Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 juni 2015
Op 11 juli 2014 heb ik vragen beantwoord van de leden Neppérus en Koolmees over de
fiscale behandeling van periodieke uitkeringen uit het zogenoemde Artikel 2-Fonds,
een door Duitsland ingestelde compensatieregeling voor Joodse vervolgingsslachtoffers.1 In de antwoorden heb ik uiteengezet dat de gerechtigden over deze uitkeringen premie
volksverzekeringen zijn verschuldigd, en dat de uitkeringen behoren tot het toetsingsinkomen
voor toeslagen.
De vragen waren gericht op de mogelijkheden om deze uitkeringen vanwege hun bijzondere
karakter buiten beschouwing te laten. In reactie daarop heb ik in herinnering gebracht
dat enkele van mijn ambtsvoorgangers die mogelijkheden al hebben onderzocht. Zij namen
in antwoorden op Kamervragen het standpunt in dat het niet-meetellen van draagkrachtverhogende
uitkeringen als deze principieel onjuist zou zijn en dat daarvan bovendien een precedentwerking
zou uitgaan voor vele andere uitkeringen die hun oorzaak vinden in de gevolgen van
bijvoorbeeld oorlog, rampen, terreur, gijzeling of mishandeling.2
Ik erken de bijzondere positie van deze groep oorlogsslachtoffers in onze samenleving
en heb uiteraard sympathie voor de betrokkenheid van uw Kamer. Ik heb mij daarom vanuit
een open houding tot het uiterste willen inspannen om te onderzoeken of het mogelijk
is om, ondanks de juridische of beleidsmatige bezwaren en de precedentwerking, de
uitkeringen vrij te stellen.
Met het oog op deze aspecten en de mogelijke budgettaire consequenties heb ik daarom,
zoals in de antwoorden toegezegd, de landsadvocaat gevraagd het onderzoek te gaan
uitvoeren. Deze heeft inmiddels verslag van zijn onderzoek uitgebracht.
De conclusies van de landsadvocaat zijn genuanceerd. Van een advies als dit kan natuurlijk
ook geen absolute stelligheid worden verwacht. Bij het beoordelen van de rechtvaardigingsgrond
voor een vrijstelling zal de rechter in een mogelijke procedure immers een eigen weging
maken.
De landsadvocaat brengt wel een groot aantal aspecten van een mogelijke vrijstelling
in beeld. Hij onderzoekt de huidige wetssystematiek voor publiekrechtelijke uitkeringen
en constateert dat het uitgangspunt van de wetgever is om uitkeringen met een inkomensvervangend
of inkomensaanvullend karakter die vrij besteedbaar inkomen verschaffen te belasten,
omdat anders een ongelijke behandeling zou ontstaan met mensen die bijvoorbeeld loon
uit dienstbetrekking of een uitkering voor arbeidsongeschiktheid ontvangen.
Ook beziet hij enkele vrijgestelde uitkeringen en gaat na of de voor die vrijstellingen
gegeven rechtvaardigingsgronden ook zouden kunnen gelden voor de uitkeringen uit het
Artikel 2-Fonds. Daarbij gaat hij in het bijzonder uitvoerig in op de juridische aspecten
van precedentwerking van een mogelijke vrijstelling. Hij bespreekt in dat kader jurisprudentie
over schending van het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel en het eigendomsgrondrecht.
De landsadvocaat acht het uiteindelijk denkbaar dat een keuze van de wetgever om tot
vrijstelling over te gaan stand zal houden omdat deze past binnen de ruime beoordelingsmarge
die de fiscale wetgever heeft bij de toepassing van het gelijkheidsbeginsel. Hij benadrukt
echter dat er rekening mee moet worden gehouden dat de rechter daar anders over zal
denken.
De gerechtigden tot uitkeringen uit het Artikel 2-Fonds zijn Joodse vervolgingsslachtoffers
die dermate hebben geleden onder de gruwelen van het naziregime, dat zij volgens de
Duitse overheid in aanmerking komen voor deze bijzondere periodieke uitkering, die
dient als compensatie van het doorstane leed.
Een groot deel van de Kamer ziet daarin een bevestiging van de uitzonderlijke positie
die deze groep oorlogsgetroffenen inneemt. Deze positie zou volgens deze leden ook
een afwijkende behandeling van de uitkeringen rechtvaardigen, zodat deze niet worden
getroffen door premieheffing, en niet leiden tot verlies van toeslagen.
De wens van de Kamer brengt mij ertoe een wetsvoorstel voor te bereiden om de uitkeringen
uit het Artikel 2-Fonds vrij te stellen. Daarbij zal met zorgvuldigheid gekeken worden
naar de genoemde aspecten als gelijkheid en precedentwerking om de beoogde maatregel
deugdelijk te onderbouwen. Het is immers niet de rechter, maar juist de wetgever die
er verantwoordelijk voor is dat wettelijke regels niet in strijd komen met grondrechten
en algemeen geldende rechtsbeginselen. Bij de adviesaanvraag voor dat wetsvoorstel
wil ik dan ook voor dit punt de bijzondere aandacht van de Afdeling advisering van
de Raad van State vragen. Mocht de Raad van State van mening zijn dat het wetsvoorstel
op dit punt de toets der kritiek niet kan doorstaan dan zal ik niet overgaan tot indiening.
Ik vertrouw erop dat de Kamer dit voornemen kan billijken.
De Staatssecretaris van Financiën,
E.D. Wiebes