34 303 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 met het oog op een vrijstelling van bepaalde periodieke uitkeringen aan specifieke groepen oorlogsslachtoffers (Wet vrijstelling uitkeringen Artikel 2-Fonds)

Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 7 september 2015 en het nader rapport d.d. 11 september 2015, aangeboden aan de Koning door de Staatssecretaris van Financiën. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 31 augustus 2015, no. 2015001434, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 met het oog op een vrijstelling van bepaalde periodieke uitkeringen aan specifieke groepen oorlogsslachtoffers (Wet vrijstelling uitkeringen Artikel 2-Fonds), met memorie van toelichting.

Het voorstel vormt een onderdeel van het fiscale pakket voor het jaar 2016, samen met de wetsvoorstellen Belastingplan 2016, Overige fiscale maatregelen 2016 (OFM 2016), Wet tegemoetkomingen loondomein en Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015. Het onderhavige voorstel strekt er toe zogenoemde Artikel 2-Fondsuitkeringen vrij te stellen van inkomstenbelasting.

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het voorstel aan de Tweede Kamer te zenden.

Vanwege de gevoeligheid van het invoeren van een vrijstelling van uitkeringen uitsluitend voor een beperkte groep (Joodse vervolgingsslachtoffers) en een mogelijke precedentwerking, heeft het kabinet de Afdeling verzocht om in haar advisering bijzondere aandacht te schenken aan de in de toelichting op het wetsvoorstel opgenomen rechtvaardigingsgronden. Deze vraag komt er in feite op neer hoe het voorstel zich verhoudt tot het gelijkheidsbeginsel. De Afdeling is van oordeel dat het, gelet op de hier aan de orde zijnde bijzondere omstandigheden, en gegeven de ruime marge die de nationale en internationale rechters aan de fiscale wetgever gunnen, plausibel is dat deze omstandigheden het voorgestelde onderscheid tussen Artikel 2-Fondsuitkeringen (vrijgesteld) en andere Nederlandse uitkeringen (belast) kunnen rechtvaardigen.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 31 augustus 2015, no. 2015001434, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 7 september 2015, nr. W06.15.0277/III, bied ik U hierbij aan.

Het kabinet is de Afdeling erkentelijk voor de voortvarendheid waarmee het advies over het bovenvermelde voorstel is uitgebracht en in het bijzonder ook voor de uitvoerige en gedegen wijze waarop de Afdeling in haar advies de door het kabinet gevraagde bijzondere aandacht heeft gegeven aan het punt van de gelijke behandeling.

1. Inleiding

Het Artikel 2-Fonds is een compensatieregeling voor Joodse vervolgingsslachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.2 De uitkeringen zijn bedoeld als tegemoetkoming aan minder draagkrachtige vervolgingsslachtoffers en kennen daarom een inkomens- en een vermogenstoets. De hoogte van de uitkering bedraagt € 320 per maand, een vast bedrag dat één keer per kwartaal wordt uitbetaald. De uitkering is niet van invloed op de uitkering krachtens de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo). Het gaat om een persoonsgebonden uitkering. In Nederland ontvangen ongeveer 2.500 ingezetenen deze uitkering.

Omdat de uitkeringen afkomstig zijn van de Duitse overheid worden de uitkeringen fiscaal gekwalificeerd als publiekrechtelijke uitkeringen en tot het inkomen uit werk en woning gerekend (box 1).3 In het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Duitsland is het heffingsrecht over deze uitkeringen aan Duitsland toegewezen. Nederland verleent daarom een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, maar voor de bepaling van de hoogte van het tarief over de andere inkomsten tellen de uitkeringen wel mee (progressievoorbehoud). Daarnaast is over de uitkeringen in Nederland premie voor de volksverzekeringen verschuldigd en tellen de uitkeringen mee bij de bepaling van de draagkracht voor inkomensafhankelijke aftrekposten en toeslagen. Volgens de toelichting kunnen de fiscale gevolgen en de gevolgen voor toeslagen ingrijpend zijn: in uitzonderlijke situaties kan de uitkering als gevolg van het gemis aan toeslagen in combinatie met de premieheffing zelfs meer dan «wegbelast» worden, waardoor de ontvanger van de uitkering uiteindelijk in een slechtere financiële positie komt te verkeren dan toen hij nog geen uitkering uit het Artikel 2-Fonds ontving.4

Vanuit de Tweede Kamer is er diverse malen op aangedrongen om de uitkeringen vrij te stellen. Hierop hebben de verantwoordelijke bewindslieden steeds afwijzend gereageerd. Zij toonden begrip voor de wens van de uitkeringsgerechtigden, maar meenden dat een vrijstelling een ongewenste precedentwerking zou hebben naar andere uitkeringen. Mede op basis van een onderzoek door de landsadvocaat is het huidige kabinet tot de conclusie gekomen dat een vrijstelling voor uitkeringen uit het Artikel 2-Fonds gerechtvaardigd is. Met een dergelijke vrijstelling wordt, zo merkt de Afdeling op, afgeweken van de bestaande systematiek van de inkomstenbelasting.

Vanwege de gevoeligheid van de vrijstelling voor uitsluitend uitkeringen aan deze groep Joodse vervolgingsslachtoffers en een mogelijke precedentwerking, verzoekt het kabinet de Afdeling om in haar advisering bijzondere aandacht te schenken aan de in de toelichting op het wetsvoorstel opgenomen rechtvaardigingsgronden.

Alvorens op dit verzoek van het kabinet in te gaan (onder 3 hierna), maakt de Afdeling (onder 2) eerst een opmerking over mogelijke alternatieven.

2. Alternatieven

Volgens de toelichting «kleven er juridische voetangels en klemmen aan een vrijstelling» en «zijn er misschien wel andere, betere mogelijkheden om tegemoet te komen, maar kost het tijd om deze te onderzoeken en tot stand te brengen».5

De Afdeling merkt op dat de toelichting niet vermeldt aan welke mogelijkheden in dit verband is of wordt gedacht. Zij acht het voor een zorgvuldige politieke besluitvorming en ook ter motivering van de keuze die thans met het voorstel wordt gemaakt, noodzakelijk dat eventuele alternatieven in beeld worden gebracht. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk of deze alternatieven een minder grote inbreuk op de bestaande systematiek maken waardoor – beter dan met het onderhavige voorstel – kan worden voorkomen dat druk ontstaat om ook andere uitkeringen, vanwege de precedentwerking, voor een fiscaal gunstige behandeling in aanmerking te laten komen.

Het argument dat er geen tijd zou zijn om andere alternatieven te onderzoeken kan de Afdeling overigens niet plaatsen. De beantwoording van Kamervragen waarin het onderzoek van de landsadvocaat is aangekondigd, dateert van 11 juli 20146, terwijl de keuze om Artikel 2-Fondsuitkeringen vrij te stellen pas naar buiten is gebracht op 4 juni 20157. Die tijdspanne zou toch voldoende moeten zijn geweest om alternatieven te onderzoeken en in de afwegingen te betrekken.

De Afdeling adviseert om de toelichting op dit punt aan te vullen en daarmee ook de keuze die met het wetvoorstel is gemaakt dragend te motiveren.

Gegeven de gemaakte keuze voor een inkomstenbelastingvrijstelling van Artikel 2-Fondsuitkeringen, gaat de Afdeling hierna in op het verzoek van het kabinet om bijzondere aandacht te schenken aan de in de toelichting op het wetsvoorstel opgenomen rechtvaardigingsgronden voor een dergelijke vrijstelling.

3. Rechtvaardigingsgronden voor een vrijstelling; gelijkheidsbeginsel

a. Algemeen

De aan de Afdeling voorgelegde vraag komt er in feite op neer hoe dit voorstel zich verhoudt tot het gelijkheidsbeginsel. De Afdeling heeft hierbij het oog op artikel 1 van de Grondwet, artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Hierna zal de Afdeling in het bijzonder artikel 14 EVRM aan de orde stellen. Die beoordeling kent, voor zover hier relevant, twee onderdelen: een toets waarbij nagegaan moet worden of sprake is van gelijke of vergelijkbare gevallen (uitgewerkt onder b hierna) en – indien aangenomen wordt dat sprake is van vergelijkbare gevallen – vervolgens een toets waarbij wordt bezien of het gemaakte verschil objectief en redelijk gerechtvaardigd is (uitgewerkt onder c hierna). Bij het uitvoeren van de eerste toets hanteert het EHRM als criterium dat de gevallen «vergelijkbaar» moeten zijn; niet is vereist dat ze «identical» of «fully analogous» zijn.8

b. Vergelijkbare gevallen

De vraag of sprake is van vergelijkbare gevallen is primair een feitelijke vraag, die uiteindelijk door de rechter zal worden beantwoord. Om die reden kan de Afdeling alleen de elementen en overwegingen geven die daar mogelijk een rol bij zullen spelen.

Wat betreft de eerste toets of sprake is van vergelijkbare gevallen is van belang de vergelijkbaarheid van de Artikel 2-Fondsuitkeringen ten opzichte van andere uitkeringen.

Hierbij kan worden gedacht aan Nederlandse uitkeringen die in verband met de Tweede Wereldoorlog worden ontvangen en die niet zijn vrijgesteld in artikel 3.104 van de Wet IB 2001: de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945, de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-slachtoffers en de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet.

Ook kan worden gedacht aan Nederlandse uitkeringen die verband houden met andere historische gebeurtenissen, zoals zogenoemde Rietkerk-uitkeringen aan gezinnen en alleenstaanden van Molukse herkomst, velen behorend tot het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) die in 1951 of 1952 door de zorg van de Nederlandse regering naar Nederland zijn overgebracht. Deze Wet Rietkerk-uitkering voorziet in een uitkering van € 907,56 per jaar (cijfer 2015) en kwalificeert in principe als een belastbare periodieke uitkering. In artikel 8 van genoemde wet is echter bepaald dat de over de uitkering verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen ten laste van het Rijk komen. Dit komt er praktisch op neer dat deze uitkeringen vrijgesteld zijn van inkomstenbelasting.

Beargumenteerd zou kunnen worden dat er sprake is van vergelijkbare gevallen omdat er geen betekenisvol en relevant verschil zou zijn tussen enerzijds Artikel 2-Fondsuitkeringen en anderzijds uitkeringen die in verband met de Tweede Wereldoorlog verstrekt worden. In de richting van vergelijkbare gevallen wijst daarnaast de omstandigheid dat de gerechtigden in alle gevallen oorlogsgetroffenen uit de Tweede Wereldoorlog zijn en het gegeven dat het een verstrekking met een materiële component betreft, in de zin dat het gaat om inkomensaanvulling voor getroffenen met een laag inkomen.

Aan de andere kant is de Afdeling van oordeel dat er veel te zeggen is voor onvergelijkbaarheid van gevallen. De Afdeling wijst met name op het zeer bijzondere karakter (de aard) van de Artikel 2-Fondsuitkering.

Wat betreft het bijzondere karakter (de aard) van de Artikel 2-Fondsuitkering wijst de Afdeling erop dat het gaat om een buitenlandse (Duitse) uitkering, die aldaar is vrijgesteld en waarbij derhalve geen rekening is gehouden met de fiscale consequenties in Nederland. De Afdeling acht het voorts van belang dat het gaat om een persoonsgebonden uitkering van een vast bedrag, dat niet zozeer is bedoeld als een vergoeding voor verlies aan verdiencapaciteit, maar als gebaar in het kader van de Wiedergutmachung. Ook dringt zich de vergelijking op met de Rietkerk-uitkering die eveneens een immateriële component heeft (en dus inkomenszwak van karakter is), ook in zekere zin het karakter van genoegdoening heeft en die feitelijk is vrijgesteld.

De vraag of sprake is van vergelijkbare gevallen is primair een feitelijke kwestie, die uiteindelijk zal worden beantwoord door de belastingrechter. Die uitkomst is ongewis. Mocht de belastingrechter beslissen dat sprake is van vergelijkbare gevallen, dan rijst vervolgens de vraag of sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het maken van onderscheid tussen vrijgestelde Artikel 2 Fondsuitkeringen en niet-vrijgestelde andere uitkeringen. Op die vraag gaat de Afdeling hierna in.

c. Rechtvaardigingstoets

Indien men zou aannemen dat sprake is van vergelijkbare gevallen, moet – wat betreft de vraag of er sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling – worden nagegaan (i) of sprake is van een gerechtvaardigd doel, (ii) of het middel (onderscheid) geschikt is voor het bereiken van dit doel en (iii) of er een redelijke verhouding is tussen doel en middelen.

  • i. Het doel van het onderhavige wetsvoorstel is het wegnemen van nadelige fiscale gevolgen en gevolgen voor toeslagen door het aanmerken van deze uitkeringen als vrijgestelde publiekrechtelijke uitkeringen. Daarbij wil de regering onrust in de samenleving voorkomen.9 Het beoogde doel is volgens de Afdeling, zeker ook gezien de specifieke groep waar het hier om gaat, namelijk (hoog)bejaarde oorlogsslachtoffers die deze uitkering pas in de laatste fase van hun leven ontvangen, alleszins gerechtvaardigd.

  • ii. Met het opnemen van een extra onderdeel in artikel 3.104 van de Wet IB 2001 wordt dit doel bereikt. Het middel is daarmee geschikt, zo is de Afdeling van oordeel.

  • iii. Vervolgens rijst de vraag of er een redelijke verhouding bestaat tussen doel en middel.

Van belang is dat bij deze proportionaliteitstoetsing het EHRM de verdragsstaten een zekere «margin of appreciation» toestaat, die varieert afhankelijk van de omstandigheden, het onderwerp en de achtergrond. Bij sociaaleconomische maatregelen, zoals belastingmaatregelen, is deze margin gewoonlijk ruim. 10 Het is dan ook vaste rechtspraak van de Hoge Raad, het EHRM en het Human Rights Comittee (UNHCR) dat de fiscale wetgever een ruime beoordelingsruimte (een «wide margin of appreciation») heeft. De Hoge Raad verwijst in zijn arresten naar deze EHRM-rechtspraak.11

Bij deze beoordeling van de redelijkheid van de verhouding tussen doel en middelen zijn de volgende omstandigheden die in de toelichting worden genoemd, ook naar het oordeel van de Afdeling, relevant (de nummering is aangebracht door de Afdeling).12

«Bij het maken van de keuze om de uitkeringen al dan niet vrij te stellen kan het kabinet niet blijven wikken en wegen. [1] Urgentie speelt nu een grote rol. Het Artikel 2-Fonds heeft, los van de discussie over vrijstellen, al een zeer lange geschiedenis van vertragen, weigeren en uitstellen, zodat uiteindelijk slechts een kleine groep feitelijk rechthebbenden is overgebleven. Zoals opgemerkt is het Artikel 2-Fonds pas ingesteld na de hereniging van de beide Duitslanden, 44 jaar na de bevrijding. Nog weer veel jaren later zijn de voorwaarden voor het recht op een uitkering aanmerkelijk versoepeld waardoor de kring van mogelijke gerechtigden fors is uitgebreid en velen eindelijk hun eerste uitkering tegemoet konden zien. Maar voor veel meer slachtoffers is dit alles te laat gekomen omdat zij al overleden waren voordat zij aan hun recht konden toekomen. [2] De huidige (circa 2500) gerechtigden zijn inmiddels bejaard of hoogbejaard. Het Artikel 2-Fonds geeft recht op betrekkelijk lage uitkeringen, maar kan soms in specifieke gevallen wel relatief veel bijdragen aan het maandelijkse budget. [3] De fiscale gevolgen en de gevolgen voor toeslagen kunnen echter ingrijpend zijn. In uitzonderlijke situaties kan de uitkering als gevolg van het gemis aan toeslagen in combinatie met de premieheffing zelfs meer dan «wegbelast» worden, waardoor uiteindelijk de ontvanger van de uitkering in een slechtere financiële positie komt te verkeren dan toen hij nog geen uitkering uit het Artikel 2-Fonds ontving. Dit is overigens het gevolg van de systematiek van het belasting- en toeslagensysteem en is niet specifiek voor de uitkeringen uit het Artikel 2-Fonds. [4] Toch acht het kabinet het juist voor deze oorlogsgetroffenen extra hard, als de uitkeringen die hen zo lang zijn onthouden en die dienen ter compensatie van het doorstane oorlogsleed, uiteindelijk niet of nauwelijks bijdragen aan hun welbevinden. De gerechtigden zelf omschrijven dit in hun brieven bitter als het toe-eigenen door de Nederlandse overheid van een vergoeding voor de smartelijke omstandigheden waarin zij tijdens de oorlog hebben verkeerd, en die hen de rest van hun leven hebben achtervolgd.»

Voor het oordeel of sprake is van een redelijke verhouding tussen doel en middel pleiten voorts nog de omstandigheden dat de uitkering persoonsgebonden is, dat deze deels een immaterieel karakter heeft (en dus als inkomenszwak is aan te merken), dat de uitkering niet is gekoppeld aan verloren verdiencapaciteit en geen inkomensaanvulling beoogt te zijn, maar meer een gebaar van verzoening. Het betreft aldus verschillende factoren in samenhang genomen, een zeer bijzondere situatie die zich naar verwachting niet snel weer zal voordoen.

d. Conclusie

De Afdeling is van oordeel dat het, gelet op de hiervoor onder 3b en 3c weergegeven bijzondere omstandigheden, en gegeven de ruime marge die de nationale en internationale rechters aan de fiscale wetgever gunnen, plausibel is dat deze omstandigheden het voorgestelde onderscheid tussen Nederlandse uitkeringen en de vrijgestelde Artikel 2-Fondsuitkering kunnen rechtvaardigen.

Naar aanleiding van het advies merk ik het volgende op.

De Afdeling merkt terecht op dat de toelichting niet vermeldt welke alternatieven er zouden zijn in plaats van de thans voorgestelde fiscale vrijstelling. Gedacht kan worden aan maatregelen die op andere dan fiscale wijze de financiële situatie van deze doelgroep zouden kunnen versterken, zoals regelingen met een subsidiërend karakter of uitkeringsregelingen. Zulke alternatieven zijn niet onderzocht. De Tweede Kamer drong aan op de fiscale vrijstelling, waarmee ook meteen de invloed op de toeslagen zou zijn verdwenen. De landsadvocaat achtte het uiteindelijk denkbaar dat een keuze van de wetgever om tot een dergelijke vrijstelling over te gaan mogelijk juridisch zou standhouden. Tegelijkertijd benadrukte hij echter dat er rekening mee gehouden moet worden dat de rechter daar anders over kan denken. Zou ook de Afdeling adviseren dat een dergelijke vrijstelling tot de ruime beoordelingsmarge van de fiscale wetgever behoort, dan zou het kabinet voor deze betrekkelijk eenvoudig tot stand te brengen fiscale maatregel kiezen.

Overigens zouden de genoemde alternatieven, ook al zouden zij juridisch sterker zijn, de weerzin bij de slachtoffers tegen heffing op juist deze uitkering waarschijnlijk niet wegnemen.

Naast de genoemde alternatieven kan ook gedacht worden aan fiscale alternatieven, zoals het bruteren of onder de eindheffing brengen van de uitkeringen. Deze systematiek, die zoals de Afdeling verderop in haar advies opmerkt lijkt op die van de Rietkerk-uitkeringen, is wel overwogen, maar zal in de praktijk niet haalbaar zijn. Het is niet reëel om te veronderstellen dat de Duitse regering bereid zal zijn de uitkeringen te bruteren of de eindheffing te voldoen. Een andere mogelijkheid zou zijn dat de Nederlandse overheid de brutering of eindheffing voor haar rekening neemt. Bij de Rietkerk-uitkeringen is daar min of meer vanzelfsprekend voor gekozen omdat deze uitkeringen ook voor rekening van de Nederlandse overheid komen. Voor de uitkeringen uit het Artikel 2-Fonds acht het kabinet deze variant echter gekunsteld en complex en is een rechtstreekse vrijstelling te verkiezen. De memorie van toelichting is op dit punt aangevuld.

De landsadvocaat wijst in zijn advies over de uitkeringen uit het Artikel 2-Fonds op de verschillende aspecten die vooral betrekking hebben op de mogelijke uitstraling die een fiscale vrijstelling zou kunnen hebben in de richting van andere uitkeringen van met name oorlogsgetroffenen. De door de landsadvocaat genoemde aspecten hebben uiteraard een belangrijke rol gespeeld bij de voorbereiding van de besluitvorming over een mogelijke (fiscale) regeling voor de betreffende uitkeringen. Dat heeft enige tijd gekost. De uiteindelijke conclusie was dat het advies voldoende dragend was voor een nadere uitwerking van een fiscale vrijstelling voor deze groep. Het wetsvoorstel dat thans aan het parlement wordt voorgelegd is – naar mijn oordeel en ook naar het oordeel van de Afdeling – dan ook een voorstel dat op een verantwoorde wijze rekening houdt met alle door de landsadvocaat naar voren gebrachte aspecten en dat tegelijkertijd recht doet aan de terechte gevoelens van de mensen die in aanmerking komen voor de uitkering.

Ten slotte is van de gelegenheid gebruikgemaakt om enige redactionele wijzigingen in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting aan te brengen.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State,

J.P.H. Donner

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Het Artikel 2-Fonds is bedoeld voor Joodse vervolgingsslachtoffers die opgesloten waren in een concentratiekamp, minstens 3 maanden gevangen waren in een getto, zoals door de Duitse regering gedefinieerd, minstens 6 maanden ondergedoken waren in een door de nazi’s bezet gebied, of minstens 12 maanden ondergedoken waren in een satellietstaat van de nazi’s.

X Noot
3

Hoge Raad 8 februari 2013, 12/02569, ECLI:NL:HR:2013:BZ0729.

X Noot
4

Memorie van toelichting, paragraaf 6, onder Urgentie, tweede alinea.

X Noot
5

Memorie van toelichting, paragraaf 6, onder Urgentie, laatste tekstblok, derde volzin.

X Noot
6

Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 2513, blz. 1.

X Noot
7

Kamerstukken II 2014/15, 20 454, nr. 111.

X Noot
8

EHRM, Laduna t. Slowakije, arrest van 13 december 2011, nr. 31827/02, § 56.

X Noot
9

Memorie van toelichting, paragraaf 6, onder Urgentie, eerste alinea.

X Noot
10

EHRM (GK), Stec t. het verenigd Koninkrijk, arrest van 12 april 2006, nrs. 65731/01 en 65900/01, § 52, EHRM (GK) Burden en Burden t. het Verenigd Koninkrijk, arrest van 29 april 2008, nr. 13378/05, § 60.

X Noot
11

Zie bijvoorbeeld HR 19 oktober 2007, BNB 2008, 17: «Vooropgesteld zij dat de wetgever bij beslissingen als de onderhavige – het indelen van belastingplichtigen in tariefgroepen – een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, en dat het oordeel van de wetgever dient te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond is ontbloot (vgl. onder andere EHRM 22 juni 1999, nr. 46 757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398 en EHRM 12 december 2006, nr. 13 378/05, zaak Burden en Burden/Verenigd Koninkrijk, EHRC 2007/18)».

X Noot
12

Memorie van toelichting, paragraaf 6, onder Urgentie, tweede alinea.

Naar boven