34 309 Regels met betrekking tot de terugkeer van vreemdelingen en vreemdelingenbewaring (Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring)

H VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2 oktober 2019

De leden van de vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad1 hebben op 10 september 2019 kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 28 augustus 2019, waarin zij aankondigt de nadere memorie van antwoord inzake het wetsvoorstel Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring nog niet te kunnen aanbieden in verband met enkele ontwikkelingen in de praktijk van de vrijheidsontnemende en vrijheidsbeperkende maatregelen en het terugkeerproces van illegaal op ons grondgebied verblijvende derdelanders.

Naar aanleiding hiervan hebben zij de Staatssecretaris op 18 september 2019 een brief gestuurd.

De Staatssecretaris heeft op 2 oktober 2019 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad, Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL / JBZ-RAAD

Aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Den Haag, 18 september 2019

De leden van de vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad hebben op 10 september 2019 kennisgenomen van uw brief d.d. 28 augustus 20192, waarin u aankondigt de nadere memorie van antwoord inzake het wetsvoorstel Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring3 nog niet te kunnen aanbieden in verband met enkele ontwikkelingen in de praktijk van de vrijheidsontnemende en vrijheidsbeperkende maatregelen en het terugkeerproces van illegaal op ons grondgebied verblijvende derdelanders.

De leden hebben hun nadere vragen, gedateerd 1 april 20194, gesteld na het houden van een deskundigenbijeenkomst op 12 februari 20195 waarin diverse deskundigen aangaven dat de praktijk reeds anticipeert op het voorliggende wetsvoorstel. De feitelijke tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring wordt derhalve gaandeweg meer in overeenstemming gebracht met het bestuursrechtelijke karakter van de inbewaringstelling, terwijl wettelijk nog steeds het regime van de penitentiaire beginselenwet geldt. De praktijk zoekt zijn weg, terwijl in het wetgevingsproces de kaders nog nadrukkelijk bevraagd worden door leden van deze Kamer. Uit het oogpunt van een ordentelijke wetgevingsprocedure vragen de leden u hoe lang u de ontwikkelingen in de praktijk zijn loop wil laten nemen en deze bij uw gedachtevorming wil betrekken. De leden vernemen graag in meer detail op welke ontwikkelingen u doelt en op welke termijn de nadere memorie van antwoord wèl mag worden verwacht.

De leden van de vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangt deze graag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

De voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad, M. Faber-van de Klashorst

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 oktober 2019

Op 28 augustus heb ik u medegedeeld dat ik de nadere memorie van antwoord bij het wetsvoorstel Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring (34 309) nog niet aan u kon aanbieden in verband met enkele ontwikkelingen in de praktijk van de vrijheidsontnemende en vrijheidsbeperkende maatregelen en het terugkeerproces van illegaal op ons grondgebied verblijvende derdelanders. U heeft mij in uw brief van 18 september 2019 verzocht deze ontwikkelingen toe te lichten en u heeft mij tevens gevraagd in te gaan op de praktijk van vreemdelingenbewaring die zijn weg zoekt vooruitlopend op een wijziging in het wettelijk regime.

De ontwikkelingen waar ik in mijn eerdere berichtgeving op duidde heb ik inmiddels meegenomen in mijn verdere gedachtevorming bij het wetsvoorstel en de nadere memorie van antwoord. Hierbij informeer ik u over de uitkomsten en ga ik in op uw vraag over de praktijk.

Het wetsvoorstel Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring kent een lange geschiedenis. Het wetsvoorstel werd in april 2013 toegezegd door toenmalig Staatssecretaris Teeven in een debat over de suïcide van de heer Dolmatov. Eind 2013 werd een wetsvoorstel in (internet)consultatie geplaatst. De Raad van State adviseerde in 2014 over het wetsvoorstel waarna het wetsvoorstel in 2015 met het nader rapport aan de Tweede Kamer werd aangeboden. Daarop volgden diverse schriftelijke rondes en lag het wetstraject bepaalde perioden stil (bijvoorbeeld toen het controversieel werd verklaard). In juni 2018 is het wetsvoorstel met zeer ruime meerderheid in de Tweede Kamer aanvaard.

Nu wordt het wetsvoorstel al enige tijd in de Eerste Kamer behandeld. Er was een hoorzitting met deskundigen en de schriftelijke wisseling met uw Kamer is gaande. Gedurende de lange tijdlijn van het wetstraject zijn er ontwikkelingen in de samenleving geweest die raken aan de inhoud van dit wetsvoorstel. Hetgeen het wetsvoorstel beoogt te regelen heeft hierdoor niet aan belang ingeboet maar het wetsvoorstel behoeft op een aantal punten wel aanpassing en/of aanvulling vanwege deze ontwikkelingen. In de inleiding bij de nadere memorie van antwoord heb ik aangegeven welke punten het betreft. Daar waar dat in de beantwoording van uw vragen aan de orde is, licht ik eveneens toe wat mijn plannen voor verbetering zijn.

In de praktijk van vreemdelingenbewaring wordt inderdaad op het wettelijk regime vooruitgelopen in die zin dat reeds wordt gewerkt vanuit de grondgedachte van het wetsvoorstel, namelijk om binnen de vrijheidsbeneming zoveel mogelijk vrijheden te bieden en onnodige beperkingen weg te nemen. Dit betekent onder meer dat voor het overgrote deel van de vreemdelingen in bewaring feitelijk een verblijfsregime zoals voorgesteld in het wetsvoorstel geldt en dat in een pilot een speciale beheersafdeling is ontwikkeld voor diegenen die meer structuur en toezicht nodig hebben.

Ik wijs er hierbij wel op dat steeds wordt gehandeld binnen de mogelijkheden voor versoepeling die het huidige regime van de Penitentiaire beginselenwet biedt. Er is derhalve geen sprake van dat, vooruitlopend op de invoering van het onderhavige wetsvoorstel, wordt afgeweken van de huidige wettelijke kaders.

Dit vooruitlopen op het nieuwe wettelijke kader is ingegeven door de wens om nu al een zo passend mogelijk regime te bieden aan vreemdelingen in bewaring. Omdat ik het belang van een eigen wettelijk regime voor vreemdelingenbewaring en het bevorderen van terugkeer nog steeds nadrukkelijk onderschrijf, bied ik u juist met het oog op de voortgang van het wetsvoorstel, dat al een lange weg heeft afgelegd, hierbij de nadere memorie van antwoord aan.

Intussen bereid ik met de grootst mogelijke spoed een wetsvoorstel voor dat onderhavig wetsvoorstel op een aantal punten meer laat aansluiten bij de praktijk van vandaag. Dit in de hoop u uiteindelijk een wetgevingspakket te kunnen bieden dat recht doet aan het uitgangspunt van een humane vreemdelingenbewaring, maar waarbij tegelijkertijd daadkrachtig kan worden opgetreden tegen personen die overlast veroorzaken, zowel in als buiten een locatie van vreemdelingenbewaring.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A. Broekers-Knol


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP), Faber-van de Klashorst (PVV) (voorzitter), De Boer (GL), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Jorritsma-Lebbink (VVD), Nooren (PvdA), Oomen-Ruijten (CDA), Rombouts (CDA), Stienen (D66), Teunissen (PvdD), Van Rooijen (50PLUS), Adriaansens (VVD), De Blécourt-Wouterse (VVD), Van der Burg (VVD), Cliteur (FVD), Doornhof (CDA), Gerbrandy (OSF), Huizinga-Heringa (CU), Karimi (GL), Van der Linden (FVD), Nanninga (FVD) (ondervoorzitter), Van Pareren (FVD), Veldhoen (GL), Vos (PvdA), De Vries (Fractie-Otten)

X Noot
2

Kamerstukken I 2018/2019, 34 309, G

X Noot
3

Kamerstukken I 2017/2018, 34 309, A.

X Noot
4

Kamerstukken I 2018/2019, 34 309, E.

X Noot
5

Kamerstukken I 2018/2019, 34 309, D.

Naar boven