Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534200-IX nr. 8

34 200 IX Jaarverslag en slotwet Ministerie van Financiën en Nationale Schuld 2014

Nr. 8 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 11 juni 2015

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Algemene Rekenkamer over het rapport van de Algemene Rekenkamer «Resultaten verantwoordingsonderzoek 2014 bij het Ministerie van Financiën 2014 (IX)» (Kamerstuk 34 200 IX, nr. 2).

De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 10 juni 2015. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Duisenberg

De griffier van de commissie, Berck

Vraag 1

Wat voor aanbevelingen heeft de Algemene Rekenkamer op de investeringsagenda van de Belastingdienst naar aanleiding van de geconstateerde onvolkomenheden?

De Staatssecretaris van Financiën heeft op 20 mei 2015 (Verantwoordingsdag) zijn investeringsagenda voor de Belastingdienst gepubliceerd, samen met de adviezen van de Commissie Managementinformatie en Bekostigingssystematiek Belastingdienst en een Review van de Investeringsagenda.

De gepresenteerde plannen maken, gezien het moment van publicatie (vanzelfsprekend), geen onderdeel uit van ons Verantwoordingsonderzoek over 2014. Wij hebben naar aanleiding van ons onderzoek naar de bedrijfsvoering van het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst wel enkele constateringen en aanbevelingen gedaan die relevant zijn voor de verdere uitwerking en uitvoering van de recent gepresenteerde plannen van de Staatssecretaris1. Meer concreet gaat het om onze vaststellingen en aanbevelingen ten aanzien van de volgende onvolkomenheden en aandachtspunten:

Onvolkomenheden:

  • Legacy problematiek IT Belastingdienst omvangrijk en complex (ernstige onvolkomenheid);

  • Integraal inzicht in beheer en onderhoud huidige IT bij de Belastingdienst ontbreekt;

  • Kwaliteit managementinformatie beperkt Belastingdienst bij vinden balans tussen ambities en mogelijkheden.

Aandachtpunten:

  • Meerjaren investeringsbegroting ontbreekt in Brede Agenda Belastingdienst;

  • Mijlpalenplanning verbeterprogramma IT bij de Belastingdienst noodzakelijk;

  • Gebrekkig inzicht in inverdieneffecten programma Rationalisatie Belastingdienst.

In algemene zin kan gesteld worden dat uit ons Verantwoordingsonderzoek 2014 blijkt dat er meer inzicht nodig is in het realisme van plannen van de Belastingdienst. Dit inzicht kan worden vergroot door in de voorstellen zowel de beoogde resultaten als ook de daarvoor benodigde tijd, geld, mensen en middelen beter uit te werken. Dit geldt niet alleen voor de plannen voor de modernisering van de Belastingdienst die wij hebben onderzocht in het kader van ons Verantwoordingsonderzoek 2014, maar juist ook voor het beheer en onderhoud van IT-systemen van de Belastingdienst.

Ten aanzien van de IT-legacy en het beheer en onderhoud van de huidige IT bevelen wij de Staatssecretaris aan om:

  • 1. de legacy problematiek in kaart te brengen inclusief een afbouwplan voor de uitfasering van te vervangen IT-systemen;

  • 2. te zorgen voor voldoende tijd en ruimte bij de introductie van nieuwe belastingmaatregelen en deze maatregelen zo vorm te geven dat zij het stelsel vereenvoudigen; dit zal ook leiden tot een complexiteitsreductie van de IT-systemen van de Belastingdienst op lange termijn;

  • 3. meerjarig en ketenbreed inzicht te krijgen in de kosten (in termen van tijd, mensen en middelen) van beheer en onderhoud van de huidige IT-systemen bij de Belastingdienst;

  • 4. het programma Rationalisatie (gericht op het opruimen van systemen waarvan de technische en bedrijfswaarde laag zijn) uit te breiden zodat een compleet overzicht ontstaat van alle huidige IT systemen, programmeertalen, applicaties en hardware platforms die op dit moment in gebruik zijn;

    • a. de bruikbaarheid van dit overzicht te vergroten door de kosten, opbrengsten, mijlpalen en verantwoordelijke personen en eenheden per IT systeem, programmeertaal, applicatie en hardware platform in kaart te brengen;

    • b. deze informatie te gebruiken bij het herprioriteren van de te nemen maatregelen.

Ten aanzien van de managementinformatie van de Belastingdienst bevelen wij de Staatssecretaris aan om:

  • 5. door middel van een sterke centrale sturing meer uniformiteit en consistentie te brengen in de instrumenten die op de verschillende organisatieniveaus gebruikt worden om te sturen en te beheersen;

  • 6. in alle managementinstrumenten op consistente, concrete (SMART) en samenhangende wijze aandacht te besteden aan zowel de ambities als ook aan beschikbare tijd, budget, mensen en middelen;

  • 7. geconstateerde risico’s inzichtelijk te maken en deze waar mogelijk en noodzakelijk te voorzien van risico beperkende maatregelen;

Wij bevelen de Staatssecretaris ten aanzien van de toekomstplannen van de Belastingdienst het volgende aan:

  • 8. een meerjarige investeringsbegroting op te stellen;

  • 9. een mijlpalenplanning op te stellen voor het verbeterprogramma IT en deze naast de getoonde ambities te leggen. Wij adviseren hierbij rekening te houden met de kosten voor de herziening van het Belastingstelsel en het tijdpad dat met de herziening van het Belastingstelsel gepaard gaat.

  • 10. de Tweede Kamer inzicht te geven in de planning en de relatie met de ambities en het beschikbare dan wel benodigde geld. Monitoring van de voortgang van het verbeterprogramma is alleen mogelijk als daartoe een duidelijke (mijlpalen) planning is opgesteld.

Tot slot merken wij op dat de open wijze van communiceren over de problemen bij de Belastingdienst een belangrijke aanzet is geweest tot een cultuurverandering bij de Belastingdienst. Wij moedigen de Staatssecretaris aan de open wijze van communiceren vast te houden.

De Kamer bevelen wij aan het daadwerkelijk terugdringen van de kwetsbaarheid van de Belastingdienst met aandacht te volgen. Daarnaast willen wij uw Kamer er nogmaals op wijzen om bij de vormgeving en invoering van het nieuwe Belastingstelsel rekening te houden met de uitvoerbaarheid van het stelsel en de kwetsbaarheid van de Belastingdienst. Lees hiervoor ook onze brief aan de Tweede Kamer van 19 maart 2015 over de Herziening van het belastingstelsel (Kamerstuk 32 140, nr.7) [http://www.rekenkamer.nl/Publicaties/Onderzoeksrapporten/Introducties/2015/03/Brief_aan_de_Tweede_Kamer_Herziening_belastingstelsel]

Wij zullen de door de Staatssecretaris op 20 mei 2015 gepresenteerde plannen en de uitvoering daarvan betrekken in ons Verantwoordingsonderzoek 2015.

Vraag 2

Heeft de Rekenkamer concrete suggesties voor een herziening van de methode en de definities die ten grondslag liggen aan de nationale rekeningen volgens het Europees Systeem van Rekeningen? Zijn er realistische methoden en definities denkbaar waarbij er geen sprake meer kan zijn van naheffingen?

Wij hebben geen onderzoek verricht naar het Europees Stelsel van Rekeningen (ESR) als zodanig. Of naheffingen zijn te voorkomen door meer realistische methoden en definities in het ESR vergt nader onderzoek, maar de verwachting is, dat zolang de afdracht voor een belangrijk deel is gebaseerd het bruto nationaal inkomen van de EU-lidstaten, naheffingen onvermijdelijk zijn.

Een aspect waarvoor wij in dit kader al eerder aandacht hebben gevraagd betreft de verschillen in verslaggevingsstelsels die er bestaan. Zelfs binnen Nederland (centrale overheid, lagere overheden en zorg- en sociale zekerheidssector) wordt er gebruik gemaakt van verschillende stelsels. Het CBS kan daardoor minder eenvoudig gebruik maken van gecontroleerde verantwoordingsinformatie en/of moet cijfers zodanig aanpassen dat deze binnen de ESR systematiek vallen. Op initiatief van de Europese Commissie wordt gesproken over een uniform verslaggevingsstelsel (European Public Sector Accounting Standards (EPSAS)) om de verschillen in de lidstaten te verkleinen. Indien dit stelsel (accrual accounting = batenlastenstelsel) door alle lidstaten wordt gehanteerd, dan ligt de wijze van administreren en verantwoorden (en controle) dichter bij de systematiek van het ESR en zijn er minder bewerkingen door de statistische instituten noodzakelijk. Bovendien kan door controle meer zekerheid worden verkregen over de betrouwbaarheid van de brongegevens.

Zie ook paragraaf 1.5 in onze brieven d.d. 28 november 2013 aan de Eerste Kamer en Tweede Kamer over de implicaties van het Europees economisch bestuur voor het Nederlandse begrotings- en verantwoordingsprocesc(Kamerstuk 31 865, nr. 56):

http://www.rekenkamer.nl/zoekresultaten?freetext=EMU&informatietype=kamerbrief&publicationdatestart=&publicationdateend=

Vraag 3

Wat voor aanbevelingen heeft de Algemene Rekenkamer op de beursgang van ABN AMRO gezien deze na het verschijnen van het rapport in gang is gezet?

Wij vinden het van belang dat de Minister van Financiën de Tweede Kamer op evenwichtige wijze informeert over de financiële gevolgen van de verschillende maatregelen die hij heeft getroffen voor de kredietcrisis. Dat wil zeggen dat hij de Tweede Kamer integrale informatie geeft over «zowel de lusten als de lasten» voor de Staat.

Wij hebben in ons Verantwoordingsonderzoek over 2014 vastgesteld dat de Minister van Financiën de Tweede Kamer inderdaad op evenwichtige wijze heeft geïnformeerd over de volledige aflossing aan de Staat van de lening van ING en over de totale netto-opbrengst voor de Staat.

Verder heeft de Minister in zijn brief van 16 februari 2015 aan de Tweede Kamer over de «voorwaardelijke verkoop van REAAL» (Kamerstuk 33 532, nr. 39)(nu Vivat) aan Anbang gemeld, dat de geschatte opbrengsten van de overige onderdelen van SNS REAAL (holding SNS REAAL, SNS Bank, Propertize) «een hoge onzekerheid» hebben. Daarmee volgt hij ons aanbeveling hierover op uit het Verantwoordingsonderzoek bij het Ministerie van Financiën over 2013.

Wij gaan er vanuit de Minister van Financiën zijn toezeggingen van 8 juli 2014 in het Wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2013 en ons verantwoordingsonderzoek 2013 aan de Tweede Kamer gestand blijft doen om zo precies mogelijk te laten zien wat de kosten zijn geweest op alle onderdelen op het moment, dat er een gerealiseerde opbrengst is (Kamerstuk 33 930 IX, nr. 7).

Verder verwijzen wij u nog naar onze site http://kredietcrisis.rekenkamer.nl/nl. Op deze site leest u welke maatregelen het Ministerie van Financiën heeft genomen (de interventies), wat het financieel risico van deze interventies is voor de Staat en wie de begunstigden zijn. Ook bieden we een overzicht van de ontvangsten en uitgaven. Wij zullen op 16 juni 2015 de volgende actualisatie van de gegevens op de website publiceren.

Vraag 4

Welk deel van de 6,4 miljard aan fiscale subsidiering van zuinige auto's is weggevloeid naar het buitenland als gevolg van export?

Wij weten niet welk deel van de fiscale subsidiëring is weggevloeid naar het buitenland als gevolg van export. Iedere auto heeft diverse fiscale subsidies. Dus met de export van elke auto «verdwijnt» het milieueffect, en (een deel van) het fiscale pakket van die auto. Hoe dat macro is opgebouwd, hebben we niet onderzocht. Voor zover wij weten zijn hier ook geen cijfers over bekend bij departementen.