Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834267 nr. 12

34 267 Initiatiefnota van de leden Nijboer en Groot over private equity: einde aan de excessen

Nr. 12 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 juli 2018

Naar aanleiding van de initiatiefnota «Private equity: einde aan de excessen» van het lid Nijboer (PvdA) en het voormalig lid Groot (PvdA)1 is er onderzoek gedaan naar de twee in de nota voorgestelde maatregelen met betrekking tot de ondernemingsraad (OR).2 Hiertoe zijn gesprekken gevoerd met wetenschappers en belangenorganisaties.3 Naar aanleiding van de gewijzigde motie van de leden Groot (PvdA) en Tanamal (PvdA)4 is daarbij tevens onderzocht of een uitgebreid informatie- en adviesrecht van de OR wenselijk is ter zake van de beloningsstructuur van het ondernemingsbestuur.

Hieronder belicht ik kort eerdere discussies over de positie van de OR in relatie tot een overname van een onderneming door een private equityfonds en sluit ik af met mijn conclusie ten aanzien van de voorgestelde maatregelen. In de bijlage5 bij deze brief ga ik uitgebreider in op de materie en de uitkomsten van de gesprekken. Daarin schets ik allereerst de rechten van de OR in relatie tot de voorgestelde maatregelen en de motie. Daarna ga ik in op de uitkomsten van de gesprekken in het licht van het wettelijk kader. Tot slot volg ik een aantal denkrichtingen die in de gesprekken aan de orde zijn geweest.

Eerdere discussies

De discussie over de positie van de OR bij overnames waarbij private equity betrokken is, is niet nieuw, maar blijft actueel. Dit geldt ook voor de discussie over de beloningsstructuur van het ondernemingsbestuur. In 2007 en de daaropvolgende jaren is de positie van de ondernemingsraad in relatie tot private equity in Kamerdebatten aan de orde geweest. Destijds speelde de vraag of het beoogde evenwicht tussen alle bij de onderneming belanghebbende partijen in het Nederlandse systeem van corporate governance wel in alle opzichten werd gerealiseerd. In dat licht is de SER in 2007 om advies gevraagd over de vraag of de positie van werknemers versterking behoefde en zo ja, hoe dit gerealiseerd kon worden, zodanig dat de belangen van werknemers voldoende werden meegewogen bij de besluitvorming in en over Nederlandse ondernemingen. In het in 2008 uitgebrachte advies, waarin het accent lag op beursgenoteerde NV’s, concludeerde de SER6 dat OR'en (en vakbonden) in het Nederlandse medezeggenschapsrecht adequate middelen vinden om (strategische) besluiten van ondernemingen, waaronder besluiten omtrent fusie en overname en (financiële) herstructurering, te beïnvloeden en – in extreme situaties – zo nodig door rechterlijk ingrijpen te doen redresseren. Wel adviseerde de Raad een uitbreiding van het spreekrecht van de OR. Omdat de Raad ook wees op mogelijke onderbenutting van rechten, heeft het Ministerie van SZW in 2009 onafhankelijk onderzoek laten verrichten naar het gebruik van de rechten van de OR.7 Dat onderzoek was gericht op grote ondernemingen, omdat met name zij te maken kunnen hebben met overnames door private equity partijen en hedgefunds. Daarbij is de afstand tussen het bestuur en de leden van de OR groot en is de structuur complex. Uit dit onderzoek bleek dat OR'en niet alle rechten ten volle benutten, maar dat de Wet op de ondernemingsraden (WOR) als uitgangspunt voldoet. Verder bevatte het onderzoek aanbevelingen om het gebruik van de OR-bevoegdheden in de praktijk te bevorderen en enkele stimulerende aanpassingen in de WOR te overwegen.

Inmiddels heeft de OR in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het recht gekregen om een standpunt kenbaar te maken in de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) ten aanzien van belangrijke bestuursbesluiten en besluiten tot benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen alsmede ten aanzien van het bezoldigingsbeleid.8 Tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel tot wijziging van boek 2 BW in verband met de aanpassing van het enquêterecht9, is de vraag aan de orde geweest of aan de OR de bevoegdheid tot het verzoeken van een enquête moet worden toegekend. Daar is toen niet voor gekozen. Werknemersorganisaties hebben wel een enquêterecht. Het is ook zo dat OR’en werknemersorganisaties in kunnen roepen met het oog op een enquête. Op 1 januari 2013 is deze wet in werking getreden.10

Naar aanleiding van de initiatiefnota van de leden Nijboer en Groot is onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van private equity-overnames in Nederland voor de verschillende stakeholders, waaronder werknemers. Hieruit blijkt onder andere dat bij bedrijven die door private equity-fondsen worden overgenomen, nadrukkelijker gestuurd wordt op het maximaliseren van financiële prestaties. Uit het onderzoek blijkt niet dat dit duidelijke significante negatieve gevolgen heeft voor de overige stakeholders. Overnames door private equity-partijen creëerden waarde, maar er vond ook waardeherverdeling plaats. De onderzoekers signaleren dat er potentiële conflicten kunnen ontstaan met belangen van andere stakeholders, zoals werknemers, financiers en vreemdvermogenverschaffers. Ook neemt de kans op faillissement nauwelijks toe ten opzichte van bedrijven waar geen sprake is van betrokkenheid van private equity. Excessen rond private equity zijn volgens de onderzoekers «incidenteel». De onderzoekers hebben geen systematisch bewijs gevonden dat een overname door private equity nadelig is voor de werknemers en andere stakeholders». 11

Begin dit jaar is in de Tweede Kamer debat gevoerd over het voorstel tot wijziging van de WOR over de bevoegdheden van de OR met betrekking tot het beloningsbeleid van bestuurders. In dat debat zijn ook de punten uit de motie Groot/Tanamal aan de orde gekomen. Het wetsvoorstel is door de Tweede Kamer aangenomen. Daarbij heeft de Tweede Kamer niet besloten tot een uitgebreid informatie- en adviesrecht ter zake van de beloningsstructuur van het ondernemingsbestuur. Het voorstel tot wijziging van de WOR is dit voorjaar tevens door de Eerste Kamer behandeld en aangenomen. Per 1 januari 2019 zal de wetswijziging in werking treden.

Private equity-overnames en de positie van de OR

De gesprekken die ten aanzien van de rol van de OR bij overnames zijn gevoerd, en waarvan de bijlage een samenvatting geeft, zorgen voor verdieping van het inzicht in de rol van de OR ten opzichte van diverse stakeholders, maar ook voor verscherping van het inzicht in de praktische betekenis van de bevoegdheden die de OR heeft op grond van de huidige wet- en regelgeving. Zoals de Tweede Kamer eerder is gemeld12 en ook in de gesprekken naar voren is gekomen, volstaan de huidige bevoegdheden van de OR. In de praktijk en uit de gesprekken blijkt wel dat OR’en in voorkomende gevallen niet altijd goed genoeg op de hoogte zijn van de mogelijkheden die zij hebben onder de WOR.

Conclusie

Gezien de mogelijkheden die het huidig wettelijk kader biedt, concludeer ik dat een wetswijziging van de WOR in de zin van de twee in de initiatiefnota voorgestelde maatregelen niet noodzakelijk is. De WOR biedt voldoende mogelijkheden voor ondernemingsraden om alle benodigde informatie in te kunnen winnen. Gezien de mogelijke onderbenutting van de bestaande rechten is het wel van belang om samen met het medezeggenschapsveld en met de Commissie Bevordering Medezeggenschap van de SER te bezien hoe OR’en nog beter geïnformeerd kunnen worden over de rechten die zij hebben bij overnames en hoe zij het beste gebruik kunnen maken van deze rechten. Daarbij hoort zeker aandacht voor het door de OR inschakelen van deskundigen, maar ook het investeren in de onderlinge relaties tussen bestuurder, OR en de raad van commissarissen (RvC), met aandacht voor proactieve strategie en good practices. Verder kunnen initiatieven uit de private equity-sector een goede bijdrage leveren. In dit verband wijs ik op de initiatieven van de NVP: een nieuwe gedragscode voor NVP-leden, heldere informatie op de website en een handreiking voor OR’en. Met name deze handreiking is een mooi instrument waarmee Ondernemingsraden in de praktijk hun voordeel kunnen doen. Een initiatief dat navolging verdient.13

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstuk 34 267, nr. 3.

X Noot
2

Voor de overige voorgestelde maatregelen zie ook het rapport: «J.E. Ligterink, J.K. Martin, A.W.A. Boot, K. Cools, L. Phalippou, Private equity: een stakeholdersperspectief.» Kamerstuk 34 267 nrs. 10 en 11.

X Noot
3

Wetenschappers, vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties, een landelijk opererend OR-opleidingsinstituut, een landelijke belangenbehartiger van OR’en en een landelijke belangenbehartiger van participatiemaatschappijen.

X Noot
4

Kamerstuk 34 267, nr. 8.

X Noot
5

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
6

SER-advies Evenwichtig ondernemingsbestuur (2008/01).

X Noot
7

R. Goodijk, H. van Ees en P. van Beurden (2009), Gebruik, niet-gebruik of onderbenutting, Bijlage bij Kamerstuk 31 700 XV, nr. 75.

X Noot
8

Wet van 30 juni 2010, Stb. 2010, 250

X Noot
9

Handelingen II 2011/12, nr. 71, item 23.

X Noot
11

J.E. Ligterink, J.K. Martin, A.W.A. Boot, K. Cools, L. Phalippou, Private equity: een stakeholdersperspectief. Kamerstuk 34 267 nr. 10. Pagina 30.

X Noot
12

Kamerstuk 31 083, nr. 36.