Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634300-III nr. 4

34 300 III Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Algemene Zaken (IIIA), de begrotingsstaat van het Kabinet van de Koning (IIIB) en de begrotingsstaat van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (IIIC) voor het jaar 2016

Nr. 4 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 2 oktober 2015

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 24 september 2015 voorgelegd aan de Minister president, Minister van Algemene Zaken. Bij brief van 2 oktober 2015 zijn ze door de Minister van de Minister president, Minister van Algemene Zaken beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Berndsen-Jansen

De adjunct-griffier van de commissie, Hendrickx

Vraag 1

Wat heeft de Minister-President voor concrete maatregelen genomen om het lekken van Prinsjesdagplannen tegen te gaan?

Antwoord

In de afgelopen jaren zijn verschillende varianten beproefd ten aanzien van de verstrekking van de Prinsjesdagstukken. Zoals ook de commissie Prinsjesdagstukken in 2010 heeft geconstateerd, is gebleken dat geen van de varianten zonder nadelen is (Kamerstuk 32 173, nr. 2). Dit jaar was de afspraak met de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer dat de Prinsjesdagstukken onder embargo worden verstrekt op de vrijdag voor Prinsjesdag. Op Prinsjesdag zelf worden de stukken openbaar gemaakt. Ik heb er kennis van genomen dat in de media al vóór Prinsjesdag berichtgeving plaatsvond over de beleidsvoornemens van het kabinet voor 2016. Het kabinet heeft er voor gekozen geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar het lekken van vertrouwelijke informatie. De kring waarbinnen de betreffende informatie was verspreid, was zo ruim dat een onderzoek naar redelijke verwachting even kostbaar als vruchteloos zou zijn geweest.

Vraag 2

Op welke manieren, gegeven het geruzie tussen regeringspartijen en elkaar soms tegensprekende bewindspersonen, wordt de eenheid van regeringsbeleid bevorderd op een wijze die budgettering daarvoor ter hoogte van bijna 60 miljoen euro per jaar rechtvaardigt?

Antwoord

De Grondwet (art. 45, derde lid) bepaalt dat de ministerraad de eenheid van algemeen regeringsbeleid bevordert. Deze taakopdracht rust mede op alle leden van de raad, in het bijzonder op de voorzitter. De eenheid van beleid wordt door het Ministerie van Algemene Zaken bevorderd door voorbereiding van de besluitvorming in de vorm van ondersteuning bij de afstemming in ambtelijke voorportalen, onderraden en commissies en bijzondere overleggen van bewindspersonen. Bij deze gecoördineerde voorbereiding van de eenheid van beleid behoort tevens de communicatie en de woordvoering daarover evenals de strategische beleidsadvisering waarbij respectievelijk de RVD/DPC en de WRR een belangrijke rol vervullen. Tevens vervult het Ministerie van Algemene Zaken een rol bij de coördinatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Ten behoeve van de uitoefening van deze taken wordt het ministerie ondersteund door medewerkers op het gebied van facilitaire zaken, personeel, ict, protocol, beveiliging en financiën.

Vraag 3

Waarom zullen de mediabestedingen toenemen? Waar komt de toename van mediabestedingen vandaan als er wordt gesproken van een stijging van de materiële kosten als een gevolg van de toename van mediabestedingen, terwijl eerder in de begroting gesproken wordt van een betere integratie van publieksvoorlichting?

Antwoord

De mediabestedingen stijgen op basis van twee ontwikkelingen. Ten eerste zetten de deelnemers aan de regeling media-inkoop (departementen, staatsdeelnemingen, zbo’s en rwt’s) vaker communicatie in om beleidsdoelstellingen te realiseren. Daarnaast worden de kosten voor communicatie hoger omdat doelgroepen steeds moeilijker te bereiken zijn. Er wordt dus meer mediaruimte bij media-exploitanten ingekocht om dezelfde bereikdoelstellingen te realiseren.

Vraag 4

Waarop berust de verwachting dat de personele kosten van de shared-serviceorganisatie Dienst Publiek en Communicatie (DPC) vanaf 2016 stabiel blijven?

Antwoord

DPC stelt jaarlijks een gedetailleerd prestatieplan op. Daarin worden de personele en materiële kosten geraamd voor de uitvoering van de overeengekomen dienstverlening. In 2016 worden in de dienstverlening geen grote veranderingen verwacht. De verwachting is dan ook dat de personele kosten evenmin zullen wijzigen.

Vraag 5

Waarom wordt de kwaliteitsindicator burgertevredenheid voor telefonie en e-mail vanaf 2016 in een vijfpuntsschaal weergegeven en die voor internet in een tienpuntsschaal? Hoe wordt vergelijkbaarheid van cijfers over de jaren gewaarborgd?

Antwoord

De vraagbeantwoording van Informatie rijksoverheid via telefoon en e-mail wordt uitgevoerd door een extern facilitair contactcenter onder regie van DPC. Iedere beller heeft de mogelijkheid om na een telefoongesprek de dienstverlening van Informatie rijksoverheid te beoordelen middels de numerieke toetsen van een telefoon. Het gebruik van een tienpuntsschaal (1 tot en met 10) is daardoor onmogelijk aangezien er dan geen «10» gegeven kan worden. Daarom is gekozen voor de logische vijfpuntsschaal. Omdat de dienstverlening per telefoon en e-mail met elkaar vergeleken moeten kunnen worden is ook voor e-mail gekozen voor een vijfpuntsschaal. Hoewel de website ook een voorlichtingskanaal is, gaat het hier om een ander product onder beheer van www.rijksoverheid.nl dat inhoudelijk niet vergeleken kan worden met telefoon en e-mail en veel andere kwaliteitscriteria kent.

Vraag 6

Welk deel van de verhoging van het budget van de CTIVD is bestemd voor uitbreiding van de onderzoekscapaciteit en welk deel voor het instellen en opbouwen van de kenniskring?

Antwoord

Voor de kenniskring is jaarlijks 20.000 euro begroot (onkostenvergoeding) en éénmalig 40.000 euro voor het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken. Voor de uitbreiding van onderzoekscapaciteit is 320.000 euro begroot.