Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634312 nr. 2

34 312 Initiatiefnota van het lid Rog over tussenschoolse opvang

Nr. 2 INITIATIEFNOTA

In de bres voor vrijwilligers van tussenschoolse opvang

Inhoud

1.

Achtergrond tussenschoolse opvang

3

2.

Aanleiding initiatiefnota

5

3.

Maximale uurvergoeding voor vrijwilligers moet omhoog

6

4.

Probleemloos overblijven voor eigen kinderen van overblijfouders

8

5.

Kosteloze Verklaring Omtrent gedrag overblijfouders

9

6.

Samenvatting

10

Inleiding

Leerlingen, ouders en leraren hebben baat bij actieve ouderbetrokkenheid bij de school. Ik ben van mening dat het daarom belangrijk dat ouderbetrokkenheid bij scholen wordt gestimuleerd. De overheid kan deze betrokkenheid op een eenvoudige en voordelige manier stimuleren en faciliteren.

Overblijfouders zorgen er voor dat scholen tegen een geringe, maar reële vergoeding de overblijffaciliteit kunnen aanbieden, zonder die te hoeven professionaliseren en/of uit te besteden. Hierdoor kunnen ouders die in het middaguur hun kinderen niet op kunnen halen, hen laten overblijven op school tegen lagere kosten. Bovendien kunnen leraren zo genieten van een welverdiende, echte middagpauze. Iedereen heeft hier baat bij. Minder vrijwilligers in de tussenschoolse opvang zou onherroepelijk betekenen dat overblijven duurder wordt en dat daardoor minder ouders hier gebruik van maken.

Uitbesteding van deze zorg maakt overblijven fors duurder. Dat betekent dus meer kosten voor ouders en minder geld voor onderwijs. Dit wil ik waar mogelijk zien te voorkomen. Als initiatiefnemer van deze nota zie ik mogelijkheden om bestaande problemen waar scholen en overblijfouders mee worden geconfronteerd aan te pakken. In deze nota zal eerst worden ingaan op de achtergrond en bestaande regels rondom de tussenschoolse opvang. Daarna zullen een aantal knelpunten worden gesignaleerd waar scholen bij de uitvoering van de tussenschoolse opvang tegenaan lopen. Ten slotte zullen aanbevelingen worden gedaan om deze knelpunten op te lossen.

Michel Rog Woordvoerder Onderwijs

CDA Tweede Kamerfractie

Den Haag, 7 oktober 2015

1. Achtergrond tussenschoolse opvang

Doordat steeds meer ouders beiden een baan hebben, is het voor een groeiend aantal kinderen niet mogelijk om tussen de middag thuis te eten. Zij blijven over op school en eten daar hun lunch. Omdat overblijven op school van uitzondering op de regel steeds meer de norm is geworden, heeft het toenmalige kabinet Balkenende II in november 2003 besloten om de verantwoordelijkheid voor de tussenschoolse opvang (zoals het overblijven op school wordt genoemd) per 1 januari 2005 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over te hevelen naar het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap.

Uitgangspunt van dit beleid was dat de tussenschoolse opvang een gezamenlijke verantwoordelijkheid was van ouders en scholen, waarbij de formele verantwoordelijkheid voor het overblijven op schoolniveau bij het bevoegd gezag werd neergelegd. Tot die tijd was de school ook al betrokken bij de organisatie van de tussenschoolse opvang, maar was niet duidelijk voor scholen en ouders bij wie nu de formele verantwoordelijkheid lag. Bij de wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in verband met overblijven in het basisonderwijs is deze formele verantwoordelijk wettelijk geregeld (Kamerstukken II 2005/06, 30406). Ook werd in deze wet het instemmingsrecht van de medezeggenschapsraad, op de wijze hoe de tussenschoolse opvang wordt georganiseerd, geregeld. Ten slotte werden scholen ook verplicht om informatie in hun schoolgids op te nemen over de wijze waarop de tussenschoolse opvang is geregeld.

De formele verantwoordelijkheid van de school om tussenschoolse opvang te (laten) organiseren laat onverlet de vrijheid van de school om de tussenschoolse opvang naar eigen inzicht te organiseren, mits de medezeggenschapsraad akkoord is. In bovengenoemde memorie van toelichting wordt ook aangegeven dat scholen er voor kunnen kiezen om deze opvang door de ouders te laten regelen via een stichting of vereniging van ouders, of via de oudercommissie. De oudercommissie zal dan veelal overblijfmedewerkers op basis van vrijwilligheid inschakelen. Een andere mogelijkheid is om een professionele organisatie de tussenschoolse opvang te laten organiseren, al dan niet met gebruikmaking van vrijwilligers, of betaalde krachten in eigen dienst. De vrijwilligers die worden ingezet, zijn veelal ouders die kinderen op de desbetreffende school hebben.

Ongeacht hoe de school de tussenschoolse opvang heeft geregeld, zijn de ouders verantwoordelijk voor de kosten en kunnen hiervoor niet zoals bij de kinderopvang en buitenschoolse opvang een beroep doen op de kinderopvangtoeslag. Vandaar dat veel scholen kiezen voor tussenschoolse opvang door vrijwilligers. Niet alleen drukt dit de kosten voor de ouders, maar ook vergroot het de ouderbetrokkenheid bij de school. Kortom, het overblijven of de tussenschoolse opvang, is een belangrijke schakel in het groeiende aanbod van sluitende dagarrangementen die scholen al dan niet in samenwerking met andere voorzieningen aan ouders en kinderen bieden.

In 2005 is dus heel bewust besloten om scholen de mogelijkheid te geven om de tussenschoolse opvang door vrijwilligers te laten uitvoeren. In de memorie van toelichting van de wet die de formele verantwoordelijkheid voor de tussenschoolse opvang regelt wordt hierover het volgende uiteengezet:

«De Wet kinderopvang is sinds 1 januari 2005 van kracht. Tussenschoolse opvang aangeboden door een professionele kinderopvangorganisatie, valt niet onder deze wet. Ouders kunnen voor deze vorm van opvang geen subsidie aanvragen. Daardoor zal er wellicht minder vaak voor professionele kinderopvang gekozen worden. De vraag naar een overblijfvoorziening op scholen zal hierdoor waarschijnlijk de komende jaren toenemen.

Ook het kabinetsbeleid ter vergroting van de arbeidsmarktparticipatie zal de vraag doen toenemen. Deze ontwikkelingen onderstrepen het belang van een goede overblijfvoorziening.»1

Omdat de tussenschoolse opvang niet onder de voorwaarden van de Wet op de kinderopvang valt, zijn er aparte eisen aan de vrijwilligers gesteld. Bij de behandeling van de bovengenoemde wet is destijds een amendement van het lid Hamer (PvdA) aangenomen dat een overgangstermijn van 5 jaar regelde voor de scholing van tenminste de helft van de vrijwilligers die tussenschoolse opvang op school verzorgen. Sinds 1 augustus 2011 geldt deze wettelijke verplichting. Deze scholing betreft een zogenaamde TSO-opleiding. Ook kunnen zij een pedagogische cursus volgen, of een cursus bedrijfshulpverlening (BHV) of EHBO. Veelal gaat het om éénjarige opleidingen. Daarnaast moeten vrijwilligers die de tussenschoolse opvang uitvoeren sinds 1 augustus 2010 een verklaring omtrent het gedrag (VOG) overleggen voor zij met hun werkzaamheden beginnen. Deze VOG mag niet ouder zijn dan 2 maanden op het moment dat de overblijfkracht zijn of haar aanstelling krijgt.2

Volgens de organisaties die zich met tussenschoolse opvang bezig houden zijn er ongeveer 70.000 vrijwillige overblijfkrachten in Nederland. De groep mensen die als vrijwilliger aan de slag gaat is heel divers. Er zitten niet alleen ouders bij van leerlingen, maar ook bijvoorbeeld grootouders. Ouders willen zich graag inzetten voor de school van hun kinderen waarvan zij weten dat deze vanuit financiële overwegingen vaak een beroep moet doen op ouders om bij te springen. Ouders helpen met luizenpluizen, voorlezen en allerlei activiteiten die zonder hulp van hen niet door kunnen gaan. Als zij zich als overblijfkracht inzetten, kunnen de leraren ook pauze nemen in plaats van toezicht te houden bij de tussenschoolse opvang. Een taak die eigenlijk ook niet hoort bij het vak van leraar. Zij horen zich te richten op het onderwijs, niet op de opvang van onze kinderen. Bovendien ervaren veel leraren nu al een hoge werkdruk. Bovendien, ouders die zich inzetten voor de school van hun kinderen, voelen zich meer betrokken bij school. Dat is heel belangrijk voor het schoolklimaat en dus voor het welzijn van de kinderen.

De andere grote groep vrijwilligers zijn de mensen met een uitkering. In plaats van thuis te zitten wachten tot zij een nieuwe baan krijgen, willen zij zich inzetten voor de samenleving. Werken als vrijwillige overblijfkracht op school is dan een goede optie. Niet alleen vanwege de zinvolle bezigheid, maar ook vanwege het netwerk dat je opbouwt. Dit netwerk kan de kans op een nieuwe baan vergroten. Ouderen die zich inzetten als overblijfkracht willen iets doen voor hun kleinkinderen of de samenleving, en nieuwe contacten leggen. Eigenlijk dus altijd een win-win situatie voor scholen en vrijwilligers.

Het is dan ook betreurenswaardig dat de tussenschoolse opvang op steeds meer scholen in de knel komt.

2. Aanleiding Initiatiefnota

In de loop van 2014 kwamen er steeds meer signalen vanuit scholen dat zij moeite hadden om vrijwilligers te vinden voor de tussenschoolse opvang. De maximale vergoeding die scholen mogen uitkeren is € 4,50 per uur per vrijwilliger, € 150 per maand en maximaal € 1.500 per jaar. De hoogte van deze vrijwilligersvergoeding ligt al sinds 2007 vast en is nadien niet meer verhoogd. Scholen merken dat het moeilijk is om vrijwilligers te vinden en behouden om voor dit bedrag toezicht te houden als overblijfkracht.

Veel scholen hebben daarom (met instemming van de medezeggenschapsraad) besloten om een hogere vergoeding uit de keren aan hun vrijwilligers. Bij controles op die scholen door de Belastingdienst, werden zij geconfronteerd met een forse naheffing over de afgelopen vijf jaren van het volgens de Belastingdienst onterecht uitgekeerde bedrag bovenop het bedrag van € 4,50.

De initiatiefnemer heeft hierop samen met het lid Pieter Omtzigt schriftelijke vragen gesteld.3 In de beantwoording van deze schriftelijke vragen stelt de Staatssecretaris van Financiën:

«Op grond van de vrijwilligersregeling kunnen geringe vergoedingen onbelast blijven als aan enkele voorwaarden wordt voldaan. Tijdens zijn controle kan de Belastingdienst constateren dat uitgekeerde vergoedingen aan overblijfouders niet voldoen aan deze voorwaarden. De beloning die niet voldoet aan de voorwaarden van de vrijwilligersregeling kan fiscaal worden gekwalificeerd als inkomen uit dienstbetrekking, dan wel als inkomen buiten dienstbetrekking. In beide gevallen gaat het dan om belast inkomen. Bij een dienstbetrekking wordt de naheffing van belasting en premie opgelegd aan de instelling. De Belastingdienst kan over de vijf afgelopen jaren corrigeren.»4

Een ander probleem waar scholen tegen aan lopen is dat de ouders die beschikbaar zijn om zich als overblijfkracht in te zetten, ouders zijn die nu thuis met hun kinderen lunchen. Zij zullen dus hun kinderen mee moeten nemen naar de school om bij de tussenschoolse opvang te kunnen helpen. Dit is niet anders bij andere vormen van vrijwilligerswerk. Op sommige scholen zullen de kinderen van de vrijwilligers in hun eigen groep lunchen, maar meestal lunchen zij in de groep waar de ouder op dat moment oppast. Scholen brengen momenteel geen kosten in rekening voor de tussenschoolse opvang van de eigen kinderen van de overblijfouder (gemiddeld € 2,50 per kind). Dan kunnen ze immers geen enkele ouder meer vinden die vrijwilliger wil zijn, want dan blijft er van de vergoeding helemaal niets meer over. De Belastingdienst heeft momenteel richting enkele scholen het standpunt geuit dat deze besparingswaarde van gemiddeld € 2,50 per kind bij de totale vrijwilligersvergoeding moet worden opgeteld. Daarmee komt de totale vergoeding fictief boven de grens van € 4,50 per uur. Fictief want de ouder ontvangt dit geld niet, dus die weet niet beter dan dat hij € 4,50 per uur krijgt. In de zaken die door de Belastingdienst geschikt zijn, is de besparingswaarde van € 2,50 uiteindelijk van tafel gegaan. Maar alle andere scholen en organisaties die tussenschoolse opvang verzorgen, vrezen dat ze mogelijk een naheffing kunnen verwachten.

Het niet kunnen organiseren van een overblijffaciliteit is voor sommige scholen de reden om over te gaan op een continue rooster, waarbij de pauze korter is, en door leerkrachten wordt overgenomen. Uit recent onderzoek5 van CNV Onderwijs blijkt dat het overgrote deel van de leraren het vervelend vindt om de lunchpauze te missen. Het nadeel van deze optie is bovendien dat ouders op de dagen dat zij werken (veelal maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag) hun kinderen meer uren naar de buitenschoolse opvang moeten laten gaan of naar gastouders. Dit kan leiden tot een afname van de arbeidsparticipatie. En als ouders meer opvanguren per week afnemen, leidt dat weer tot hogere kosten voor de kinderopvang en voor de overheid.

Ook moeten sinds 1 augustus 2010 vrijwilligers die toezicht houden op kinderen, waaronder overblijfkrachten, een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) overleggen. De kosten voor het digitaal aanvragen van een dergelijke VOG bedragen € 24,55 en via de gewone weg bij de gemeente € 30,05. Uitgaande van de goedkoopste optie, moeten vrijwillige overblijfkrachten hiervoor bijna 5,5 uur werken. Vrijwilligersorganisaties mogen voor hun vrijwilligers kosteloos een VOG aanvragen. Echter, scholen worden niet gezien als vrijwilligersorganisatie, terwijl zij wel vaak vrijwilligers inschakelen voor het doen van allerhande zaken, waaronder het overblijven.

In de paragrafen hieronder zal afzonderlijk worden ingaan op de drie genoemde knelpunten, te weten; maximale uurvergoeding, besparingswaarde voor ouders met kinderen op de tussenschoolse opvang en de VOG. Daarbij zullen wij komen met voorstellen om deze knelpunten op te lossen.

3. Maximale uurvergoeding voor vrijwilligers moet omhoog

Probleem:

Op dit moment kan een vrijwilliger, ouder dan 23 jaar, een vergoeding krijgen van maximaal € 4,50 per uur, € 150 per maand en € 1.500 per jaar. Een aantal scholen dat hogere vergoedingen uitkeerde aan vrijwilligers, is geconfronteerd met forse naheffingen. Vrijwilligers zijn opgestapt en scholen werden genoodzaakt dure, professionele bureaus de tussenschoolse opvang te laten verzorgen.

Achtergrond:

Uit de beantwoording van de eerdergenoemde vragen van de initiatiefnemer blijkt dat in 2006 een aantal vrijwilligersorganisaties, dat zich bezig houdt met overblijven op scholen, de Belastingdienst om een standpunt hebben gevraagd ten aanzien van een marktconforme beloning. Een marktconforme beloning is namelijk niet toegestaan bij de betaling van vrijwilligers. Omdat deze organisaties gewend waren hun vrijwilligers per uur of overblijfbeurt te betalen, vroegen zij de Belastingdienst of er een bedrag kon worden verbonden aan de voorwaarde dat het niet mag gaan om een marktconforme beloning. Bij brief van de toenmalige Minister van OCW d.d. 27 juni 20066 heeft de Belastingdienst op deze vraag geantwoord richting deze vrijwilligersorganisaties.

Dit standpunt van de Belastingdienst luidt als volgt. Bij betaling van een bedrag van maximaal € 4,50 per uur (voor vrijwilligers van 23 jaar en ouder) mag er volgens de Belastingdienst van uit worden gegaan dat er geen sprake is van een marktconforme beloning. Daarnaast gelden de wettelijke grenzen van € 150,00 per maand en € 1.500,- per jaar. Dit komt neer op 80% van het toenmalige wettelijke minimum uurloon. Het bedrag van € 4,50 per uur is niet wettelijk vastgesteld en volgt niet uit een besluit, maar komt uit de bovengenoemde brief van de toenmalige Minister van OCW.

Wat ooit een «safe harbour» was, is voor meerdere vrijwilligersorganisaties nu een gevaarlijke ijsberg geworden waar maar moeilijk om heen te navigeren is. Het is bijvoorbeeld opvallend dat dit bedrag in 8 jaar tijd niet geïndexeerd is. Elk jaar het bedrag van € 4,50 wijzigen zou tot te veel onzekerheid en administratief gedoe leiden naar de mening van de initiatiefnemer, maar na 8 jaar blijkt de bestaande grens te knellend en is de oorspronkelijke verhouding ten opzichte van het minimumloon zoek. Dit speelt tevens bij andere organisaties met veel vrijwilligers, zoals bij sportverenigingen en in de zorg. Dus een herijking van het maximumuurtarief zou in de hele samenleving meer ruimte geven voor de inzet van vrijwilligers.

3.1. Oplossing:

De initiatiefnemer vraagt de Staatssecretaris en de Belastingdienst een geactualiseerd standpunt in te nemen over de hoogte van de vrijwilligersvergoeding per uur. Een eenmalige verhoging van de vrijwilligersvergoeding gelijk aan de stijging van het minimumloon in 8 jaar (18%) zou scholen de mogelijkheid bieden overblijfouders € 5,30 per uur te betalen. Gezien de stijging van het minimumloon, waarbij eerder werd uitgegaan van een bedrag van 80% van het toenmalige wettelijke minimum uurloon, valt dit te billijken. Immers, in 2006 was de Belastingdienst van mening dat een bedrag tot 80% van dit wettelijke minimum uurloon niet kon worden gezien als een marktconforme vergoeding. Het minimum uurloon is geïndexeerd de afgelopen jaren, maar de vrijwilligersvergoeding is nooit aangepast. Als dezelfde redenering van de Belastingdienst wordt doorgetrokken, zou anno 2015 een maximale vergoeding van € 5,30 ook niet gezien kunnen worden als een marktconforme vergoeding.

3.2. Financiële gevolgen

De maximale uurvergoeding van € 4,50 voor vrijwilligers is niet in de wet opgenomen. De jaar- en maandbedragen van € 1.500 en € 150 staan wel in de wet. Bij de invoering daarvan in 2006 was het budgettaire beslag daarvan € 4 miljoen. Een wijziging van het maximale uurbedrag binnen de wettelijke grenzen van € 1.500 en € 150 zal naar de mening van de initiatiefnemer niet hoeven leiden tot financiële consequenties voor de rijksbegroting. Een hoger uurtarief van € 5,30 voor deze specifieke groep vrijwilligers zal namelijk voor de overgrote meerderheid van de overblijf vrijwilligers niet leiden tot overschrijding van de toegestane maximale maand- en jaarbedragen van respectievelijk € 150,– en € 1.500,–. Hiermee blijft dit voorstel binnen het bedrag dat hiervoor begroot is.

Op de meeste scholen is vier keer per week tussenschoolse opvang nodig; op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag. Uit gesprekken met organisaties die deze opvang verzorgen blijkt dat de meeste vrijwilligers twee tot drie dagen per week worden ingezet. Uitgaande van een gemiddelde duur van de pauze van 1 uur, toegestane reistijd van een kwartier vooraf en een kwartier achteraf en tijd voor werkoverleggen/overdracht etc. krijgen de vrijwilligers € 9,00 betaald per dag, dus twee uur. In de onderstaande tabellen wordt voor zowel het huidige uurtarief als voor het door de initiatiefnemer voorgestelde nieuwe tarief berekend wat dit betekent voor zowel de weekbedragen, als ook de maand- en jaarbedragen. Bij deze berekening wordt uitgegaan van 38–40 schoolweken per jaar waarbij een beroep op de vrijwilliger kan worden gedaan. Immers, tijdens de schoolvakanties hoeft geen beroep op overblijfkrachten te worden gedaan door de school.

Tabel 1: Situatie bij uurtarief van € 4,50, bedrag per dag van € 9,– en maximaal 40 school weken per jaar

Dagen

Week

Maand

(= 4 x weekbedrag)

Jaar

(= 40 x weekbedrag)

1

9

36

360

2

18

72

720

3

27

108

1.080

4

36

144

1.440

Uit tabel 1 blijkt dat zelfs bij het maximale aantal uren per week, de overblijfvrijwilliger ruim binnen de toegestane bedragen van respectievelijk € 150,– en € 1.500,- blijft.

Tabel 2: Situatie bij uurtarief van € 5,30, bedrag per dag van € 10,60 en maximaal 40 school weken per jaar:

Dagen

Week

Maand

(= 4 x weekbedrag)

Jaar

(= 40 x weekbedrag)

1

10,60

42,40

424

2

21,20

84,80

848

3

31,80

127,20

1.272

4

42,40

169,60

1.696

Uit tabel 2 blijkt dat alleen de overblijfvrijwilliger die vier dagen per week werkt en dat een heel schooljaar lang in die frequentie volhoudt, zowel qua maandbedrag als qua jaarbedrag, boven de maximaal toegestane bedragen komt. Ook als het schooljaar maar 38 weken telt, dan is het jaarbedrag namelijk € 1.611,20. De overige vrijwilligers blijven ook bij een nieuw geïndexeerd bedrag van € 5,30 ruim binnen de maximaal toegestane bedragen. In dit geval zal voor deze kleine groep vrijwilligers, de vergoeding zo aangepast moeten worden dat ze wel binnen de maximaal toegestane bedragen vallen.

Een bijkomend financieel voordeel van de verhoging van de maximale uurvergoeding kan zijn dat meer scholen tussenschoolse opvang aanbieden waardoor de behoefte aan buitenschoolse opvang kan dalen. In dat geval zullen ook de kosten voor de overheid voor Kinderopvangtoeslag dalen.

4. Probleemloos overblijven voor eigen kinderen van overblijfouders

Probleem:

De Belastingdienst lijkt zich op het standpunt te stellen dat overblijfouders kosten besparen wanneer de kinderen van overblijfouders op school kunnen overblijven zonder hiervoor te betalen. Dit standpunt betekent in de praktijk dat gemiddeld een besparingswaarde van € 2,50 per kind bij de totale vergoeding wordt opgeteld en verrekend. Overblijfouders overschrijden zo altijd de grens van maximaal € 4,50 vrijwilligersvergoeding. Hierdoor wordt het voor veel scholen praktisch onmogelijk om ouders te vinden die tussen de middag vrijwilliger willen zijn op school.

4.1. Achtergrond:

De vrijwilligers die in de tussenschoolse opvang helpen zijn veelal moeders of vaders die (op die dag) niet werken. Op de dagen dat zij als overblijfouder actief zijn, eten ze vaak met hun eigen kinderen op school omdat die te jong zijn alleen thuis gelaten te worden. Bij enkele organisaties heeft de Belastingdienst dit probleem van de besparingswaarde inmiddels al benoemd. Onbekend is of er ook al naheffingsaanslagen op deze grond zijn opgelegd. De initiatiefnemer acht dit hoe dan ook niet reëel: dat de kinderen met de overblijfouder mee mogen komen is geen verkapte vergoeding, maar stelt de ouder in staat om op school te kunnen helpen. Bovendien is duidelijk dat nog steeds geen sprake is van een marktconforme vergoeding voor de verantwoordelijke taak die de overblijfouders op zich nemen.

4.2 Oplossing:

De initiatiefnemer stelt voor dat de besparingswaarde niet wordt meegenomen bij het berekenen of de vrijwilligersvergoeding het uurmaximum overschrijdt. Wij zijn van mening dat de besparingswaarde, als je daar in dit geval al van mag spreken, in de praktijk voor de ouder nihil zal zijn. Immers; of het kind nu thuis eet, of op school, in beide gevallen zal de ouder de kosten voor het eten en drinken moeten betalen. Uitgaande van een gezin met twee kinderen waarbij de ene ouder vrijwillig helpt als overblijfkracht betekent het standpunt van de Belastingdienst in de praktijk het volgende. De tussenschoolse opvang kost gemiddeld € 2,50 per kind. De vergoeding voor het oppassen tussen de middag is bijna altijd € 6,75 (anderhalf uur) of € 9,00 (twee uur). Dus de ouder is bijna de gehele vergoeding per dag kwijt aan de kosten voor het overblijven van de kinderen van € 5,00. De meeste ouders zullen niet gedreven door financiële motieven werken als overblijfkracht, maar vanuit een maatschappelijke motivatie. Echter, in de hierboven geschetste situatie zal menig ouder zich af vragen waar hij of zij het voor doet. Ofwel de vrijwillige ouder krijgt nog maar € 1,75 en ervaart het als oneerlijk dat een vrijwilliger zonder kinderen een hogere vergoeding krijgt van de school. Of de school brengt de vergoeding voor de tussenschoolse opvang van gemiddeld € 2,50 per kind in rekening. Maar ook dat voelt onrechtvaardig, want waarom moet een ouder betalen voor de opvang die hij zelf verzorgt?

De animo onder ouders van leerlingen om overblijf vrijwilliger te zijn, zal dan ook sterk dalen. En dat is precies wat scholen en vrijwilligersorganisaties voor de tussenschoolse opvang momenteel ervaren.

4.3 Financiële gevolgen

Het is lastig te berekenen wat de financiële gevolgen van het achterwege laten van deze besparingswaarde voor de rijksfinanciën zal betekenen. Momenteel brengen scholen nog geen kosten in rekening voor de tussenschoolse opvang van het eigen kind. Feitelijk verandert er daarmee niets aan de huidige situatie. Wel wordt hiermee zekerheid geboden aan overblijfouders en scholen.

5. Kosteloze Verklaring Omtrent Gedrag voor overblijfouders

Probleem:

Vrijwilligersorganisaties die met minderjarigen werken kunnen een gratis Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) aanvragen. Deze «gratis VOG» geldt niet voor scholen, omdat scholen geen vrijwilligersorganisaties zijn.

5.1 Achtergrond:

Scholen zijn ook organisaties waar vrijwilligers, zoals overblijfouders, met minderjarigen werken. Op dit moment zijn werknemers én vrijwilligers op scholen verplicht een VOG te overleggen. Het aanvragen van een VOG kost € 24,55 bij een digitale aanvraag en € 30,55 bij een gewone aanvraag.7 De praktijk wijst uit dat deze VOG wel door werknemers wordt overlegd, maar niet altijd door vrijwilligers. Het is van maatschappelijk belang, van belang voor de kinderen en in het belang van ouders dat er meer zekerheid is dat het gedrag van de vrijwilligers geen belemmering vormt voor het uitoefenen van hun taken en kinderen in een veilige omgeving kunnen pauzeren. Vrijwilligersorganisaties mogen tegenwoordig kosteloos een VOG aanvragen voor hun vrijwilligers in veel gemeenten. Omdat scholen geen vrijwilligersorganisaties zijn, maar organisaties met mensen in dienst, mogen zij geen gebruik maken van de mogelijkheid kosteloos een VOG aan te vragen. Desalniettemin maken scholen veel gebruik van vrijwilligerswerk bij de dagelijkse gang van zaken op een school.

5.2 Oplossing:

De initiatiefnemer stelt voor dat ook scholen, peuterspeelzalen, BSO en TSO de mogelijkheid krijgen voor hun vrijwilligers digitaal en kosteloos een VOG aan te vragen.

5.3 Financiële gevolgen

Deze zijn beperkt, omdat er binnen het huidige vrijwilligersbestand alleen kosten zijn voor vrijwilligers die nog niet beschikken over een VOG. Daarbovenop zullen de jaarlijkse kosten bestaan uit de nieuwe instroom van overblijfvrijwilligers. Bij 70.000 overblijfvrijwilligers en een verloop van 15% per jaar, zouden de structurele kosten neerkomen op € 250.000.

6. Samenvatting

In de bovenstaande paragraven zijn drie veel voorkomende knelpunten bij de tussenschoolse opvang beschreven.

Het eerste knelpunt is het huidige uurtarief van € 4,50 dat sinds 2006 niet meer is geïndexeerd, terwijl de grens berekend was als 80% van het toenmalige minimumloon en deze laatste wel geïndexeerd is.

Het tweede knelpunt is dat scholen bang zijn voor een naheffing omdat de Belastingdienst zich op het standpunt stelt dat als de kinderen van de vrijwilliger meegaan naar de tussenschoolse de vrijwilliger hierdoor een vergoeding in natura ontvangt. De Belastingdienst merkt dit aan als een besparingswaarde die bovenop het vrijwilligerstarief moet worden meegerekend. In dit geval komt de ouder altijd boven de grens van € 4,50 uit.

Het derde knelpunt betreft het feit dat sinds 2010 alle vrijwilligers die met minderjarigen werken een VOG moeten overleggen. Omdat scholen niet als vrijwilligersorganisaties mogen worden aangemerkt, komen zij niet in aanmerking voor de mogelijkheid een dergelijke VOG kosteloos aan te vragen.

Wat stelt de initiatiefnemer voor:

  • 1. We vragen de Staatssecretaris van Financiën en de Belastingdienst om te heroverwegen bij welk uurtarief voor vrijwilligers geen sprake is van een marktconforme vergoeding. We kunnen ons voorstellen dat de Belastingdienst nog steeds van mening is dat hiervan sprake is bij een vergoeding van 80% van het minimum uurloon en daarom de grens van € 4,50 verhoogt tot € 5,30;

  • 2. Als eigen kinderen van de vrijwilligers in de tussenschoolse opvang meekomen, is geen sprake van een vergoeding in natura. Om scholen en vrijwilligers hierover zekerheid te geven, vragen we de Staatssecretaris van Financiën in een beleidsbesluit te bevestigen dat in geval van het meenemen van eigen kinderen geen sprake is van enige besparingswaarde die bij de berekening van de vrijwilligersvergoeding zou moeten worden meegenomen;

  • 3. Voortaan mogen ook scholen, peuterspeelzalen, Buitenschoolse Opvang Organisaties en Tussenschoolse Opvang Organisaties een gratis Verklaring Omtrent Gedrag aanvragen voor hun vrijwilliger.

Rog


X Noot
1

Kamerstukken II 2005/06, 30 406, nr 3, pagina 2

X Noot
2

Website rijksoverheid, tussenschoolse opvang

X Noot
3

Vragen van de leden Rog en Omtzigt over naheffingen bij scholengemeenschappen d.d. 24 september 2014 (2014/2014Z16319), beantwoord bij brief d.d. 20 oktober 2014 (DGB/2014/5732 U) door Staatssecretaris Wiebes van Financiën

X Noot
4

Idem, antwoord op vraag 2

X Noot
6

Kamerstukken II 2005/06, 30 406, nr 17

X Noot
7

Uit de Miljoenennota voor 2016 blijkt dat deze kosten zullen stijgen van € 24,55 naar € 33,85 via internet en van € 30,05 naar € 41,35 via de gemeente.