke evaluatie van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek door de UvA van oktober 2015.

Het advies van de Raad van State betreft de maatregel van selectieve woningtoewijzing ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag, terwijl het onderzoek van de UvA uitsluitend betrekking heeft op de effecten van de toepassing van artikel 8 van de Wbmgp, in de periode 2004 – 2013 in de aangewezen gebieden in de gemeente Rotterdam. Dit is de maatregel waarbij woningzoekenden geweerd kunnen worden op basis van het feit dat ze geen inkomen uit bedrijf of beroep hebben. Uit dat onderzoek komt naar voren dat deze maatregel niet aantoonbaar heeft bijgedragen aan een verbetering van de veiligheid. De leefbaarheid wordt beïnvloed door zowel de fysieke kwaliteit van de leefomgeving, de bevolkingssamenstelling, de sociale cohesie, als de veiligheid. Het onderzoek toont aan dat door toepassing van de maatregel de bevolkingssamenstelling in de aangewezen buurten is veranderd en er meer mensen wonen met inkomen uit arbeid. De maatregel heeft dus wel effect gehad op de bevolkingssamenstelling. Daarom acht ik het opportuun om deze maatregel te handhaven.

De reden waarom de regering met dit wetsvoorstel de selectieve woningtoewijzing ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag mogelijk wil maken voor gemeenten is dat in bepaalde complexen, straten of gebieden de leefbaarheid voornamelijk wordt beïnvloed door het veiligheidsaspect. Door een concentratie van bewoners die zich bezig houden met criminele en overlastgevende gedragingen wordt de veiligheid en het welzijn van andere bewoners ernstig aangetast. Het leidt tot verpaupering van een wijk en tast de sociale stabiliteit aan. Daarnaast heeft overlastgevend en crimineel gedrag een uitlokkend effect en leidt dit tot verdere normvervaging en tot een neerwaartse spiraal. Er bestaat een verband tussen de leefbaarheid van de buurt waarin jongeren opgroeien en de kans dat ze overlastgevend of crimineel gedrag ontplooien.6 Het doel van dit wetsvoorstel is om die negatieve spiraal van overlast en criminaliteit in gebieden die kampen met een cumulatie van leefbaarheidproblemen een halt toe te roepen.

De aanwijzing van complexen, straten of gebieden zal uitsluitend plaats vinden indien zich daar een cumulatie van leefbaarheidsproblemen voordoet, die niet met minder ingrijpende maatregelen kan worden aangepakt; de Wbmgp is een ultimum remedium. Tevens moet de gemeenteraad bij de aanvraag tot aanwijzing aannemelijk maken dat woningzoekenden, die zich niet kunnen huisvesten in de aangewezen complexen, straten en gebieden, voldoende mogelijkheden houden om binnen de regio passende huisvesting te vinden. De Minister voor Wonen en Rijksdienst, kan hierover een advies vragen aan gedeputeerde staten van de provincie waarin de gemeente gelegen is. In de praktijk wordt altijd zo’n advies gevraagd. Dat het hierbij om een beperkt aantal gebieden gaat, blijkt ook uit metingen met de Leefbaarometer. Een ruime meerderheid (ongeveer tachtig procent) van de Nederlandse bevolking woont in buurten waar de leefbaarheid op peil is.7

De leden van de fractie van D66 stellen vast dat er reeds 13 gemeenten zijn waar selectieve woningtoewijzing ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag in praktijk is gebracht, zonder dat daarvoor een afdoende wettelijke grondslag bestaat. Daarom willen deze leden graag weten waarom de betreffende gemeenten de vrijheid hadden de regeling toe te passen terwijl er geen wettelijke grondslag voor was.

Sinds de inwerkingtreding van de Wet revitalisering generiek toezicht is het toezicht op de gemeenten voor wat betreft de toepassing van de maatregelen uit de Huisvestingswet 2014 en de Wbmgp belegd bij gedeputeerde staten van de provincie waarin de gemeente gelegen is. Toen duidelijk werd dat in een aantal gemeenten woningcorporaties met medewerking van de gemeente en politie screening van woningzoekenden in bepaalde buurten toepasten, hebben de gedeputeerde staten van de betreffende provincies dit oogluikend toegestaan, omdat het op zeer beperkte schaal plaatsvond en de ernst van de problematiek waarmee deze gemeenten kampten dusdanig groot was, dat deze maatregel noodzakelijk was. Gezien het feit dat het huidige wetsvoorstel reeds in voorbereiding was, waarmee deze praktijk in goede banen wordt geleid en van de noodzakelijke waarborgen voor woningzoekenden wordt voorzien, lag het niet voor de hand om door middel van indeplaatstreding de betreffende gedeputeerde staten te overrulen. Bovendien zijn er tot op heden geen signalen ontvangen van onzorgvuldig gebruik van politiegegevens door de gemeenten. Het is aan de rechter om te oordelen of in een individueel geval een inbreuk is gemaakt op de grondrechten van een woningzoekende door de toepassing van deze praktijk. Een individuele woningzoekende zou via de civielrechtelijke weg de woningcorporatie of via de bestuursrechtelijke weg de gemeente kunnen aanspreken, indien er eventueel schade is geleden als gevolg hiervan. Indien uw Kamer, onverhoopt, dit wetsvoorstel niet zou aannemen en er dus geen wettelijke grondslag is voor deze vorm van selectieve woningtoewijzing, zal met de gedeputeerde staten van de provincies waarin de gemeenten gelegen zijn, worden bezien hoe zij maatregelen kunnen nemen in het kader van interbestuurlijk toezicht om deze praktijk te stoppen.

Aangezien de maatregelen uitsluitend kunnen worden ingezet als een ultimum remedium vragen de leden van de SP-fractie om gemotiveerd aan de tonen welke andere maatregelen, met verwijzing naar onderdeel 4.2 van de memorie van toelichting, die minder inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer en de keuzevrijheid van betrokkenen, met name in Rotterdam genomen zijn, wat de resultaten van die andere maatregelen zijn, en waarom die andere maatregelen en inspanningen van de kant van de lokale overheid onvoldoende soelaas bieden en welke afwegingen de gemeente Rotterdam en de regering daarbij hebben gemaakt.

Volgens de Wbmgp moet de gemeenteraad voldoende aannemelijk maken dat de aanwijzing van een complex, straat of gebied noodzakelijk en geschikt is en voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Dat betekent dat een gemeente die een aanvraag voor een gebiedsaanwijzing voor het toepassen van selectieve woningtoewijzing ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag wil indienen, ook aannemelijk moet maken dat eerder ingezette, minder ingrijpende maatregelen om de leefbaarheid en veiligheid te verbeteren geen of onvoldoende effect hebben gehad. Voor gemeenten die een aanvraag overwegen is een handreiking opgesteld met daarin procedurele en inhoudelijke eisen waaraan de aanvraag moet voldoen. Indien de gemeenteraad van Rotterdam na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel een aanvraag overweegt, zal de Minister voor Wonen en Rijksdienst op dat moment die aanvraag toetsen aan de criteria in artikel 6 van de Wbmgp. Uiteraard kan daar nu niet op worden vooruit gelopen. Ten slotte kan worden opgemerkt dat de in onderdeel 4.2 van de memorie van toelichting vermelde instrumenten, in vergelijking tot dit wetsvoorstel, geen preventieve mogelijkheden bieden die er op gericht zijn te voorkomen dat overlastgevende of criminele woningzoekenden een woonruimte betrekken in gebieden waar de leefbaarheid onder druk staat. In aansluiting op de toepassing van dit wetsvoorstel als ultimum remedium en de inzet van andere maatregelen, is in de bovengenoemde handreiking tevens vastgelegd dat gemeenten in hun aanvraag aangeven welke maatregelen zijn overwogen en worden ingezet om alternatieve woonruimte aan te bieden aan overlastgevers, zoals Skaeve Huse. Dit naar aanleiding van de plenaire behandeling door de Tweede Kamer van dit wetsvoorstel, waarbij de heer Madlener (PVV) bij motie8 aandacht heeft gevraagd voor deze aanvullende maatregel.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kennis heeft kunnen nemen van dit artikel in het Financieel Dagblad van 9 mei jongstleden met de titel «Inzicht in structuren» «Zolang het onder de radar blijft, ettert het door» waarin verwezen wordt naar de voordelen die het ontsluiten van gegevensbestanden voor fraudeonderzoek en criminaliteitsbestrijding. Deze leden vernemen graag hoe de gewenste koppeling van gegevensbestanden zich verhoudt tot het artikel 10b, zevende lid, van dit wetsvoorstel waarin de inventarisatie en beoordeling uitsluitend worden beoogd ten behoeve van het verlenen van een huisvestingsvergunning.

Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van genoemd artikel en merkt hierbij op dat voor het koppelen van gegevensbestanden een wettelijke basis vereist is. Volgens artikel 10, eerste lid van de Grondwet, heeft ieder, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. In het kader van onderhavig wetsvoorstel stellen onder meer de Wet politiegegevens en de Wet bescherming persoonsgegevens regels voor het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens. De Wet politiegegevens is van toepassing voor zover de politiegegevens worden verwerkt en verstrekt door de politie en op het moment dat de politiegegevens aan derden zijn verstrekt is het regime van de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing. De Wet bescherming persoonsgegevens bevat ondermeer voorschriften die betrekking hebben op het beginsel van de doelbinding. In het kader van dit wetsvoorstel wordt voorkomen dat persoonsgegevens voor een ander doel worden gebruikt als waarvoor ze door de politie zijn verstrekt. Met artikel 10b, zevende lid, van het wetsvoorstel is dit uitgangspunt uitdrukkelijk in het wetsvoorstel opgenomen naar aanleiding van het aangenomen amendement van Tweede Kamerlid de heer Koolmees.9 Onder strenge voorwaarden zijn er ook mogelijkheden voor het verwerken van (persoons)gegevens ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek.

3. Relatie met grondrechten

Volgens de leden van de VVD-fractie blijkt uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat vormen van ernstige woonoverlast die direct effect hebben op het privéleven van de andere bewoners een positieve verplichting voor de overheid met zich meebrengen om op te treden tegen die woonoverlast of maatregelen te treffen ter voorkoming van verdere woonoverlast. In dit wetsvoorstel is gestreefd naar evenwicht tussen de rechten van de slachtoffers en de rechten van de potentiële overlastgevers. Deze leden vernemen graag hoe de rechten van de slachtoffers worden beschermd met dit wetsvoorstel. Tevens willen deze leden graag weten welke andere mogelijkheden slachtoffers hebben dan het accepteren van de overlast, nolens volens, hun beklag doen of verhuizen. In de ontwerptekst van het wetsvoorstel is volgens deze leden kwantitatief bezien geen sprake van evenwicht tussen aandacht voor rechten van de slachtoffers en die van potentiële overlastgevers. Deze leden vragen daarom of dit in kwalitatief opzicht anders is.

Terecht merken de leden van de VVD-fractie op dat er kwantitatief gezien slechts beperkt aandacht is voor de slachtoffers van overlast en criminaliteit. De reden hiervoor is dat het wetsvoorstel de slachtoffers van overlast en criminaliteit wil beschermen en daartoe een beperking van de rechten en vrijheden van potentiële woningzoekenden noodzakelijk is. Zo’n mogelijke beperking van het recht op vrijheid van vestiging en privacy van woningzoekenden die zich willen huisvesten in door de Minister voor Wonen en Rijksdienst aangewezen complexen, straten en gebieden moet in de memorie van toelichting onderbouwd worden op nut, noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit. Deze mogelijke beperking van grondrechten van bepaalde woningzoekenden met overlastgevende en criminele antecedenten in een beperkt aantal complexen, straten en gebieden in Nederland, heeft nadrukkelijk als doel het ongestoord en veilig woongenot van bewoners van deze complexen, straten en gebieden te bevorderen, indien de inzet van minder ingrijpende maatregelen niet het beoogde effect heeft.

Wat betreft de mogelijkheden die slachtoffers van woonoverlast hebben, kan in eerste instantie gedacht worden aan de tussenkomst van een huismeester, een buurtbemiddelaar of aan professionele mediation, in gevallen waarin bewoners er onderling niet uitkomen. Ook kan gedacht worden aan het melden van woonoverlast bij een meldpunt of bij de politie, waarbij het van belang is dat consequent en snel wordt gereageerd en zichtbaar wordt opgetreden, of aan het inschakelen van een buurtregisseur of straatcoach, aan de inzet van zorgverleningstrajecten en gedragsaanwijzingen bij huurcontracten voor overlastgevers. Ook kan verzocht worden om fysieke maatregelen te treffen in de openbare ruimte (bv. hekken plaatsen, bankjes verwijderen). Verder is er bij ernstige vormen van overlast ook de mogelijkheid om een civielrechtelijke procedure te starten, leidend tot een overlast-, straat- of contactverbod.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de ingrijpendheid van de selectieve toewijzing en de beperking van grondrechten moeten leiden tot een gebiedsaanwijzing door de Minister (memorie van toelichting, p. 31, derde alinea) en waarom dit niet aan de gemeenteraad of de burgemeester kan worden opgedragen. Tevens vernemen deze leden graag of dit aspect ook kan worden betrokken bij de vijfjaarlijkse evaluatie (memorie van toelichting, p. 60).

Een beperking van de vrijheid van vestiging is een maatregel die uitsluitend kan worden toegepast als een ultimum remedium. De gebiedsaanwijzing door de Minister voor Wonen en Rijksdienst op verzoek van de gemeenteraad, bouwt de zekerheid in dat deze maatregel niet preventief of lichtvaardig wordt ingezet. Tevens wordt in een procedure voor het EHRM of het Hof van Justitie van de EU, niet de gemeente maar de Staat der Nederlanden aangesproken. Het is dan ook evident dat voor de toepassing van een maatregel waarin de grondrechten van woningzoekenden mogelijk worden beperkt eerst de goedkeuring van de Minister voor Wonen en Rijksdienst nodig is. In verband met de beperking van de vrijheid van vestiging dient de maatregel proportioneel te zijn. De proportionaliteit van de maatregel wordt mede bepaald door het feit of er voor woningzoekenden die zich niet kunnen huisvesten in een aangewezen gebied voldoende mogelijkheden zijn om elders in de regio passende huisvesting te vinden. Dit dient de gemeenteraad in de aanvraag, naar het oordeel van de Minister voor Wonen en Rijksdienst, ook voldoende aannemelijk te maken, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wbmgp. Het kan ook niet de bedoeling zijn dat door de inzet van de screeningsmaatregel te grote gebieden in een gemeente worden aangewezen, waardoor buurgemeenten extra instroom van woningzoekenden met overlastgevende of criminele antecedenten moeten huisvesten. Ook om die reden ligt het voor de hand dat de Minister voor Wonen en Rijksdienst complexen, straten en gebieden op verzoek van de gemeenteraad en na advies van gedeputeerde staten aanwijst. Gelet op bovenstaande is het niet wenselijk de gebiedsaanwijzing door de Minister bij de vijfjaarlijkse evaluatie te betrekken.

De leden van de SP-fractie vernemen graag of de regering een dergelijke of vergelijkbare wettelijke maatregel ook overweegt of heeft overwogen in het geval de overlast of criminaliteit veroorzaakt wordt door een (potentiële) eigenaar van een eigen woning of de gebruiker respectievelijk eigenaar van een bedrijfspand, bijvoorbeeld indien met betrekking tot zo'n pand is aangetoond dat er ernstige criminele feiten worden of zijn gepleegd of overlast is veroorzaakt, bijvoorbeeld op milieugebied (Moerdijk, Dordrecht etc.). Deze leden willen graag weten indien de regering dit heeft overwogen op welke wijze daaraan invulling is gegeven en indien de regering dit niet heeft overwogen waarom er dan geen sprake is van discriminatie van huurders ten opzichte van eigenaren? Hierbij aansluitend stellen deze leden vast dat in de nota naar aanleiding van het verslag wordt gesteld dat er voor overlastgevers die in een koophuis wonen andere instrumenten zijn als buurtbemiddeling en hulpverleningsorganisaties en in zwaardere gevallen de maatregelen uit Gemeentewet, Woningwet en Opiumwet. Deze leden willen daarom graag vernemen waarom deze mogelijke maatregelen tegen bewoners van een koophuis wel passend en effectief worden geacht, maar kennelijk niet passend en effectief zijn tegenover huurders. Ook willen deze leden weten waarom gelet op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) het door het wetsvoorstel gemaakte onderscheid in behandeling door de overheid tussen enerzijds huurders en anderzijds eigenaar-bewoners redelijk en acceptabel is. Eveneens vernemen deze leden graag of het naar de mening van de regering zo is dat in wijken en buurten waarin (voornamelijk) huurwoningen staan overlast en criminaliteit zo extreem veel hoger zijn dan in andere buurten en wijken dat daarin een gerechtvaardigde grond voor het maken van zulk een onderscheid te vinden is.

Op de eerste plaats moet duidelijk zijn dat de voorgestelde maatregel van selectieve woningtoewijzing een ultimum remedium is, dat uitsluitend mag worden ingezet indien andere minder ingrijpende maatregelen in complexen, straten en gebieden waar de leefbaarheid ernstig onder druk staat, niet het nodige effect hebben. Voor het tegengaan van overlast en criminaliteit uit zowel bedrijfspanden als woningen, zijn talrijke andere maatregelen mogelijk. Overlast uit bedrijfspanden wordt reeds tegengegaan door onder meer de Wet milieubeheer, die strenge eisen stelt op milieugebied waaraan inrichtingen moeten voldoen. Ook de algemene plaatselijke verordeningen (APV) kennen bepalingen om overlast uit bedrijfspanden te beperken. Voor het tegengaan van ernstige criminele activiteiten vanuit bedrijfspanden bestaan eveneens wettelijke mogelijkheden. Zo kan de gemeente bij een aanvraag van een vergunning voor een inrichting in veel gevallen de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur inzetten. Deze wet geeft een bestuursorgaan de mogelijkheid om een aangevraagde beschikking te weigeren dan wel een gegeven beschikking in te trekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of om strafbare feiten te plegen.10

Het is een misverstand dat maatregelen als buurtbemiddeling, hulpverlening en de maatregelen uit Gemeentewet, Woningwet en Opiumwet uitsluitend zouden kunnen worden toegepast bij koopwoningen. Deze maatregelen kunnen worden ingezet bij zowel huurwoningen als koopwoningen. Ook het initiatiefwetsvoorstel van Tweede Kamerlid mevrouw Tellegen tot wijziging van de Gemeentewet in verband met de aanpak van woonoverlast (Wet aanpak woonoverlast)11 biedt de mogelijkheid om overlast vanuit zowel huur- als koopwoningen tegen te gaan.

Uit het Woononderzoek Nederland 2015 blijkt dat bewoners van huurwoningen meer overlast ervaren dan bewoners van koopwoningen. Ruim 11 procent van de huurders in een meergezinswoning (bijvoorbeeld een flat) en 8 procent van de huurders in een eengezinswoning zeggen vaak overlast te ervaren van directe buren. Voor de kopers in een meergezinswoning is dat 7 procent en voor kopers in een eengezinswoning 4 procent. Aangezien een beperking van de vrijheid van vestiging niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is, is in aansluiting op de Huisvestingswet 2014 in dit wetsvoorstel er voor gekozen om koopwoningen niet onder een mogelijke vergunningsplicht te laten vallen. Hierbij kan worden opgemerkt dat een amendement om de maatregel ook van toepassing te laten zijn op koopwoningen tijdens de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel door de Tweede Kamer is verworpen.12 Tevens zou een vergunningsplicht voor koopwoningen, niet alleen een beperking van het recht op vrijheid van vestiging inhouden, maar ook een beperking van het eigendomsrecht13.

De leden van de SP-fractie vragen de regering specifiek te reageren op de bezwaren die het College voor de Rechten van de Mens (het College) heeft geuit in zijn brief aan de Minister van 3 februari 2015, zijn brief van 15 maart 2016 aan de voorzitter van de Tweede Kamer en zijn brief aan de voorzitter van de commissie Binnenlandse Zaken van 11 mei 201614, waarin het College met name de aspecten noodzakelijkheid, proportionaliteit, en de zogenaamde voorzienbaarheidseis aan de orde stelt. Deze leden verzoeken de regering om daarbij ook expliciet in te gaan op de opmerking van het College voor de Rechten van de Mens in zijn brief van 15 maart 2016, waar het College erop wijst dat het krachtens het huidige wetsvoorstel mogelijk is dat een woningzoekende het recht van vrije vestiging en het recht op privacy wordt ontzegd op grond van gedragingen waarvan het niet vaststaat dat deze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

Op de eerste plaats dient opgemerkt te worden dat het College in brief van 3 februari 2015 terecht opmerkt dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer15 ook inhoudt dat de overheid maatregelen neemt bij ernstige woonoverlast die direct effect heeft op het privéleven van de bewoners. Zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet ziet dit wetsvoorstel op dergelijke structurele vormen van woonoverlast en criminaliteit in een complex, straat of gebied. De voorgestelde maatregel is een ultimum remedium in gebieden die kampen met ernstige vormen en structurele vormen van woonoverlast en criminaliteit, waarbij de inzet van andere minder ingrijpende middelen niet het nodige effect heeft gehad. Verder moet worden opgemerkt dat met een groot aantal opmerkingen in deze brief van het College rekening is gehouden in het wetsvoorstel zoals het is ingediend bij de Tweede Kamer. In de memorie van toelichting is hierop ingegaan. Het betreft onder meer de positie van kinderen en jongeren en een verduidelijking van wat onder extremisme en radicalisering wordt verstaan.

In de brief van 15 maart 2016 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal benoemt het College drie aandachtspunten namelijk het gebruik van politiegegevens, de ongelijkheid van lagere inkomensgroepen en de uitspraak van het EHRM inzake de zaak Garib tegen Nederland. In de brief van 11 mei 2016 aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene zaken en Huis van de Koning van de Eerste Kamer, herhaalt het College zijn opmerkingen inzake het gebruik van politiegegevens en het feit dat het wetsvoorstel alleen personen met een laag inkomen zou treffen.

Het College stelt terecht dat een beperking van grondrechten voorzien moet zijn bij wet. Dit houdt onder meer in dat voldaan moet zijn aan de op de «rule of law» toegesneden kwaliteitscriteria, namelijk de beginselen van kenbaarheid of toegankelijkheid (accessibility) en voorzienbaarheid (foreseeability) of rechtszekerheid.16 Dit laatste houdt in dat de beperking voldoende precies moet zijn omschreven.17 Het College vindt het onderzoek op basis van politiegegevens een onvoldoende duidelijke en nauwkeurige basis omdat politiegegevens kunnen gaan over gedragingen waarvan niet bewezen is dat de betreffende woningzoekende die gedaan heeft. In de eerste plaats dient hierover opgemerkt te worden dat de kenbaarheid gegarandeerd is omdat iedereen weet op welke gedragingen het onderzoek op basis van politiegegevens zal plaatsvinden. In het wetsvoorstel is voorzien in een limitatieve lijst van gedragingen die voor eenieder kenbaar is. Enkel over de gedragingen uit die lijst die in de huisvestingsverordening zijn opgenomen kunnen politiegegevens worden verstrekt, waarbij de politiechef uitsluitend gegevens verstrekt die relevant zijn. Vage meldingen of onzekere politiegegevens zullen dus niet verstrekt worden aan de burgemeester en spelen geen rol bij de beoordeling. Verder voorziet de politiechef deze gegevens van een duiding zodat duidelijk is hoe deze moeten worden geïnterpreteerd. Bij het verstrekken van een woonverklaring zal de burgemeester geen negatieve woonverklaring afgeven op basis van een enkele misgedraging. Uit de politiegegevens moet een beeld naar voren komen van structureel overlastgevend of crimineel gedrag. Daarom is in artikel 10b, vierde lid, vastgelegd op welke wijze de burgemeester de verstrekte politiegegevens en de duiding ervan moet beoordelen. Op de tweede plaats bestaan er meerdere waarborgen voor een woningzoekende die van mening is dat de over hem verwerkte politiegegevens onjuist zijn. Op basis van artikel 25 van de Wet politiegegevens, heeft iedere persoon het recht om de gegevens die over hem zijn opgeslagen in te zien en indien hij van mening is dat de politiegegevens moeten worden verbeterd, aangevuld, verwijderd of afgeschermd, kan hij op basis van artikel 28 van de Wet politiegegevens hiertoe een schriftelijk verzoek doen. Daarnaast moet de burgemeester voor hij een negatieve woonverklaring afgeeft, de desbetreffende woningzoekende in de gelegenheid stellen om gehoord te worden. Indien het voornemen van de burgemeester gebaseerd zou zijn op gedragingen die de woningzoekende niet heeft gepleegd, kan hij dit tijdens het horen aannemelijk maken. Indien de woningzoekende alsnog vindt dat op basis van onjuiste politiegegevens zijn recht op vrijheid van vestiging is beperkt, kan hij na bezwaar dit voorleggen aan de onafhankelijke rechter die er dan over zal oordelen. Daarmee voldoet dit wetvoorstel aan de eis van voorzienbaarheid die noodzakelijk is voor een beperking van het grondrecht op vrijheid van vestiging en biedt het de betrokkene de nodige rechtswaarborgen.

Volgens het College betreft het wetsvoorstel alleen goedkope huurwoningen, waardoor uitsluitend mensen die op zoek zijn naar een goedkope huurwoning in hun grondrechten worden getroffen. Een onderscheid op grond van vermogen is volgens artikel 14 van het EVRM verboden. Deze opmerking van het College is echter onterecht aangezien nergens in het wetsvoorstel is opgenomen dat de voorgestelde maatregel van selectieve woningtoewijzing uitsluitend betrekking kan hebben op goedkope huurwoningen. De Huisvestingswet 2014 stelt die eis wel in artikel 2 omdat het daar gaat over schaarste. In dit wetsvoorstel worden een aantal bepalingen van de Huisvestingswet 2014 van overeenkomstige toepassing verklaard. Echter artikel 2 van de Huisvestingswet 2014 is niet van overeenkomstig toepassing verklaard. Dit betekent dat alle huurwoningen kunnen worden aangewezen in een aangewezen complex, straat of gebied, ongeacht de huurprijs ervan. Hierdoor maakt dit wetsvoorstel dus geen onderscheid op basis van vermogen.

Ten slotte, waarschuwt het College dat op basis van de uitspraak van het EHRM van 23 februari 2016 in de zaak Garib tegen Nederland18, waarin het EHRM oordeelde dat de maatregel van artikel 8 van de Wbmgp geen ongerechtvaardigde inbreuk opleverde op de vrijheid van vestiging, niet geoordeeld mag worden dat ook de in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregel geen ongerechtvaardigde inbreuk zou kunnen maken op de in het EVRM beschermde rechten. In de door het College bedoelde uitspraak oordeelt het EHRM dat ernstige leefbaarheidsproblemen een reden kunnen zijn om de vrijheid van vestiging te beperken. Het ging in dit arrest om de toepassing van artikel 8 van de Wbmgp namelijk het weren van woningzoekenden op basis van de aard van het inkomen, om zo bevolkingsdifferentiatie te bevorderen en overconcentratie van uitkeringsgerechtigden tegen te gaan. Het EHRM heeft deze beperking beoordeeld op basis van het vierde lid van artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM dat stelt dat de vrijheid van vestiging in bepaalde omschreven gebieden, kan worden onderworpen aan beperkingen die bij de wet zijn voorzien en gerechtvaardigd worden door het algemeen belang in een democratische samenleving. De mogelijke beperking van de vrijheid van vestiging die kan voortvloeien uit de nu voorgestelde maatregel is gebaseerd op het derde lid van artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM. Een beperking van de vrijheid van vestiging is op basis van dit derde lid gerechtvaardigd indien die bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is aangegeven waarom deze maatregel noodzakelijk is in het belang van de openbare veiligheid, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, alsmede hoe voorzien is in de andere eisen die het EVRM stelt. Daarbij dient nogmaals opgemerkt te worden dat deze maatregel voortvloeit uit de positieve verplichting van de overheid om de persoonlijke levenssfeer te beschermen19 bij ernstige woonoverlast en criminaliteit.

4. Evaluatie en monitoring

De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat vanuit gemeentelijke kringen twijfel bestaat over het inzetten de zogenaamde verklaring omtrent het gedrag (VOG). Zij hebben tevens gelezen dat na een evaluatie over vijf jaar de afweging gemaakt wordt of volstaan kan worden met een VOG of dat de screening door middel van politiegegevens en de daarbij behorende duiding door de politiechef nodig blijft. Graag vernemen deze leden welke gegevens bij deze evaluatie doorslaggevend zullen zijn.

De regering heeft in artikel 10b, negende lid, van dit wetsvoorstel de mogelijkheid aangebracht om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen voor de evaluatie van de screeningsmaatregel. Van deze evaluatie maakt onder meer ook een onderzoek deel uit naar de effectiviteit van het gebruik van politiegegevens ten opzichte van het gebruik van een VOG. De gegevens die voor deze evaluatie relevant zijn, zijn opgenomen in de proeve van de algemene maatregel van bestuur die de Minister voor Wonen en Rijksdienst op 8 juni 2016 aan de Tweede Kamer heeft aangeboden.20

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok


X Noot
1

Kamerstukken II 2015/16, 25 424, nr. 304 (bijlage 1)

X Noot
2

Kamerstukken II 2015/16, 34 314, nr. 15

X Noot
3

Kamerstukken II 2015/16, 34 314, nr. 26

X Noot
4

Bijlage 2 bij de memorie van toelichting: Screening van woningzoekenden op politiegegevens; Impact van de wijziging van de Wbmgp op de politie, Andersson, Elffers Felix.

X Noot
5

Bijlage 1 bij de memorie van toelichting: Effectmeting – Antecedentenscreening in de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek; Onderzoek naar de gevolgen voor burgers, bedrijven en overheid van het screenen op antecedenten bij huurwoningtoewijzing, SIRA consulting.

X Noot
6

Hawkins, Herrenkohl, Farrington e.a., Predictors of youth violence, Report NCJ-179065, April 2000, Department of Justice, Office Juvenile Justice and Delinquency Prevention, Washington DC

X Noot
7

Kamerstukken II 2015/16, 32 847, nr. 206

X Noot
8

Kamerstukken II 2015/16, 34 314, nr. 25

X Noot
9

Kamerstukken II 2015/16, 34 314, nr. 21

X Noot
10

Artikel 3, eerste lid van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

X Noot
11

Kamerstukken II 2015/16, 34 007

X Noot
12

Kamerstukken II 2015/16, 34 314, nr. 11

X Noot
13

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

X Noot
14

De brieven zijn te vinden op https://mensenrechten.nl/ onder «Publicaties».

X Noot
15

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

X Noot
16

Zie EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146 (Sunday Times), EHRM 2 augustus 1984, NJ 1988 m.nt. P. van Dijk (Malone), EHRM 24 april 1990, NJ 1991, 523 m.nt. EJD (Huvig-Kruslin), EHRM 28 oktober 1994, NJ 1995, 509 m.nt. Kn. (Murray) en EHRM 29 augustus 1997, 1999, 710 m.nt. EJD (Worm). Hierin neemt het Hof aan dat aan dit vereiste van «bij de wet voorzien» is voldaan, als het relevante nationale recht voldoende precies is geformuleerd om betrokkenen – eventueel na passend juridisch advies – mogelijk te maken om, in een gezien de omstandighedenredelijke mate, de gevolgen te voorzien die een gegeven daad met zich mee kan brengen. Zie voor gevallen waarin niet aan deze kwaliteitscriteria werd voldaan: EHRM 26 april 1991, NJ 1993, 710 (Asch) en EHRM 15 november1996, NJ 1998, 488 m.nt. Kn. (Domenichini). Zie ook: G. Overkleeft-Verburg, Het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, in A.K. Koekok, De Grondwet, een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer 2000, p. 155–178

X Noot
17

T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik, De eigendomsbescherming van artikel l van het Eerste Protocol bij het EVRM en het Nederlandse bestuursrecht, JB Plus, 2003, p. 5

X Noot
18

Garib v. The Netherlands, EHRM 23 februari 2016, nr. 43494/09

X Noot
19

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

X Noot
20

Kamerstukken II 2015/16, 34 314, nr. 27