Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634312 nr. 3

34 312 Initiatiefnota van het lid Rog over tussenschoolse opvang

Nr. 3 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 maart 2016

Mede namens de Staatssecretaris van Financiën geef ik uw Kamer de kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Rog over tussenschoolse opvang.1

Het kabinet hecht veel belang aan de inzet van ouders als vrijwilliger voor de tussenschoolse opvang. Als zij zich inzetten voor de school van hun kinderen zijn ze naar verwachting ook meer betrokken bij wat er speelt op een school. Zowel het schoolklimaat als het welzijn van die kinderen is hierbij gebaat. Ik wil daarom mijn waardering uitspreken voor het initiatief van het lid Rog en het doel om de belemmeringen voor ouders weg te nemen om zich als vrijwilliger in te zetten. Zijn voorstellen geven blijk van een grote betrokkenheid bij het onderwijs. Het kabinet heeft deze zorgvuldig beoordeeld om te kijken of hieraan tegemoet kan worden gekomen en of het bijdraagt aan meer vrijwilligers in het onderwijs. Omdat het deels gaat om fiscale voorstellen, en deze voorstellen alle sectoren raken waarin vrijwilligers actief zijn, is nadrukkelijk gekeken naar ongewenste effecten in andere sectoren. Hierover heeft afstemming plaatsgevonden met de Belastingdienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de vrijwilligersregeling. Dit heeft helaas meer tijd gekost dan was voorzien.

In 2013 is uw Kamer geïnformeerd over de manier waarop het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), samen met scholen, ouders en de organisaties om hen heen, wil bereiken dat het partnerschap tussen school en ouders wordt versterkt.2 De scholen en ouders geven hieraan gezamenlijk invulling met ondersteuning van OCW. De nadruk ligt daarbij op kennisontwikkeling, kennisverspreiding en stimulering van ouderbetrokkenheid.

Het vraagstuk dat de initiatiefnemer in dat kader aan de orde stelt betreft de hoogte van de onbelaste vergoeding voor vrijwilligers. Veel scholen maken gebruik van vrijwilligers voor de tussentijdse opvang op school en zij geven hiervoor veelal een kleine uurvergoeding. Hiervoor geldt een vrijwilligersregeling die niet alleen van toepassing is op scholen, maar ook op andere maatschappelijke activiteiten waar een vrijwilligersvergoeding aan de orde is.

Voorstellen van het lid Rog

Het lid Rog heeft in de initiatiefnota drie voorstellen gedaan:

  • 1. Heroverwegen bij welk uurtarief voor vrijwilligers geen sprake is van een marktconforme vergoeding.

  • 2. Een bevestiging door de Staatssecretaris van Financiën in een beleidsbesluit dat in geval van het meenemen van eigen kinderen er geen sprake is van enige besparingswaarde die bij de berekening van de vrijwilligersvergoeding zou moeten worden meegenomen.

  • 3. Voortaan mogen ook scholen, peuterspeelzalen, buitenschoolse opvang organisaties en tussenschoolse opvang organisaties een gratis Verklaring Omtrent Gedrag aanvragen voor hun vrijwilliger.

Onderstaand wordt op deze voorstellen reactie gegeven.

1. Uurtarief vrijwilligers

Alvorens specifiek in te gaan op het door de initiatiefnemer gedane voorstel, is het naar de mening van het kabinet noodzakelijk enige duiding te geven over de achtergronden van de vrijwilligersregeling. Ingevolge de vrijwilligersregeling (artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964) worden personen die als vrijwilliger uitsluitend vergoedingen en verstrekkingen ontvangen met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar, niet als werknemer beschouwd. Ingevolge datzelfde lid wordt onder een vrijwilliger verstaan degene die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een eveneens in dat lid genoemde organisatie of lichaam. Omdat het criterium of men de arbeid niet bij wijze van beroep verricht in de praktijk tot veel discussie leidde, heeft het kabinet in 2006 een nadere invulling gegeven van dit criterium. Dit houdt in dat bij iemand die (ter honorering van de verrichte arbeid) een vergoeding per uur ontvangt, er in ieder geval geen sprake is van het bij wijze van beroep verrichten van arbeid als die uurvergoeding niet hoger is dan € 4,50. Dit bedrag is 80 procent van het destijds geldende wettelijke minimumloon (WML).

Bij de totstandkoming van de vrijwilligersregeling is altijd het uitgangspunt geweest dat het bij vrijwilligerswerk moet gaan om werk dat onverplicht en onbetaald wordt gedaan binnen een organisatie met een ideële doelstelling, een sportorganisatie of organisatie met een maatschappelijk nut. De vrijwilligersregeling is niet bedoeld om een zo hoog mogelijke financiële prikkel te kunnen bieden aan vrijwilligers in sectoren waar vrijwilligers moeilijk te vinden zijn. Het maatschappelijke of ideële karakter en het ontbreken van een salaris staan immers bij het vrijwilligerswerk voorop. Het is daarnaast van groot belang dat wordt voorkomen dat vrijwilligerswerk betaalde arbeid verdringt. Bij een te ruime fiscale behandeling van vrijwilligersvergoedingen ligt het risico van valse concurrentie op de loer. De vrijwilligersregeling zelf is forfaitair van aard. De genoemde bedragen van € 150 en € 1.500 zijn een uitvloeisel van de wens om de administratieve lasten rond de vrijwilligersregeling terug te dringen. Met de vaststelling van die forfaitaire bedragen wordt voorkomen dat voor elke vergoeding moet worden aangetoond dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en dat daarvoor een bewijs dient te worden overgelegd. Indien de genoemde bedragen worden overschreden wil dat dan ook niet direct zeggen dat sprake is van belast inkomen. Alleen dient dan wel te worden aangetoond dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

De initiatiefnemer stelt voor de grens in het uurtarief voor vrijwilligers vanaf 23 jaar te verhogen van € 4,50 naar € 5,30 (80 procent van het huidige WML). Het kabinet acht dit onwenselijk. Naar het oordeel van het kabinet is een bedrag van € 4,50 per uur nog steeds een ruimhartige invulling van het in ieder geval nog voldoen aan het criterium «niet bij wijze van beroep». Daarbij dient te worden bedacht dat het hier gaat om een ter honorering van de verrichte arbeid verstrekte uurvergoeding. Daarnaast mogen de gemaakte kosten nog afzonderlijk worden vergoed.

Het kabinet ziet daarom geen aanleiding om de vrijwilligersregeling op dit punt aan te passen.

2. Eigen kinderen van overblijfouders

De initiatiefnemer schetst de situatie waarin, op de dagen dat de ouders als overblijfouder actief zijn, zij met hun eigen kinderen op school eten omdat die te jong zijn om alleen thuisgelaten te worden. Hierbij kan gedacht worden aan kinderen die nog niet naar de basisschool gaan. Naar aanleiding van zijn voorstel op dit onderdeel kan ik de initiatiefnemer informeren dat de Belastingdienst hierover het standpunt heeft ingenomen dat dit geen voordeel is (en dus ook geen voordeel dat in aanmerking genomen hoeft te worden bij het vaststellen of het uurbedrag van € 4,50 wordt overschreden). Aan deze ouders kan dus, ongeacht of er wel of geen kind meekomt, een vergoeding van € 4,50 per uur worden gegeven. Zolang ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan, kan de vrijwilligersregeling worden toegepast en vormt dit dus geen belemmering bij de inzet van vrijwilligers.

3. Kosteloze Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) voor overblijfouders

De initiatiefnemer stelt voor dat, net als vrijwilligersorganisaties, ook scholen, peuterspeelzalen en aanbieders van buitenschoolse- en tussenschoolse opvang de mogelijkheid zouden moeten krijgen voor hun vrijwilligers digitaal en kosteloos een VOG aan te vragen. De achtergrond van dit voorstel is dat de praktijk zou uitwijzen dat de VOG wel door werknemers wordt overlegd, maar niet altijd door vrijwilligers. Volgens de initiatiefnemer spelen de kosten van de VOG daarbij een rol. De initiatiefnemer acht het van maatschappelijk belang, van belang voor de kinderen en in het belang van ouders dat er meer zekerheid is dat het gedrag van de vrijwilligers geen belemmering vormt voor het uitoefenen van hun taken en kinderen in een veilige omgeving kunnen pauzeren.

Er wordt in de regelingen een onderscheid gemaakt tussen vrijwilligersorganisaties en scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen. Vrijwilligersorganisaties kennen geen verplichting tot het aanvragen van een VOG maar worden gestimuleerd om in het kader van hun preventiebeleid dit voor hun vrijwilligers aan te vragen. De financiële draagkracht van dergelijke organisaties is in het algemeen beperkt. De VOG is voor hen daarom gratis. Scholen, peuterspeelzalen en kinderopvangorganisaties zijn echter sinds 2010 wettelijk verplicht een VOG op te vragen bij hun vrijwilligers in de opvang. Als scholen niet kunnen aantonen dat de VOG is afgegeven kunnen bekostigingssancties volgen en dat wil het kabinet zoveel mogelijk voorkomen. OCW informeert scholen daarom over deze verplichting. Om de bekendheid van scholen met en de naleving door scholen van de VOG-verplichting nog verder te vergroten informeert de onderwijsinspectie scholen hierover tijdens haar bezoeken en via de website. Daarnaast gaat de onderwijsinspectie onderzoek verrichten naar de naleving van deze verplichting door scholen. Mocht die inderdaad onder de maat zijn, dan kan daartegen worden opgetreden. Een financiële stimulans tot het aanvragen van een VOG is niet de aangewezen weg om de naleving te borgen en ook niet nodig. In de wet is geregeld dat de kosten van de overblijf door de betreffende ouders worden opgebracht, waaronder de kosten van de VOG. Dit is niet onredelijk en omdat de VOG-kosten worden gespreid over alle ouders met overblijvende kinderen zijn die kosten beperkt.

Ondernemers in de kinderopvang zijn bekend met de VOG-plicht voor vrijwilligers (die vooral voorkomen in het peuterspeelzaalwerk) en leven deze verplichting in de regel na. De vrijwilliger valt op dit moment nog buiten de continue screening (op nieuwe strafbare feiten) in de kinderopvang en dient daarom tweejaarlijks een nieuwe VOG aan te vragen. Met de invoering van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk (nog dit jaar), zullen vrijwilligers zichzelf moeten gaan inschrijven in het register waarna ook zij continu worden gescreend. Daarmee vervalt vervolgens voor hen de tweejaarlijkse VOG-plicht. Met de invoering van het personenregister wordt een verdere bijdrage geleverd aan de veiligheid in de kinderopvang.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstuk 34 312, nrs. 12.

X Noot
2

Kamerstuk 33 460, nr. 162.