Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-201634251 nr. E

34 251 Wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen

E NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 1 juni 2016

1. Inleiding

Met belangstelling heeft de regering kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 mei 2016 met betrekking tot het onderhavige wetsvoorstel.

De regering dankt de leden van de VVD-, CDA- en PvdA-fracties voor hun inbreng alsmede voor het feit dat deze leden (met belangstelling) hebben kennisgenomen van de memorie van antwoord.

In dit verslag gaan wij, mede namens onze ambtgenoten van Economische Zaken, in op de vragen van de leden van genoemde fracties. Daarbij is de indeling van het verslag als uitgangspunt genomen.

2. Aanleiding tot het wetsvoorstel

De leden van de CDA-fractie vragen de regering aan te geven waar op dit moment precies het gebrek aan deskundigheid van de bestuurders ligt. Tevens vragen deze leden hoe de regering ziet dat «tegenspraak» bijdraagt aan deskundigheid van de bestuurders en op grond waarvan de regering de voorgestelde maatregelen als noodzakelijk ziet.

Het gaat naar de mening van de regering niet zozeer om een gebrek aan deskundigheid maar om de veranderende rol van bestuurders. Die veranderende rol vraagt om een permanente investering in professionalisering en deskundigheid. Het organiseren van tegenspraak heeft niet als doel de deskundigheid van bestuurders te bevorderen maar draagt wel bij aan het scherp houden van deze bestuurders. Door het voeren van het goede gesprek met de interne toezichthouder en de medezeggenschap en open te staan voor hun denkbeelden, blijft de bestuurder zich ervan bewust dat hij of zij zelf een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs en de maatschappelijke context waarin dat gebeurt. Ook het voorstel om de medezeggenschapsorganen te laten meepraten over de profielen en benoemingen van bestuurders draagt daaraan bij. Het op 25 mei 2016 door mij aan de Tweede Kamer toegezonden rapport OESO-stelselreview laat zien dat bestuurders en schoolleiders zich er veelal van bewust zijn dat actuele kennis een aandachtspunt is en blijft. De OESO beveelt dan ook aan om de verantwoording van schoolbesturen en de strategische leiderschapscapaciteit te verbeteren. De bestuurdersverenigingen en sectororganisaties werken daarom samen om opleidingen te verzorgen waar bestuurders behoefte aan hebben.

3. Problematiek, doelen en maatregelen

De leden van de VVD-fractie hebben met het oog op proportionaliteit, consistentie en uitvoerbaarheid in het voorlopig verslag aan de regering gevraagd hoe de verschillende elementen uit dit wetsvoorstel bijdragen aan een versterking van de bestuurskracht. De regering ziet, blijkens de memorie van antwoord, bestuurskracht als een samenspel van verschillende tegenkrachten die elkaar in balans houden. De medezeggenschap is daarin, naast de interne toezichthouder en het college van bestuur, een belangrijk element. In die zin kan een versterkte medezeggenschap volgens de regering bijdragen aan versterking van de bestuurskracht. De leden van de VVD-fractie begrijpen dit antwoord, maar hun zorgen zijn er niet geheel door weggenomen. Genoemde leden vragen zich met name af of er bij het wijzigen van de evenwichten in de governance die ten grondslag liggen aan de bestuurskracht wel voldoende belang wordt gehecht aan bestuurlijke slagkracht op basis van verdiend vertrouwen. Zij vragen zich af hoe vertrouwen is te verdienen in de schaduw van een voldongen vetorecht als zwaard van Damocles en of de vertrouwensnoodzaak hier niet wordt omgedraaid. Ook vragen zij de regering of het de bestuurde is die het vertrouwen nog behoeft dat de bestuurder goed bestuurt, of dat het de bestuurder is die er maar op moet vertrouwen dat de bestuurde niet te snel grijpt naar zijn vetorecht.

De visie van de regering hierop is dat het in dit wetsvoorstel gaat het om de verhoudingen tussen bestuurder, medezeggenschap en intern toezicht. Bij verdiend vertrouwen zoals beschreven in Accreditatiebrief (Kamerstukken II 2014/15, 31 288, nr. 471) en de Strategische Agenda Hoger Onderwijs «De waarde(n) van weten» (Ministerie van OCW, juli 2015) gaat het erom dat het (externe) toezicht vanuit de overheid een tandje minder kan, wanneer de interne governance van de instelling goed op orde is. In dit wetsvoorstel gaat het om de interne governance van de instelling. Dat betekent dat ieder orgaan binnen het stelsel van checks and balances zijn rol goed moet kunnen vervullen en er op kan vertrouwen dat de andere organen hun rol ook goed vervullen. De maatregelen in dit wetsvoorstel kunnen daar aan bijdragen. Daarbij is er geen sprake van een vetorecht, maar van een instemmingsrecht waarmee wordt geborgd dat het goede gesprek plaatsvindt en zodoende bijdraagt aan een gedragen besluit.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat er geen horizonbepaling in het wetsvoorstel zit. De leden vragen of de regering in het geval van een bevestiging bereid is toe te zeggen dat op de door hen genoemde onderdelen een evaluatie of monitoring plaats zal vinden.

Er is in het wetsvoorstel geen horizonbepaling opgenomen, maar de regering vindt het niettemin belangrijk dat er goed wordt gekeken naar de uitwerking van de maatregelen in het wetsvoorstel in de praktijk. Zoals de regering in de memorie van antwoord heeft aangegeven gaat het er niet alleen om dat op papier de «checks and balances» in orde zijn, maar dat deze ook in de praktijk goed functioneren. Daarom zegt de regering toe dat in 2020/2021 een evaluatie zal plaatsvinden waarin in ieder geval worden meegenomen: de praktische uitwerking van het instemmingsrecht van de opleidingscommissie op de Onderwijs en Examenregeling (OER) en hoe dit recht zich verhoudt tot de rechten van andere medezeggenschapsorganen waaronder die van de faculteitsraad, tot het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting in het mbo en tot het collegegeldvrij besturen. De regering zal de beide Kamers der Staten-Generaal daarnaast op de hoogte houden van de voortgang van de professionalisering van bestuurders en toezichthouders. In de tussentijd houdt de regering een vinger aan de pols, bijvoorbeeld met de Medezeggenschapsmonitor in het hoger onderwijs. Voor het mbo zal de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) gevraagd worden om aandacht aan dit onderwerp te besteden in de tweejaarlijkse JOB-monitor. Dergelijke instrumenten kunnen ook input leveren voor de evaluatie.

De leden van de CDA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de, naar aanleiding van hun vraag, door de regering gedane toezegging om de kennelijke verschrijving in artikel 10.20, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) met een volgend wetsvoorstel te herstellen. Deze leden vragen de regering of zij het goed lezen dat de regering erkent dat zich echter ook dan nog een situatie kan blijven voordoen waarin de faculteitsraad en de opleidingscommissie tegengestelde adviezen geven. Deze leden vragen voorts of zij terecht concluderen dat in dat geval het bestuur geacht wordt een besluit te nemen en dat vervolgens slechts een weg naar de geschillencommissie rest. Ook vragen deze leden of de regering gemotiveerd kan aangeven waarom zij niet kiest voor een formulering waarbij uitsluitsel gegeven wordt welk oordeel in welk geval prevaleert en dus een gang naar de geschillencommissie voorkomen kan worden.

Zoals de regering in de memorie van antwoord heeft aangegeven is er geen overlap in instemmingsrechten tussen de faculteitsraad en de opleidingscommissie op de onderwerpen genoemd in artikel 7.13 van de WHW, met daarbij de aantekening dat de kennelijke verschrijving in artikel 10.20, eerste lid, van de WHW met een volgend wetsvoorstel wordt hersteld. Zoals ook de leden van de VVD-fractie hebben opgemerkt, kunnen zich wel situaties voordoen waarin de faculteitsraad niet instemt met een voorgenomen wijziging van de OER en de opleidingscommissie een positief advies geeft, of andersom. Er kan ook een situatie ontstaan waarin de opleidingscommissie en de faculteitsraad tegengestelde adviezen geven over de onderdelen van de OER waarop zij beide adviesrecht hebben. Zoals de regering in de memorie van antwoord heeft aangegeven zijn deze situaties niet nieuw. Ook nu kunnen opleidingscommissies negatief adviseren wanneer de faculteitsraad instemt en ook nu kunnen de opleidingscommissie en de faculteitsraad tegengestelde adviezen geven. Het bestuur dient, net zoals nu, in beide gevallen de inbreng goed te wegen om zo tot een oplossing te komen in het goede gesprek tussen medezeggenschapsorganen en het bestuur. Uiteindelijk staat ook de weg naar de geschillencommissie open. De regering ziet daarom geen problematische nieuwe situatie en ziet geen aanleiding om het ene oordeel boven het andere te laten prevaleren.

De regering constateert dat de leden van de CDA-fractie met instemming hebben kennisgenomen van het standpunt van de regering dat het niet de bedoeling is om studenten instemmingsrecht te geven op de vakinhoud en de eindtermen van de opleidingen, noch dat zij meebeslissen over de eisen waaraan ze zelf moeten voldoen.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering aan te geven hoe deze visie van de regering zich verhoudt tot de bepalingen in artikel 7.13, waarmee instemmingsrecht onder, de als medezeggenschapsorgaan gepositioneerde opleidingscommissie wordt gebracht:

  • (onderdeel b) de inhoud van de afstudeerrichtingen: een afstudeerrichting is feitelijk een deel van een opleiding, bijvoorbeeld het tweede en het derde studiejaar, en

  • (onderdeel c) de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden [...].

Betreft dit feitelijk niet de eindtermen/eindkwalificaties, met andere woorden vakinhoudelijke aspecten van een opleiding, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zij ontvangen ook graag een reactie van de regering op de vraag of het in die zin niet de voorkeur zou hebben het nieuwe instemmingsrecht van de opleidingscommissie te beperken tot de onderdelen a1, g en v.

Zoals door de regering aangegeven in de memorie van antwoord en tijdens het debat in de Tweede Kamer krijgt de opleidingscommissie instemmingsrecht op een aantal onderdelen van de OER zodat studenten kunnen meepraten over het vormgeven van de opleiding. De regering begrijpt de vraag van de leden, aangezien genoemde onderdelen inderdaad dicht bij de vakinhoudelijke aspecten van de opleiding komen. Ook de regering is van oordeel dat over het eindniveau geen discussie mag ontstaan. Dat is in het belang van alle studenten en docenten, ook van degenen die in de opleidingscommissie zitten. Het niveau van het onderwijs mag niet worden verlaagd onder druk van de opleidingscommissie. Het is dan ook niet de bedoeling dat studenten meebeslissen over eindtermen. Er is niet voor niets geen instemmingsrecht op de onderdelen a (inhoud opleiding en examens) en f (bindend studieadvies) van artikel 7.13, tweede lid, van de WHW. Uiteindelijk wordt de kwaliteit van opleidingen gewaarborgd via de examencommissies en met het accreditatiestelsel. Hierin zal niets veranderen. Bij de interpretatie van het amendement in de praktijk moet goed worden nagegaan of het de helderheid biedt die het amendement beoogt. De regering zegt daarom toe dat de wijze waarop dit instemmingsrecht wordt ingevuld zal worden meegenomen in de toegezegde evaluatie van het wetsvoorstel.

In de memorie van antwoord lezen de leden van de CDA-fractie dat het bevoegd gezag beslist over welke onderwerpen, binnen welke kaders en met welke uitgangspunten besluitvorming kan plaatsvinden. Deze leden vragen de regering of zij het goed begrijpen dat met medezeggenschap bedoeld wordt dat de medezeggenschaporganen niet zozeer hun eigen visie geven op het voorgenomen besluit, maar geacht worden hun visie op de voorgestelde besluitvorming (alleen) aan de gestelde kaders en uitgangspunten te toetsen.

De desbetreffende passage in de memorie van antwoord heeft betrekking op de vraag hoe het instemmingsrecht zich verhoudt tot de eindverantwoordelijkheid van het bevoegd gezag in gevallen waarin één of meer medezeggenschapsorganen geen goedkeuring kunnen geven aan de voorstellen van het bevoegd gezag. Medezeggenschapsorganen hebben instemmingsrecht ten aanzien van specifieke, in de wet genoemde voorgenomen besluiten van het bevoegd gezag. Dat houdt in dat in die gevallen het initiatief tot en de verantwoordelijkheid voor besluitvorming ligt bij het bevoegd gezag. Bij het presenteren van een voorgenomen besluit aan het medezeggenschapsorgaan geeft het bevoegd gezag een onderbouwing voor het voorgenomen besluit waaruit blijkt op basis van welke uitgangspunten en met welk doel het besluit wordt voorbereid. Het medezeggenschapsorgaan heeft bij het beoordelen van het voorgenomen besluit alle ruimte om een eigen visie of tegenvoorstel in te brengen, daarin ligt juist de meerwaarde van de medezeggenschap. Daaraan dient door het medezeggenschapsorgaan in het geval van instemmingsrecht wel steeds de conclusie te worden verbonden of het orgaan al dan niet instemt met het voorgenomen besluit van het bevoegd gezag. Mocht het bevoegd gezag van oordeel zijn dat instemming ten onrechte wordt onthouden dan kan het bevoegd gezag hierover een geschil voorleggen aan de geschillencommissie. Die commissie toetst dan of het medezeggenschapsorgaan in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen, of dat er sprake is van zwaarwegende omstandigheden die het te nemen besluit van het bevoegd gezag rechtvaardigen. De eigen visie van het medezeggenschapsorgaan speelt bij deze toetsing zeker een rol. Het is daarom – ook buiten een geschil – van belang dat het bevoegd gezag de eigen visie van het medezeggenschapsorgaan goed meeweegt in de uiteindelijke besluitvorming en gemotiveerd aangeeft hoe deze visie meeweegt in de uiteindelijke besluitvorming.

Los van de specifieke advies- en instemmingsbevoegdheden is het medezeggenschapsorgaan wettelijk bevoegd om alle aangelegenheden die het van belang acht te bespreken met het bevoegd gezag, daarover voorstellen te doen en het bevoegd gezag te vragen daarover een standpunt in te nemen.

De leden van de CDA-fractie vragen of zij terecht concluderen dat de instellingen verantwoordelijk zijn om te zorgen dat alle betrokkenen, waaronder de medezeggenschapsorganen, geëquipeerd worden om hun taken, waaronder het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting in het mbo, zo goed mogelijk uit te oefenen, maar dat de subsidies ervoor naar andere gremia gaan.

Nee, die conclusie is volgens de regering niet juist. Instellingen zijn – ook nu al – verantwoordelijk voor een goed bestuur en voor een goed functionerende medezeggenschap. De bekostiging die zij ontvangen is ook daarvoor bestemd. In aanvulling op de bekostiging die naar de instellingen gaat, wordt ook aan genoemde platforms, koepels en studentenorganisaties subsidie verstrekt, waarmee onder meer wordt beoogd de verdere professionalisering van toezichthouders te bevorderen of studentenraden te helpen om hun taak goed uit te voeren. Deze subsidies zijn niet specifiek gekoppeld aan dit wetsvoorstel.

4. Overlegverplichting interne toezichthouder en medezeggenschapsorgaan

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering hoe zij in het belang van een duidelijke scheiding tussen de politiek en organisaties die door de overheid worden gefinancierd en een publieke taak uitoefenen, aankijkt tegen deze scheiding en vragen of zij voornemens is om geen rol meer te gaan spelen bij de benoemingen aan openbare universiteiten (en in het verlengde daarvan van academische ziekenhuizen). Zo nee, waarom vindt de regering dat zij wel betrokken moet worden bij de benoeming van bestuurders en toezichthouders van openbare universiteiten en niet bij benoemingen van bestuurders en toezichthouders van andere onderwijsinstellingen, zo vragen deze leden. Daarnaast vragen deze leden de regering wie toeziet op de kwaliteit van de benoeming en het functioneren van toezichthouders van onderwijsinstellingen.

Openbare universiteiten en academische ziekenhuizen zijn publiekrechtelijke rechtspersonen die hun rechtspersoonlijkheid direct ontlenen aan de WHW. Tegenover deze instellingen heeft de overheid een andere verantwoordelijkheid dan tegenover instellingen die uitgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon. Tot in de jaren negentig benoemde de Minister van OCW de bestuursleden van openbare universiteiten en kon in bepaalde gevallen (verwaarlozing of in strijd met de wet functioneren van het bestuur van een universiteit) maatregelen treffen ten aanzien van het instellingsbestuur. Met de MUB (modernisering universitaire bestuursorganisatie, Kamerstukken II, 1995/96, 24 646, nr. 2) heeft de overheid zichzelf meer op afstand gezet en zijn de instellingen zelfstandiger gepositioneerd. Vanaf dat moment kan de Minister niet langer ingrijpen op het functioneren van het instellingsbestuur. De topstructuur wordt gevormd door het college van bestuur en de raad van toezicht. De raad van toezicht, en niet langer de Minister, benoemt vanaf dat moment de leden van het college van bestuur. Het publiekrechtelijke karakter van openbare universiteiten en academisch ziekenhuizen wordt sindsdien tot uitdrukking gebracht door de benoeming van de leden van de raad van toezicht door de Minister. De regering ziet geen reden om de overheid geen rol meer te laten spelen bij de benoeming van leden van de raad van toezicht van openbare universiteiten en academische ziekenhuizen. Waar het gaat over de kwaliteit van de benoemingen is in de WHW voor zowel openbare universiteiten als bijzondere hogescholen een aantal criteria opgenomen voor de raad van toezicht. Die moet bijvoorbeeld zo zijn samengesteld dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen en bestaan uit leden die geen directe belangen hebben bij de instelling. Daarnaast geschiedt de benoeming van de leden op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen waarover de medezeggenschap kan adviseren. Bij de benoeming van bestuurders heeft de overheid overigens geen rol.

De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat nu de praktijk is dat tentamens een geldigheidsduur hebben van bijvoorbeeld de nominale studieduur +1 of +2 jaar, oftewel 5 of 6 jaar, dat dit voor de meeste studenten geen problemen lijkt op te leveren en dat de student die langer over zijn studie doet de geldigheidsduur via de examencommissie kan verlengen. De examencommissie kan daarbij bezien of kennis niet is verouderd. Deze leden vragen welk probleem wordt opgelost met de bepaling dat ieder tentamen in beginsel onbeperkt geldig is, tenzij kennis «aantoonbaar» is «verouderd». Ook vragen de leden van de VVD-fractie hoe het begrip «aantoonbaar» moet worden geoperationaliseerd. Het instellingsbestuur moet «aantonen» dat de kennis in kwestie geen «onbeperkte geldigheidsduur» heeft, maar de leden van deze fractie vragen zich af wie beoordeelt dat het instellingsbestuur dit naar behoren heeft «aangetoond». Omdat de wet dat niet bepaalt, vrezen deze leden een verdere juridisering van de verhouding tussen student en instelling en een toename van beroepszaken bij het College van Beroep voor het hoger onderwijs of de burgerlijke rechter. Zij vragen hoe de regering dit ziet en of zij niet bevreesd is dat dit leidt tot toename van de regeldruk.

Met het aannemen van het amendement van Dijk-Mohandis (Kamerstukken II 2015/16, 34 251, nr. 80) heeft de Tweede Kamer ervan blijk gegeven dat zij vindt dat tentamenresultaten alleen kunnen vervallen als de getoetste kennis inmiddels is verouderd. Dit kan generiek worden bepaald voor alle studenten die in een bepaalde periode het betreffende tentamen hebben behaald. Het vormt een onnodige belasting voor de examencommissie om in individuele gevallen, op verzoek van de student, te moeten beslissen dat van veroudering sprake is. De student komt pas bij de examencommissie terecht als er sprake is van een duidelijke onbillijkheid. Dat kennis is verouderd moet door het instellingsbestuur worden aangetoond. In de regel zal het instellingsbestuur dit oordeel laten steunen op de visie van de professionals die inhoudelijk en onderwijskundig in het betreffende onderwijs zijn ingevoerd. Deze professionals moeten kunnen onderbouwen waarom getoetste kennis zodanig is verouderd, dat de student daarmee niet langer kan afstuderen. De procedure waarlangs deze beslissing tot stand komt, wordt in de onderwijs- en examenregeling beschreven en daarop heeft de medezeggenschap instemmingsrecht en de opleidingscommissie adviesrecht. In individuele gevallen kan een student tegen het vervallen van een tentamenresultaat beroep bij het college van beroep voor de examens instellen. Dit is nu ook de gebruikelijke procedure. De specificering van de criteria verduidelijkt de huidige regelgeving en zal naar verwachting van de regering niet leiden tot meer beroepszaken of extra regeldruk.

De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel een einde maakt aan de mogelijkheid om rendementsbevorderende maatregelen te treffen door beperking van de geldigheidsduur van tentamens, maar dat dit recent nog met succes werd toegepast door bijvoorbeeld de Nijmeegse rechtenfaculteit, juist in het kader van de door de regering ingevoerde prestatieafspraken en met een belangrijke verbetering van het studierendement als gevolg. Zij wijzen erop dat in een brief aan de Tweede Kamer van 12 maart 20141 de Minister van OCW nog heeft opgemerkt dat de geldigheidstermijn van tentamens ook gebruikt wordt om «meer op tijd en in tempo te studeren» en zij achtte dit geoorloofd, mits er altijd een gelegenheid is om het tentamen opnieuw te doen. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering dit rijmt met haar huidige standpunt aangaande de geldigheidsduur van tentamens, in het bijzonder art 7.10, vierde lid, van de WHW, zoals weergegeven in de memorie van antwoord.

In de door de vraagstellers genoemde brief van 12 maart 2014 is vermeld dat de mogelijkheid om de geldigheidsduur van tentamens te beperken destijds in de WHW is opgenomen om ervoor te zorgen dat studenten afstuderen met kennis die bij de tijd is en niet is verouderd. Daarbij is opgemerkt dat dit de meest geëigende reden is voor het beperken van de geldigheidsduur van tentamens, maar dat er een ontwikkeling gaande is waarin de mogelijkheid om de geldigheidsduur te beperken ook wordt gebruikt als maatregel om studiebevordering vorm te geven. De huidige tekst van de wettelijke bepaling sluit die mogelijkheid niet uit. De Tweede Kamer heeft met het aannemen van het voormelde amendement Van Dijk-Mohandis tot uitdrukking gebracht dat tentamenresultaten alleen in geval van veroudering kunnen vervallen. Dat staat nu expliciet in het wetsvoorstel. Dit betekent dat, als uw Kamer het wetsvoorstel aanneemt, na inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 7.10 van de WHW, de geldigheid van tentamens niet meer kan vervallen als dit instrument enkel en alleen wordt gebruikt om studievoortgang te bevorderen. De leden van de VVD-fractie verwijzen naar het standpunt van de Minister van OCW uit 2014. In het licht van ontwikkelingen van meer recente datum, meer specifiek het studievoorschot, is het niet in het belang van de student dat behaalde resultaten weer worden afgenomen om andere redenen dan de inhoudelijke redenen zoals deze in het wetsartikel zijn weergegeven. Zoals blijkt uit de strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek 2015–2025, «De waarde(n) van weten» (Ministerie van OCW, juli 2015), is het streven dat de kwaliteit van de studie, inclusief de studievoortgang, wordt bevorderd door in te zetten op het verhogen van de betrokkenheid van de student bij de opleiding. Dit kan bijvoorbeeld door in te zetten op kleinschalige leergemeenschappen, rijke leeromgevingen en goede en inspirerende docenten. Rendement is dan de uitkomst van kwalitatief goed onderwijs, geen doel op zichzelf.

5. Geldigheidsduur tentamencijfers

De leden van de VVD-fractie danken de regering voor de toezegging in de memorie van antwoord dat de tekst van de wet zal worden aangepast door middel van een nota van wijziging bij een lopend wetsvoorstel teneinde mogelijk te maken dat voor studenten bij wie sprake is van «bijzondere omstandigheden» de geldigheidsduur van tentamens ook ooit kan vervallen. Zij vragen of de regering bereid is om in die nota van wijziging ook nader in te gaan op de operationalisering van de wetswijziging ten aanzien van de geldigheidsduur van tentamens in het algemeen, vanuit de optiek van het tegengaan van verdere toename van de regeldruk.

De door de regering bij nota van wijziging op een ander wetsvoorstel mee te nemen aanpassing is bedoeld om te regelen dat ook voor chronisch zieke of gehandicapte studenten de geldigheidsduur van tentamens kan worden beperkt. De regering is bereid om in de toelichting daarop ook in te gaan op de gevolgen die het beperken van de geldigheidsduur van de tentamens in het algemeen heeft voor de regeldruk.

De leden van de CDA-fractie hebben met instemming kennis genomen van het feit dat de regering heeft toegezegd de bepalingen met betrekking tot de geldigheidsduur door middel van een nota van wijziging bij een lopend wetsvoorstel aan te passen. Zij vragen of de regering kan aangeven of daarbij ook wordt afgezien van de koppeling met artikel 7.51 WHW (Profileringsfonds).

De regering ziet niet in waarom de koppeling met artikel 7.51 WHW zou moeten worden losgelaten. Door deze koppeling wordt een parallel getrokken met de bijzondere omstandigheden op grond waarvan dezelfde categorie studenten recht heeft op een financiële voorziening uit het Profileringsfonds. De koppeling biedt een nadere duiding van de bijzondere omstandigheden waarom het kan gaan.

Denkbaar is ook dat de duur van de financiële voorziening wordt gebruikt als een aanknopingspunt voor de periode gedurende welke de geldigheid van een tentamen niet kan worden beperkt.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstukken II 2013/14, 31 288, nr. 384.