Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-201634255 nr. L

34 255 Voorstel van wet van het lid Lodders tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verbetering van premieregelingen (Wet verbeterde premieregeling)

L BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 mei 2016

Op dinsdag 24 mei jl. heeft uw Kamer met de indienster van het wetsvoorstel verbeterde premieregeling (34 255), Tweede Kamerlid Lodders, en ondergetekende over dit wetsvoorstel een plenair debat gevoerd. Ik dank de Kamer voor de constructieve inbreng. Tijdens het debat heb ik geconstateerd dat in uw Kamer over de uitwerking van het wetsvoorstel nog enkele zorgen leven. Op een deel zijn de indienster en ik tijdens het debat ingegaan. Over een aantal andere onderwerpen heb ik u aanvullende informatie toegezegd. Met deze brief doe ik u deze informatie toekomen.

1. Communicatie

De keuze tussen een vast of een variabel pensioen kan belangrijke gevolgen hebben voor het pensioeninkomen. Deze keuze vergt daarom een zorgvuldige afweging op basis van evenwichtige informatie, die niet alleen de mogelijke voordelen, maar ook de risico’s laat zien. Om een weloverwogen keuze mogelijk te maken regelt het wetsvoorstel verbeterde premieregeling een aantal nieuwe informatieverplichtingen voor pensioenuitvoerders. Deze verplichtingen komen bovenop de eisen op grond van de Wet pensioencommunicatie dat informatie van de pensioenuitvoerder correct, duidelijk en evenwichtig moet zijn en inzicht moet bieden in gevolgen van keuzes. Bovendien moet de informatie aansluiten bij de informatiebehoefte en kenmerken van de deelnemer.

De aanvullende (nieuwe) en de bestaande informatieverplichtingen voor de variabele uitkering worden hieronder nader toegelicht. Hierbij ga ik tevens in op het communiceren in scenario’s en de betrokkenheid van het pensioenveld en de toezichthouder.

Aanvullende informatieverplichtingen

Het nemen van risico in de uitkeringsfase draagt naar verwachting bij aan een hoger pensioen. Daar staat tegenover dat een variabel pensioen in een slechtweer scenario lager kan zijn dan een vast pensioen. Om de deelnemer in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken tussen vast of variabel zal de pensioenuitvoerder hem dus niet alleen moeten inlichten over het verschil in verwachte pensioenuitkering, maar ook over de mate van onzekerheid. Het onderhavige wetsvoorstel voegt daarom extra communicatievereisten toe.

In artikel 63b van de Pensioenwet en artikel 75b Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb)is de informatieverstrekking geregeld voor de «eigen» pensioenuitvoerder van de (gewezen) deelnemer. Deze uitvoerder moet voorafgaand aan de ingangsdatum van het pensioen de keuze tussen een vaste of een variabele uitkering voorleggen. Een afzonderlijke regeling is opgenomen voor de toetreding tot de toedelingskring van een pensioenfonds dat uitsluitend variabele uitkeringen uitvoert met een collectief toedelingsmechanisme voor het beleggingsrisico. Artikel 63b regelt tevens het voorleggen van de keuze tot (eerste) toetreding tot de toedelingskring. De bepalingen rond de informatieverstrekking die zijn vastgelegd in artikel 63b, tweede tot en met vierde lid, zijn op dit keuzemoment van toepassing. Op dat moment krijgt de deelnemer de voor de deelnemer relevante informatie over de gevolgen en risico’s van het al dan niet toetreden tot de toedelingskring, waaronder een opgave van de hoogte van de vaste en variabele uitkering, gebaseerd op drie scenario’s.

Artikel 44a van de Pensioenwet en artikel 55a van de Wvb regelt de informatieverstrekking aan degene die overweegt te «shoppen» en daarvoor aan een pensioenuitvoerder informatie vraagt over een variabele uitkering. Deze informatie zal dus op verzoek van betrokkene worden verstrekt.

In artikel 7d van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb zal voorts worden geregeld dat voor de informatieverstrekking op grond van de artikelen 44a en 63b van de Pensioenwet standaardmodellen worden gebruikt. De informatie van verschillende pensioenuitvoerders wordt hierdoor vergelijkbaar.

Senator Rinnooy Kan (D66) heeft verzocht om in samenspraak met de sector en deskundigen een extra inspanning te leveren op het terrein van communicatie. In reactie op dit verzoek kan ik u mededelen dat pensioenuitvoerders en de toezichthouder betrokken zijn bij de voorbereiding van die standaardmodellen. Daarbij wordt ook expertise ingeschakeld op het gebied van consumentengedrag en het maken van keuzes. De standaardmodellen worden door mij vastgesteld op voordracht van de pensioenuitvoerders en na advies van de AFM.

Met het oog op een passend beleggingsbeleid dient de pensioenuitvoerder in de opbouwfase de voorkeur van de deelnemer of gewezen deelnemer voor een vaste of een variabele uitkering uit te vragen. Dit gebeurt zodra dit relevant wordt voor de beleggingen. Hierbij informeert de uitvoerder de deelnemer of gewezen deelnemer over de risico’s. Dit wordt geregeld in artikel 14d van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Communiceren in scenario’s

Mede in reactie op de inbreng van het senator Lintmeijer (GroenLinks) wil ik ingaan op het communiceren in scenario’s. De Wet pensioencommunicatie regelt de weergave van ouderdomspensioen in drie scenario’s. Dit zal gebeuren met behulp van een uniforme rekenmethodiek (URM)1, welke naar verwachting in 2017 gereed is. Door middel van een verwacht pensioenbedrag, een pessimistisch pensioenbedrag en een optimistisch pensioenbedrag krijgt de deelnemer een beeld van de hoogte van het pensioeninkomen en de risico’s. Voor de informatiebepalingen in de Wet verbeterde premieregeling is aangesloten bij deze scenario’s.

Voor de periode tot aan invoering van de URM wordt in artikel 54 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb een tijdelijke regeling voor uniforme informatieverstrekking geïntroduceerd. Het risico ten aanzien van de hoogte van de variabele uitkering wordt in de tijdelijke regeling weergegeven op basis van drie rendementen2. De tijdelijke regeling verplicht de pensioenuitvoerder om de deelnemer te informeren over risico’s van de variabele pensioenuitkering. De deelnemer wordt niet alleen geïnformeerd over het bedrag van de verwachte uitkering op de pensioendatum, maar ook over de bedragen op basis van een slechtweer en goedweer scenario. De deelnemer krijgt zodoende ook inzicht in het neerwaartse risico van de variabele pensioenuitkering.

De pensioenuitvoerder dient de verwachte hoogte van de variabele pensioenuitkering en bijbehorende risico’s op afwijkingen niet alleen op de pensioendatum te laten zien, maar ook per tien jaar na pensioendatum. Dit omdat het risico op afwijkingen ten opzichte van de verwachte pensioenuitkering toeneemt naarmate de horizon langer wordt.

Concluderend merk ik op dat het wetsvoorstel verbeterde premieregeling, in combinatie met de Wet pensioencommunicatie, waarborgen bevat voor een passende informatievoorziening. De gecombineerde eisen zorgen ervoor dat de deelnemer op adequate wijze wordt geïnformeerd over de keuzes die gemaakt kunnen worden en de daaraan verbonden risico’s. In het pensioenveld en bij de toezichthouder worden op dit moment al de nodige voorbereidingen getroffen voor een goede communicatie over het wetsvoorstel.

2. Het life cycle beginsel

Meerdere Kamerleden hebben vragen gesteld over het principe van life cycle beleggen. Zo heeft senator Oomen (CDA) nadrukkelijk haar zorgen geuit over de verplichting voor alle pensioenuitvoerders om in de opbouwfase van premieovereenkomsten dit beginsel toe te moeten passen, zoals is vastgelegd in de lagere regelgeving bij dit wetsvoorstel. Met deze brief wil ik graag op deze zorgen ingaan.

In de eerste plaats is het belangrijk om te constateren dat toepassing van het life cycle beginsel bij premieovereenkomsten geen nieuw fenomeen is, dat met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd. Het beleggingsbeleid bij premieovereenkomsten, waarbij deelnemers individueel beleggingsrisico lopen, is meestal al jarenlang op het life cycle beginsel gebaseerd. Dit vloeit voort uit toepassing van de prudent person-regel in de Pensioenwet, de verplichting voor pensioenuitvoerders om te beleggen in het belang van hun deelnemers. Wanneer die deelnemers individueel beleggingsrisico lopen, zoals bij een premieovereenkomst, is het in hun belang om het life cycle beginsel toe te passen. Dit beginsel is een open norm, die aan pensioenuitvoerders geen kwantitatieve beleggingsrestricties oplegt. Voor alle duidelijkheid, er wordt geen verplichting opgelegd om per leeftijdscategorie een bepaalde voorgeschreven beleggingsportefeuille aan te houden.

Life cycle beleggen houdt slechts in dat bij de omvang van het beleggingsrisico rekening wordt gehouden met de leeftijd van de deelnemer. Het beleggingsrisico neemt af naarmate de deelnemer ouder wordt. De ratio hierachter is dat jongere deelnemers over veel toekomstig arbeidsinkomen beschikken, waarmee financiële schokken in de toekomst kunnen worden goedgemaakt. Jongeren hebben een relatief lange beleggingshorizon, waardoor het verstandig is om relatief veel beleggingsrisico te nemen met het oog op een beter pensioenresultaat. Bij oudere deelnemers geldt het omgekeerde. Zij beschikken over veel pensioenkapitaal en kunnen bij een risicovol beleggingsbeleid dus veel geld verliezen. Ouderen hebben weinig tijd om een dergelijk verlies te compenseren met arbeidsinkomen. De waarde van het life cycle beginsel wordt in veel academische literatuur onderschreven. Bijvoorbeeld het CPB heeft via berekeningen aangetoond dat deelnemers in een pensioenregeling erbij gebaat zijn dat het beleggingsrisico daalt met de leeftijd.

Het principe van life cycle beleggen wordt dan ook door verzekeraars en premiepensioeninstellingen toegepast bij de uitvoering van premieovereenkomsten. Alleen in geval van vrijwillige aanvullende premieregelingen die door pensioenfondsen worden uitgevoerd, wordt soms nog een uniform beleggingsbeleid toegepast. In dat geval wordt voor de vrijwillige regeling hetzelfde uniforme beleggingsbeleid gehanteerd als voor de basispensioenregeling. Deze situatie kan ertoe leiden dat een schok op aandelenmarkten of in de rente kort voor de pensioeningangsdatum leidt tot een sterke daling van het levenslange pensioen.

Bovenstaande redenen zijn aanleiding om in de lagere regelgeving op grond van dit wetsvoorstel expliciet te maken dat het life cycle beginsel in de opbouwfase van premieovereenkomsten moet worden toegepast. Dit is ingegeven vanuit het belang van de deelnemer en vloeit dus logisch voort uit toepassing van de wettelijke prudent person-regel. De explicitering in de regelgeving doet geen afbreuk aan het karakter van het beginsel als een open norm. Uit de wetsgeschiedenis blijkt bovendien dat met de verduidelijking rondom de toepassing van het life cycle beginsel in de lagere regelgeving bij dit wetsvoorstel geen sprake is van een aanscherping ten opzichte de eisen die reeds uit de Pensioenwet voortvloeien. Voor premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid voor de deelnemer is in artikel 52 lid 2 en 3 van de Pensioenwet reeds vastgelegd dat het life-cycle beginsel geldt bij advisering van de uitvoerder aan de deelnemer. Dit beginsel geldt ook voor het beleggingsbeleid dat de pensioenuitvoerder hanteert als de deelnemer geen keuze maakt voor een bepaald beleggingsbeleid en geen gebruik maakt van de geboden beleggingsvrijheid in de opbouwfase. Ten aanzien van premieovereenkomsten zonder beleggingsvrijheid is bij de parlementaire behandeling van de Pensioenwet in de Eerste Kamer door de regering aangegeven dat in dat geval de prudent person-regel op basis van artikel 135 Pensioenwet geldt. Daarbij is toen door de regering toegelicht dat deze regel tot vergelijkbare uitkomsten leidt als die bij de advisering in het kader van de zorgplicht. Bij beide geldt dat naarmate de pensioendatum dichterbij komt, de beleggingsmix minder risicovol moet zijn. (Kamerstukken I 2006/07, 30 413, C., blz. 26–27). Dit wettelijke uitgangspunt wordt met de lagere regelgeving bij dit wetsvoorstel bevestigd.

Dit alles neemt niet weg dat de regering tot de behandeling in de derde termijn van onderhavig wetsvoorstel in uw Kamer open staat voor overleg met het veld over de optimale verhouding tussen het prudent person-beginsel en het life cycle principe. Ook uitvoeringstechnische aspecten die voortvloeien uit toepassing van nieuwe voorschriften op het terrein van life cycle beleggen op grond van dit wetsvoorstel zullen in dit overleg worden betrokken.

Daarnaast realiseer ik me dat er bij de omzetting van een uniform beleggingsbeleid naar een beleggingsbeleid op grond van het life cycle beginsel een transitieprobleem kan ontstaan. Deze omzetting heeft in bepaalde gevallen mogelijk tot gevolg dat potentieel beleggingsrendement wordt misgelopen. Tijdens het debat met uw Kamer heb ik dan ook toegezegd om te onderzoeken of een overstap naar life cycle beleggen voor de deelnemers al dan niet meerwaarde heeft. De verplichting tot life cycle beleggen is pas aan de orde vanaf 1 januari 2018, zodat er voldoende tijd is om dit onderzoek te doen en goed inzichtelijk te krijgen of beleggen op basis van het lifecycleprincipe meerwaarde heeft. Voor dit technisch complexe transitievraagstuk is nader onderzoek nodig dat ik op korte termijn zal initiëren. Als dit onderzoek zou uitwijzen dat de omzetting van een uniform beleggingsbeleid naar een beleggingsbeleid op basis van het life cycle beginsel voor bepaalde deelnemersgroepen een negatief effect heeft, dan zal ik daarvoor passende maatregelen treffen in het kader van overgangsrecht. In de regelgeving zit nu besloten dat fondsen met een uniform beleggingsbeleid voor vrijwillige pensioenregelingen dit vanaf 1 januari 2018 moeten omzetten.

Over het overgangsrecht in het ontwerpbesluit is door senator Rinnooy Kan ook de vraag gesteld waarom alleen voor pensioenuitvoerders die een vaste uitkering aanbieden, de verplichting om het beleggingsbeleid te baseren op de (andersluidende) voorkeur van de deelnemer is uitgesteld tot 2018. Dit overgangsrecht is gebaseerd op de gedachte dat het ontwikkelen van een beleggingsbeleid dat past bij een variabel pensioen iets nieuws is. Op dit moment zijn er immers geen aanbieders van variabele pensioenen. Pensioenfondsen of verzekeraars die – net als nu – uitsluitend een vast pensioen willen aanbieden, moeten dit beleid dus desondanks nieuw ontwikkelen.

Pensioenuitvoerders die – na het inwerkingtreden van de wet – een variabel pensioen willen aanbieden, moeten sowieso een daarbij passend beleggingsbeleid ontwikkelen. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van de inzichten die het bovengenoemde onderzoek naar de meerwaarde van een overgang naar life cycle beleggen oplevert. Pensioenuitvoerders krijgen immers nog tot 1 januari 2018 de tijd om een passend beleggingsbeleid voor een variabele pensioenuitkering te ontwikkelen. Voor het beleggingsbeleid dat past bij de voorkeur van deelnemers voor een vaste pensioenuitkering, kunnen pensioenuitvoerders gebruik maken van jarenlange ervaring. In dit geval weegt het belang van de deelnemer bij een bij zijn voorkeur passend beleggingsbeleid zwaarder dan het belang van de pensioenuitvoerder.

3. Mogelijkheden voor een uitgestelde vaste pensioenuitkering («deferred annuity»).

Senator Rinnooy Kan heeft gevraagd of het op grond van de pensioenwetgeving mogelijk is een uitgestelde vaste pensioenuitkering aan te bieden.

Een dergelijk product is mogelijk mits wordt voldaan aan de voorwaarde dat het volledige kapitaal op pensioendatum wordt gebruikt voor een levenslang pensioen. Dit biedt mogelijkheden voor een volgtijdelijke combinatie van een variabel en een vast pensioen. Het kapitaal dient hiervoor op de pensioendatum te worden gesplitst in een deel dat wordt doorbelegd en waaruit vanaf de pensioendatum een variabele uitkering wordt onttrokken en een ander deel waarmee direct een vaste uitkering vanaf een later moment (zeg vanaf 77 jaar) wordt bekostigd.

Het ligt voor de hand dat de betreffende pensioenuitvoerder bij de (optionele) spreiding van mee- en tegenvallers in de variabele fase (67–77 jaar) rekening houdt met de resterende duur van die fase. Een eenvoudiger manier waarmee de pensioenuitvoerder bij benadering hetzelfde product kan construeren is door – in het kader van een variabel pensioen – de beleggingsrisico’s in de fase van 67 tot 77 jaar af te bouwen naar nihil. Als de pensioenuitvoerder het langlevenrisico verzekert, ontstaat vanaf de leeftijd van 77 jaar de facto ook een vast pensioen.

4. De reikwijdte van het shoprecht

Het wetsvoorstel biedt alle deelnemers, ongeacht hun pensioenuitvoerder, de mogelijkheid om te kiezen tussen een vast of een variabel pensioen. Deze keuzemogelijkheid is de essentie van het wetsvoorstel. Om deze keuzemogelijkheid te bieden, wordt voor deelnemers bij een pensioenfonds met een premie- of kapitaalovereenkomst een wettelijk shoprecht geïntroduceerd. Op dit moment hebben deze deelnemers immers in het geheel geen shoprecht.

Deelnemers met een premie- of kapitaalovereenkomst bij een verzekeraar of een premiepensioeninstelling kunnen op pensioendatum altijd overstappen naar een andere pensioenuitvoerder. De enige restrictie daarbij is dat, als de deelnemer naar een pensioenfonds wil overstappen, hij daar al eerder aanspraken moet hebben opgebouwd.

In de motie die senator Rinnooy Kan aan de orde heeft gesteld, en die onder meer wordt gesteund door de senatoren Van de Ven (VVD) en Lintmeijer, is gevraagd een voorstel te onderzoeken om deelnemers met een premie- of kapitaalovereenkomst bij een pensioenfonds die de voorkeur geven aan een variabel pensioen, eenmalig een onbeperkt shoprecht te gunnen. Met deze eenmalige mogelijkheid wordt beoogd ruimte te bieden voor een breed beschikbaar, gevarieerd productaanbod. Naar aanleiding van deze motie zal ik onderzoeken of een dergelijk eenmalig shoprecht tot de mogelijkheden kan gaan behoren.

In dat verband wil ik wel alvast opmerken dat pensioenfondsen collectieve pensioenregelingen uitvoeren met een hoge mate van solidariteit. Die solidariteit kan onder druk komen te staan als de deelnemers zonder restricties bij hun pensioenfonds zouden kunnen vertrekken. Dat vraagstuk speelt bijvoorbeeld als het gaat om gaat om premieovereenkomsten met variabele uitkeringen, gebaseerd op collectieve risicodeling, die met dit wetsvoorstel mogelijk worden gemaakt. De mogelijkheid om onderscheid te maken tussen contracten met en zonder collectieve risicodeling, zal dus nadrukkelijk betrokken moeten worden in een dergelijke verkenning.

5. De regels voor taakafbakening tussen pensioenfondsen en verzekeraars.

De taakafbakeningseisen in de Pensioenwet zorgen voor een heldere scheiding tussen het domein van pensioenfondsen en verzekeraars. Deze eisen zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat pensioenfondsen vrijwillige pensioenproducten kunnen aanbieden als deze voldoende kenmerken van solidariteit en collectiviteit bevatten. Die kenmerken liggen immers aan de basis van het bestaansrecht van pensioenfondsen. Zonder de taakafbakeningseisen zouden pensioenfondsen zich vrijelijk op de markt voor vrijwillige pensioenproducten kunnen begeven, terwijl zij het concurrentievoordeel hebben van een verplicht aangesloten deelnemersbestand.

Voor vrijwillige premieregelingen, die door pensioenfondsen worden uitgevoerd, geldt in het kader van de taakafbakening de eis dat het kapitaal wordt gebruikt voor een verplichte inkoop in de basispensioenregeling, tenzij het pensioenfondsen een werkgeversbijdrage van ten minste 10% heft.

Met de motie van senator Van Rooyen (50PLUS) c.s. wordt de regering verzocht om te realiseren dat pensioenfondsen – zonder de belemmering van een verplichte werkgeversbijdrage – hun deelnemers een variabele pensioenuitkering kunnen aanbieden. Het wijzigen of volledig schrappen van de eisen voor taakafbakening is een fundamentele ingreep in de marktverhouding tussen pensioenfondsen en verzekeraars. Ik acht het niet verstandig om daar in het kader van dit wetsvoorstel wijzigingen in aan te brengen. Wel zal ik op korte termijn in overleg met het pensioenveld onderzoeken in hoeverre de taakafbakeningseisen belemmerend kunnen zijn voor een goede uitvoering van variabele uitkeringen in de vorm van vrijwillige pensioenvoorzieningen die door pensioenfondsen worden aangeboden, waarbij eerlijke concurrentieverhoudingen tussen pensioenfondsen en verzekeraars uiteraard een belangrijk aandachtspunt zullen blijven.

Inkoop in de basispensioenregeling is ook een eis in het huidige Besluit nettopensioen. In geval van een variabele pensioenuitkering, waaronder een variabel nettopensioen, ligt het niet voor de hand deze eis te stellen. De basispensioenregeling bij een pensioenfonds is vrijwel altijd een uitkeringsovereenkomst. Kenmerkend voor het variabele pensioen dat met dit wetsvoorstel is beoogd, is juist dat er geen zekerheid is. Om die reden wordt deze eis in het aan uw Kamer voorgehangen besluit nettopensioen niet meer gesteld.

De wettelijke taakafbakeningseisen worden met dit besluit niet gewijzigd. Op grond daarvan geldt voor de uitvoering door een pensioenfonds dan nog de werkgeversbijdrage van ten minste 10%. Ook een variabel nettopensioen is immers een vrijwillige pensioenvoorziening waarmee pensioenfondsen zich op de markt begeven die traditioneel tot het terrein van verzekeraars behoort. Met het schrappen van een werkgeversbijdrage van ten minste 10%, zouden bij de uitvoering van een variabel nettopensioen door pensioenfondsen de facto geen taakafbakeningseisen meer gelden.

6. De evaluatie van het wetsvoorstel

Senator Lintmeijer heeft het belang van een goede evaluatie van het wetsvoorstel meermaals in het debat benadrukt. De indienster en ik onderschrijven dat belang volledig. In het kader van een evaluatie zijn een aantal onderwerpen concreet benoemd, zoals de behoefte aan dit wetsvoorstel, de begrijpelijkheid voor deelnemers en de defaultoptie. Dit zijn zeer waardevolle onderwerpen voor een evaluatie en deze zullen daarin dan ook betrokken worden. Ik zal het parlement binnen drie jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel over de uitkomsten van de evaluatie informeren.

7. Belang en draagvlak voor het wetsvoorstel

Tot slot wil ik benadrukken dat ik zie dat in het veld er breed draagvlak bestaat voor het wetsvoorstel. De beide koepelorganisaties van pensioenuitvoerders, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars, hebben bij herhaling aangedrongen op spoedige invoering van het wetsvoorstel. De mogelijkheid om kapitaal dat is opgebouwd in het kader van een premieregeling, na de pensioendatum risicodragend door te beleggen, wordt door beide organisaties verwelkomd, ondanks hun commentaar op onderdelen van het voorstel.

Eerder heeft de Stichting van de Arbeid aangedrongen op een spoedige invoering van deze mogelijkheid. Al deze partijen benadrukken hierbij het belang van de deelnemers met een premieregeling om te kunnen kiezen voor een pensioen dat in verwachting hoger uitpakt. Deze groep ondervindt nu last van het inkopen van pensioen tegen een lage rentestand.

Op verzoek van de senatoren Elzinga (SP) en Van Rooyen zijn de indienster en ik in het debat ingegaan op het commentaar in de brief van KNVG en NVOG van 10 mei jl. Dit commentaar ziet primair op de maatregelen die ertoe strekken dat het variabel pensioen levenslang is en qua hoogte niet te grote fluctuaties vertoont, het life cycle beginsel en de projectierente. Daarnaast uiten de ouderenorganisaties kritiek op de bepalingen over communicatie en over technische aspecten van het wetsvoorstel.

Hierboven heb ik uiteengezet wat is beoogd met het life cycle beginsel. De pensioenuitvoerder dient bij het beleggingsrisico rekening te houden met de leeftijd van de deelnemer of – bij collectieve contracten – de gemiddelde leeftijd van de deelnemers. Op basis van eerder onderzoek en de bestaande praktijk bij huidige uitvoerders van premieregelingen hebben de indienster en ik het vertrouwen dat de overstap op het life cycle beginsel meerwaarde heeft.

Zoals aangekondigd tijdens het debat zal ik onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren om deze meerwaarde te laten toetsen. Dat onderzoek moet tevens voorbeeldberekeningen opleveren van het effect op het pensioenresultaat van een tussentijdse overstap van een uniforme beleggingsmix op een life cycle. De uitkomsten hiervan zullen worden meegenomen bij de lagere regelgeving op grond van de Wet verbeterde premieregeling.

Ten aanzien van de andere maatregel, de projectierente, heeft Netspar reeds een onderzoek uitgevoerd. De uitkomsten hiervan laten zien dat de doelstelling en de randvoorwaarden van het wetsvoorstel gediend zijn met de keuze voor een projectierente gebaseerd op de risicovrije rente, met de optie van een nominaal stabiel pensioen. Deze optie komt tegemoet aan de voorkeur die KNVG en NVOG uitspreken voor een stabiel pensioen. Het voorstel van de ouderenorganisaties om de projectierente door de pensioenuitvoerder vast te laten stellen, levert een onwenselijke prikkel op om zoveel mogelijk beleggingsrisico te nemen. Dit past niet bij het uitgangspunt dat het pensioen levenslang dient te zijn.

Met het oog op een stabiel pensioen is de in het debat aangekondigde verlenging van de maximale termijn voor het spreiden van mee- en tegenvallers van 5 naar 10 jaar eveneens van belang. Deze verlenging van de spreidingsperiode vormt een belangrijke stap om het risico op schokken in het inkomen van pensioengerechtigden met een variabel pensioen verder te verkleinen. Ik zal deze aanpassing van het wetsvoorstel dan ook meenemen in de veegwet pensioenen, die ik nog dit jaar aan de Tweede Kamer zal aanbieden.

Hierboven ben ik al ingegaan op de communicatie over variabele pensioenen. Op het meer technische commentaar zijn de indienster en ik tijdens het debat ingegaan.

De indienster en ik hopen dat de nog openstaande vragen van uw Kamer met deze brief afdoende zijn beantwoord.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

De URM beoogt een stochastische rekenmethodiek waarmee pensioenuitvoerders hun deelnemers op uniforme wijze informeren over de verwachte hoogte van het pensioen en de bijbehorende risico’s.

X Noot
2

Deze rendementen worden door DNB op kwartaalbasis beschikbaar gesteld. Zij zijn afkomstig uit de uniforme scenarioset die pensioenfondsen al toepassen als maatstaf voor risicoberekeningen.