Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534159 nr. 5

34 159 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 16 april 2015

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave

 
   

I.

ALGEMEEN DEEL

1

 

1. Inleiding

1

 

2. Uitvoering rechtsbijstandvoorziening

3

 

3. Nadere regeling van het verhoor

6

 

4. Actualisering van de regeling van aanhouding van verdachten

8

 

5. Aanpassing van de regeling van het ophouden voor onderzoek

10

 

6. Financiële paragraaf

11

     

II.

ARTIKELSGEWIJS DEEL

13

I. ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen (hierna: het wetsvoorstel). Zij constateren dat dit veel raakvlakken heeft met het wetsvoorstel ter implementatie van richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294) (Kamerstuk 34 157) (hierna: het wetsvoorstel recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures), dat tegelijkertijd naar de Tweede Kamer is gezonden. Zij hebben, naast de vragen die zij reeds over dat wetvoorstel hebben gesteld, nog enkele aanvullende vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij begrijpen dat de wijzigingen die voortvloeien uit onderhavig wetsvoorstel noodzakelijk zijn als gevolg van de implementatiewetgeving van de richtlijn betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures. Tevens begrijpen deze leden dat wetgeving die die noodzaak niet heeft, wordt meegenomen in het grote project dat het Wetboek van Strafvordering (Sv) moet herzien. Zal de regering in de toekomst op dezelfde manier omgaan met wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering? Betekent dit dat de regering, naast wetgeving ten behoeve van het project strafvordering, nog slechts wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering zal voorstellen die noodzakelijk zijn voor de implementatie van Europese wetgeving? Welke Europese wetgeving dient nog geïmplementeerd te worden en noodzaakt daarom nog tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering?

Voornoemde leden erkennen de noodzaak om de voorgestelde wijzigingen door te voeren. Zij willen echter nog enkele vragen stellen en opmerkingen maken.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel, maar hebben nog wel veel vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel en hebben daar enkele vragen over, niet in de laatste plaats over de bekostiging daarvan.

Evenals ten aanzien van het wetsvoorstel recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures hebben zij met enige verbazing kennisgenomen van het voornemen om de kosten van het recht op een raadsman bij het verhoor, te financieren uit het bedrag à 105 mln. euro dat het kabinet ter beschikking heeft gesteld bij de presentatie van haar regeerakkoord voor het versterken van de recherche en «meer blauw op straat». Deze leden komen hier later op terug bij de bespreking van de financiële paragraaf.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Naar aanleiding daarvan hebben deze leden enkele vragen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel om de wet aan te vullen met enkele bepalingen die zien op de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen. Zij hebben een aantal vragen dienaangaande.

Consultatie

De leden van de VVD-fractie merken op dat de Afdeling advisering van de Raad van State op de komende herziening van het Wetboek van Strafvordering wees. De regering stelt dat het wetboek ook tussentijds, vooruitlopend op de modernisering, zal worden gewijzigd wanneer dit nodig is ter uitvoering van internationale verplichtingen zoals de implementatie van EU-richtlijnen. De aan het woord zijnde leden begrijpen dit. Zij vragen wanneer de aangekondigde herziening en modernisering van het Wetboek van Strafvordering naar de Kamer zal worden gestuurd.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering in hoeverre opsporingsbelangen en behoeften en/of ervaringen in de huidige praktijk argumenten vormen voor de regering om wijzigingen in de vrijheidsbenemende dwangmiddelen zo snel mogelijk te regelen, in plaats van te wachten tot de aangekondigde modernisering van het wetboek en op de herstructurering van het voorbereidend onderzoek die daarvan deel uitmaakt. Zij vragen de regering deze vraag ook concreet toe te passen op het voorstel om de gevallen waarin aanhouding buiten heterdaad kan plaatsvinden, aldus te verruimen dat aanhouding buiten heterdaad bij verdenking van elk misdrijf plaats kan vinden, in plaats van, zoals nu het geval is, alleen bij verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Graag vernemen deze leden hierop een reactie.

De leden van de D66-fractie constateren dat het voorliggende wetsvoorstel direct verband houdt met het wetsvoorstel recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures. Deze leden achten het een positieve ontwikkeling dat meer ruimte wordt geboden voorafgaand aan het verhoor een advocaat te consulteren en een raadsman bij het verhoor aanwezig te hebben. Voornoemde leden constateren dat aanvullende bepalingen in het Wetboek van Strafvordering nodig zijn ten behoeve van de implementatie van de richtlijn. Zij constateren tevens dat een algehele modernisering van het Wetboek van Strafvordering gaat plaatsvinden en delen in dat verband de opvatting van de Afdeling advisering van de Raad van State dat een fragmentarische herziening van essentiële onderdelen van strafvordering onwenselijk is. De aan het woord zijnde leden hechten er aan dat de voorliggende aanvullingen zich dan ook beperken tot hetgeen noodzakelijk is teneinde tot uitvoering van de implementatie van de richtlijn te komen. Zij kunnen zich zodoende vinden in het besluit om enkel voorstellen uit het wetsvoorstel te schrappen en mee te nemen bij de modernisering van het Wetboek van Strafvordering.

2. Uitvoering rechtsbijstandvoorziening)

Inleiding

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de nieuwe wetgeving met betrekking tot de rechtsbijstand voor verdachten bij het eerste politieverhoor noopt tot een andere werkwijze bij de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) en de advocaten. De RvR heeft toegezegd zich fors in te zullen spannen om alle organisatorische voorzieningen te treffen die nodig zijn. Kan worden uitgelegd welke (forse) inspanning de RvR (nog) moet treffen? Zijn er kosten verbonden aan deze inspanningen en wie zal die kosten dragen?

Het is belangrijk dat er snel een raadsman aanwezig is om de verdachte bij te staan. Hiertoe wordt onderzocht, middels een pilot, of raadslieden standaard aanwezig kunnen zijn op het politiebureau. Waar wordt deze pilot gehouden? Wanneer zijn de resultaten van deze pilot bekend? Als de pilot succesvol blijkt zal er dan in de toekomst standaard continue een raadsman op ieder politiebureau aanwezig zijn? Zo nee, hoe worden politiebureaus waar wel een raadsman aanwezig zal zijn geselecteerd?

De regering is van mening dat met name bij jeugdige verdachten het verblijf op het politiebureau zo kort mogelijk moet worden gehouden. De aan het woord zijnde leden vragen of deze gedachte ook geldt voor andere kwetsbare verdachten zoals personen met een psychiatrische stoornis of verstandelijke beperking.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven of men in de rechtspraktijk problemen ondervindt van het onderscheid dat in het Wetboek van Strafvordering wordt gemaakt tussen enerzijds door de RvR aangewezen raadslieden die onder de piketregeling worden opgeroepen en anderzijds door de raad op grond van het Wetboek van Strafvordering toegevoegde raadslieden. Deze leden vragen of de regering het risico kan uitsluiten dat de voorgestelde gelijktrekking in het wetboek leidt tot misverstanden en/of misbruik in de praktijk over de aanspraak die kan worden gemaakt op gesubsidieerde rechtsbijstand.

De gekozen raadsman

De leden van de SP-fractie constateren dat de verdachte zijn gekozen raadsman in beginsel zelf moet betalen. Wat als iemand in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand? Klopt het dat de verdachte dan zelf een aanvraag moet indienen? Hoe zit het met kwetsbare mensen die een gekozen raadsman willen? Als er wordt gekozen uit het lijstje van de RvR is de bijstand in principe kosteloos. Wat is kosteloos? Hoeft een verdachte dan ook geen eigen bijdrage te betalen zoals normaal is wanneer sprake is van een toevoeging?

Bekostiging rechtsbijstand

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de bekostiging van de rechtsbijstand van een verdachte in eerste instantie voor rekening komt van de overheid, tenzij (later) blijkt dat de verdachte in staat is de kosten zelf te dragen. In dat geval moeten deze kosten terug worden betaald. Met de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) en de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) delen deze leden de zorg dat een verdachte zal afzien van rechtsbijstand als hem duidelijk wordt gemaakt dat hij eventuele vergoeding voor de rechtsbijstand terug moet betalen. In hoeverre is geborgd dat de verdachte zich voldoende bewust is van de gevolgen als hij afziet van bijstand door een raadsman? Is de regering van mening dat het aan de hulpofficier van justitie is om met hem de gevolgen te bespreken van zijn beslissing om af te zien van bijstand omdat hij bang is voor de kosten? Of zal op zijn minst dit gesprek moeten plaatsvinden tussen de verdachte en een raadsman, al dan niet telefonisch, zonder op de inhoud van de zaak in te gaan? Kan de regering het antwoord toelichten en daarbij uitgebreider ingaan op de bezwaren van de hierboven genoemde organisaties?De aan het woord zijnde leden begrijpen dat artikel 49 Sv een dode letter in de wet is. Wat was de achterliggende gedachte van dit artikel en waarom werd het in de praktijk niet gebruikt?

De leden van de SP-fractie lezen dat rechtsbijstand kosteloos is, behalve als na een onherroepelijke veroordeling blijkt dat de verdachte financieel voldoende draagkrachtig is. De NVvR en de NOvA maken zich volgens deze leden terecht zorgen over het mogelijke gevolg dat verdachten zich in minder gevallen zullen laten bijstaan door een aangewezen raadsman, omdat zij vrezen dat de kosten naderhand op hem zullen worden verhaald. De regering geeft aan dat dat niet zal gebeuren, omdat een verdachte dan toch financieel draagkrachtig genoeg is. Voor mensen die net boven de inkomensgrenzen van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) zitten is het gemiddelde bedrag van 1.160 euro ook veel geld, voornamelijk omdat in dit geval ook geen rekening zal zijn gehouden met eventuele schulden. Wat is de verhouding tot de wetsvoorstellen tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de eigen bijdrage van veroordeelden aan de kosten van de strafvordering en de slachtofferzorg (Kamerstuk 34 067) en tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikkinggestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en enige andere wetten in verband met de eigen bijdrage voor verblijf in een justitiële inrichting (Kamerstuk 34 068)? Vreest de regering niet dat door de optelsom van al deze vorderingen de schulden alleen maar harder oplopen voor deze mensen? Zijn al deze voorstellen wel in samenhang beoordeeld?

Het grootste bezwaar zit er volgens voornoemde leden echter in dat volgens de Salduz-uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op 27 november 2008 (NJ 2009, 214) verdachten in bepaalde zaken recht hebben op kosteloze rechtsbijstand, maar dat dit recht achteraf door deze regering weer wordt afgenomen. Hoe rijmt de regering deze maatregel met betreffende uitspraak?

De leden van de CDA-fractie ondersteunen van harte het gehanteerde principe dat wanneer een verdachte draagkrachtig genoeg is, hij zelf zijn rechtsbijstand dient te financieren, bijvoorbeeld de kosten die zijn gemaakt voortvloeiende uit een vrijheidsontneming van de verdachte. Deze leden vragen de regering zekerheidshalve wat het peilmoment is waarop de draagkracht wordt vastgesteld. Met de RvdR vragen deze leden of dat dit de pleegdatum van het delict is, de datum van de veroordeling of het moment dat verhaal wordt gehaald. Op welk van deze momenten is volgens de regering de kans het grootst dat de kosten ook daadwerkelijk geïnd kunnen worden, alsmede wat het moment is dat toekenning van onterecht verleende gesubsidieerde rechtsbijstand zoveel mogelijk vermeden kan worden? Deze leden vragen de regering ook te reageren op de opmerking van de RvdR dat het in theorie voor zou kunnen komen dat na vele jaren een veroordeelde een last tot verhaal betekend zou kunnen krijgen. Deelt de regering de mening dat dit niet wenselijk zou zijn en het van belang is sneller kosten terug te vorderen? Hoe gaat de regering dit proces bespoedigen? Graag vernemen deze leden hierop een reactie.

De leden van de CDA-fractie vragen ook waarom de mogelijkheid die het huidige artikel 49 Sv biedt niet wordt benut in de praktijk.

Deze leden vragen of ten aanzien van de beoordeling of een verdachte niet draagkrachtig genoeg is, wordt meegewogen in hoeverre diens directe omgeving (partner, familie, vriendenkring) wel in staat is en ook bereid is voor de gemaakte kosten van rechtsbijstand op te draaien. Hoe staat de regering tegenover de gedachte eerst via deze weg de kosten te verhalen en de verdachte/veroordeelde op dit idee te brengen, dan wel de mogelijkheden hiertoe verplicht te onderzoeken?

De leden van de PVV-fractie merken op dat indien in verband met de onmiddellijk ingaande vrijheidsbeneming van de verdachte niet van hem kan worden gevergd dat hij zelf voorziet in rechtsbijstand, een raadsman wordt aangewezen ongeacht de inkomenspositie van de verdachte. Voorgesteld wordt de kosten van rechtsbijstand die zijn gemoeid met de aanwijzing van een raadsman voor de verdachten wiens vrijheid is benomen, na een onherroepelijke veroordeling op hem te verhalen indien hij voldoende draagkrachtig is. De regering merkt zelf op dat een dergelijke mogelijkheid al bestaat in artikel 49 Sv. Waarom wordt van deze mogelijkheid in de praktijk geen gebruik gemaakt en waarom wordt verwacht dat men in de praktijk wel gebruik zal gaan maken van het voorgestelde artikel?

De leden van de D66-fractie constateren ten aanzien van de resterende voorstellen dat de kosten van rechtsbijstand die zijn gemoeid met de aanwijzing van een raadsman voor de verdachte, na een onherroepelijke veroordeling op hem kunnen worden verhaald. Deze maatregel zou dan plaatsvinden naast een tevens mogelijk in te voeren eigen bijdrage voor strafvordering en voor eventueel verblijf in een penitentiaire inrichting. Waarom is dit voorstel voor bekostiging van rechtsbijstand niet meegenomen of genoemd in de wetsvoorstellen tot eigen bijdragen? In hoeverre heeft de regering de stapelingsgevolgen van deze drie verhalingsvoorstellen bezien en kan zij voorrekenen wat in het licht van alle drie de wetsvoorstellen minimaal en maximaal in financiële zin de gevolgen kunnen zijn voor een verdachte die onherroepelijk veroordeeld wordt? Waarop is de verwachting gebaseerd dat ongeveer tachtig procent van de veroordeelden in staat zal zijn om de kosten voor rechtsbijstand te voldoen? Kan de Kamer de impact analyse hiervan ontvangen? Waar vloeit de verwachte jaaropbrengst van 1,9 mln. euro straks naar toe? Komt dat ten goede aan het budget rechtsbijstand op de begroting?

Ten aanzien van het voorstel tot versterking van de positie van de hulpofficier van justitie lezen de leden van de D66-fractie in reactie op de Afdeling advisering van de Raad van State dat de regering meent dat hulpofficieren van justitie over de nodige professionaliteit en distantie beschikken om ook bij uitbreiding van bevoegdheden nog steeds voldoende objectief een weging te kunnen maken. Deze leden vragen of de regering kan toelichten hoe zij meent dat bij een ruimere toekenning van bevoegdheden daarmee voldoende is gewaarborgd dat de hulpofficier van justitie tot een objectieve weging van belangen kan komen in het geval hij in een zaak met opsporing is belast.

3. Nadere regeling van het verhoor

De leden van de PvdA-fractie hebben met enige verbazing kennisgenomen van het feit dat sinds de invoering van het Wetboek van Strafvordering geen regels zijn opgenomen die sturing moeten geven aan de verslaglegging van het politieverhoor. Deze leden zijn daarom blij met het herstel van deze omissie. Zij begrijpen dat gestreefd moet worden naar een volledige weergaven van het verhoor in het proces-verbaal (PV). Dit komt de verdere opsporing van het misdrijf en het vinden van ont- of belastende informatie ten goede. Voornoemde leden verwelkomen deze manier van verslaglegging. Wat hier echter ontbreekt en wat niet aan het licht komt als er geen audiovisuele registratie van het verhoor is, is de non-verbale druk die kan worden uitgeoefend op de verdachte. In hoeverre is het mogelijk een aantekening in het proces-verbaal te (laten) zetten waaruit blijkt dat er non-verbale druk is ervaren door de verdachte?

De aan het woord zijnde leden achten dit met name bij kwetsbare verdachten, zoals jongeren, personen met een verstandelijke beperking of een psychisch stoornis, van groot belang omdat deze verdachten niet altijd gedragingen en gezichtsuitdrukkingen van anderen weten te duiden. Of kunnen deze leden ervan uit gaan dat deze kwetsbare groep nooit alleen in een verhoor zitten, maar wordt bijgestaan door een raadsman of een begeleider?

Op advies van de politie is besloten af te zien van de plicht om verhoren op te nemen als er (nog) geen raadsman beschikbaar is. Dit zou een te grote investering zijn. Spreekt de politie in haar voorstel over audioregistratie of over audiovisuele registratie? Welke waarborgen biedt dit wetsvoorstel de verdachte in het geval er geen advocaat aanwezig is ten aanzien van het recht dat hij op basis van de richtlijn heeft betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures?

De leden van de SP-fractie vinden het een wenselijke ontwikkeling dat er een nadere regeling komt van de weergave van het verhoor van de verdachte in het proces-verbaal. Op dit moment is het mogelijk om in bepaalde gevallen die zijn vermeld in de Aanwijzing van het College van procureurs-generaal verhoren op te nemen. Wat kan een overweging zijn voor de politie om te besluiten ook verhoren op te nemen die niet onder deze aanwijzing vallen? Deelt de regering de mening dat alle verhoren opgenomen dienen te worden om onder andere zoveel mogelijk misverstanden te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Deze leden vinden het tevens goed om te lezen dat de zittingsrechter de gelegenheid krijgt kennis te nemen van de geregistreerd verhoren. Op welke manier worden zij dan in de gelegenheid gesteld? Krijgen zij meer tijd en dus meer geld?

In hoeverre wordt en is de kritiek van de procureur-generaal meegenomen als het gaat om de kwaliteit van processen-verbaal?

Tevens willen voornoemde leden een reactie van de regering op het voorstel van de NOvA die voorstelt om opmerkingen van verdachten over het proces-verbaal en die niet hebben geleid tot de aanpassing van de tekst van dat proces-verbaal er toch aan te hechten. Dit ten behoeve van een zo volledig mogelijke weergave van het verhoor.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering de stellingname dat verbalisanten zich in de praktijk bij het opnemen en redigeren van de verklaringen van verdachten sterk laten leiden door de bruikbaarheid van de verklaring voor bewijs van het strafbare feit en minder door het streven naar een kale weergave van het relaas van de verdachte, enkel baseert op de onderzoeken van A.A. Franken en C. Kortlever of dat zij daartoe meer indicaties heeft. Deze leden vragen de regering ook of, indien deze stellingname (gedeeltelijk) juist blijkt te zijn, zij van mening is dat dit een onwenselijke praktijk is. Indien dat het geval is, vragen deze leden de regering aan te geven wat volgens haar de taken en de doelstellingen van de opsporingsambtenaren zijn. Zoals het woord «opsporingsambtenaren» al aanduidt, lijkt het de leden van de CDA-fractie alsof zij zich in de eerste instantie bezig zouden moeten houden met de opsporing van en onderzoek naar strafbare feiten en van hen niet gevergd zou moeten worden interesse te tonen in alle persoonlijke opinies, gedachten en (non-verbale) uitingen die verdachten uiten tijdens het verhoor. Graag vernemen deze leden de opinie van de regering op dit punt.

Voornoemde leden vragen of de regering met onderhavig wetsvoorstel daadwerkelijk beoogt opsporingsambtenaren een woordelijk verslag te laten optekenen van het verhoor in het proces-verbaal. Deze leden vragen de regering te inventariseren bij de nationale politie hoeveel tijd een opsporingsambtenaar dit gemiddeld extra zal kosten, bovenop de huidige administratieve verplichtingen die voortvloeien uit het opmaken van een proces-verbaal van het verhoor. Zij vragen de regering ook naar de logica hiervan, gelet op een toenemend digitaliserend tijdperk en de audiovisuele ontwikkelingen ten aanzien van het verhoor door de politie.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering in dit kader ook te reageren op de opmerkingen die de heer van de Kamp, voorzitter van de politievakbond ACP, maakte in reactie op een enquête onder Nederlandse strafrechtadvocaten over de juistheid van door politieambtenaren opgestelde processen-verbaal. Van de Kamp stelde: «Alles is onwaarschijnlijk complex geworden. En ja, dan worden er fouten gemaakt.» Van de Kamp zoekt de oorzaak onder meer in de bezuinigingen en de snel veranderende wet- en regelgeving. «Alles bij elkaar gaat dat ten koste van de waarheidsvinding.» (http://politiek.thepostonline.nl/2014/12/07/advocaten-processen-verbaal-politie-structureel-onbetrouwbaar/). De aan het woord zijnde leden vragen of de regering deze uitlatingen zo beoordeelt dat binnen de politiepraktijk de uitkomst van de enquête wordt bevestigd, namelijk dat de betrouwbaarheid van processen-verbaal een groot probleem vormt. Deze leden vragen de regering ook te reageren op het verband dat Van de Kamp legt tussen de bezuinigingen op de nationale politie en wetgevingsprocessen enerzijds en slordigheden in het opmaken van het proces-verbaal anderzijds.

De leden van de PVV-fractie merken op dat wordt voorgesteld te bepalen dat in het proces-verbaal van verhoor een meer realistische weergave wordt opgenomen van de door de verdachte afgelegde verklaring door een betere weergave van het vraag- en antwoordspel dat de essentie van ieder verhoor vormt. Nu al is in artikel 29, derde lid, Sv bepaald dat de verklaring van de verdachte in het proces-verbaal van het verhoor zoveel mogelijk in zijn eigen woorden wordt opgenomen. Deze leden vragen waarom dit derde lid niet voldoende is. Als nu niet aan dit artikel wordt voldaan, waarom zal het nieuwe artikel met als enige toevoeging dat het in vraag- en antwoord-vorm moet hier dan verandering in brengen?

4. Actualisering van de regeling van aanhouding van verdachten

Het geldende recht

De leden van de VVD-fractie hebben nog enkele vragen over het recht op een advocaat bij het politieverhoor. Dit is primair relevant voor het wetsvoorstel recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures, maar heeft ook relevantie voor het onderhavige wetsvoorstel. Bovendien constateren deze leden dat de regering beide wetsvoorstellen graag gelijktijdig wil behandelen. Daarom voelen zij zich vrij deze vragen te stellen.

De aan het woord zijnde leden begrijpen uit de memorie van toelichting dat het recht om zich te laten bijstaan door een raadsman niet reeds begint bij de staandehouding van een verdachte. Het begint pas bij de voorgeleiding. Dit gebeurt over het algemeen in het politiebureau. Op dat moment wordt de verdachte gewezen op zijn zwijgrecht en op zijn recht op bijstand van een raadsman. Voordat de verdachte op die rechten is gewezen, mag hem enkel naar zijn personalia worden gevraagd. Deze leden begrijpen dat op overige vragen betrokkene dus geen antwoord hoeft te geven. Bovendien mag betrokkene niet worden ondervraagd over het strafbare feit waarvoor hij is staande gehouden voordat hij is gewezen op zijn zwijgrecht en op zijn recht op bijstand van een raadsman.

Wat voornoemde leden niet helemaal begrijpen, is wat het recht op een advocaat bij het politieverhoor dan toevoegt. Een verdachte heeft toch nu al recht op rechtsbijstand? Hem mag enkel naar zijn personalia worden gevraagd, maar verder niks. Welke rechten heeft de verdachte dan straks bij een politieverhoor die hij nu nog niet heeft?

Verder herhalen de aan het woord zijnde leden graag de vraag die zij ook al bij het wetsvoorstel recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures hadden gesteld. Kwam het vaak voor, voor het Salduz-arrest, dat aangehouden verdachten bij een politieverhoor belastende verklaringen deden, mede op basis waarvan zij later werden veroordeeld? Als het Salduz-arrest nooit zou zijn gewezen, zou de regering dan alsnog met een soortgelijk wetsvoorstel zijn gekomen? Welk probleem wordt nu eigenlijk geprobeerd op te lossen?

De voorgestelde regeling

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de regering voornemens is de taak van de hulpofficier te versterken. Dit sluit aan bij de in het implementatiewetsvoorstel opgenomen versterking van zijn positie om bij de voorgeleiding na aanhouding de rechten van de verdachte te waarborgen. Volgens de regering past bij deze taakuitbreiding ook de bevoegdheid van de hulpofficier om de aanhouding te bevelen. Tegen deze uitbreiding maken de NOvA en de Rvdr bezwaar. Zij staan kritisch tegenover deze keuze omdat de politie daardoor zelfstandig tot toepassing van dit vrijheidsbenemende dwangmiddel kan beslissen zonder tussenkomst van de officier van justitie. De regering verdedigt deze beslissing door te schrijven dat dit past binnen de uitbreiding van bevoegdheden die de hulpofficier heeft gekregen in het implementatiewetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie menen dat dit een te magere onderbouwing is van een vrij fundamentele wijziging. Kan de regering onderbouwd en voorzien van een visie uitleggen waarom het juist zo belangrijk is dat de taken van de hulpofficier verder worden uitgebouwd en daarnaast inhoudelijk in willen gaan op de bezwaren van de NOvA en Rvdr?

Artikel 53 Sv wordt in die zin gewijzigd dat zowel de officier van justitie als de hulpofficier de taak hebben te toetsen of een aanhouding rechtmatig is. Met deze wijziging wordt beoogd een hernieuwde accentuering van de opvatting dat de voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie dient om de rechtmatigheid van de aanhouding te toetsen. Voornoemde leden kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat de regering geen visie heeft op hetgeen hierboven is geciteerd. In de memorie van toelichting roept de regering de politie op om hun plannen ten aanzien van de uitvoering van het gewijzigd artikel 53 Sv prijs te geven. In hoeverre is hierover overleg geweest met de politie? Welke ideeën heeft de regering zelf omtrent hetgeen hierboven geciteerd is?

De leden van de SP-fractie vragen aandacht voor verdachten die zich vrijwillig melden voor verhoor en dus niet zijn aangehouden. Zij krijgen geen kosteloze consultatie- en verhoorrechtsbijstand. Ze worden hier ook niet over geïnformeerd. Deelt de regering de mening dat ook deze personen op de hoogte moeten zijn van hun rechten? Wat is de reden dat er hier vanuit wordt gegaan dat het blijkbaar niet hoeft? Waarom worden deze verdachten niet ook, dus voor de eventuele aanhouding, gewezen op hun rechten?

In de praktijk worden aanhoudingen het meest gedaan door opsporingsambtenaren. Niet duidelijk is waarom dat een reden is om géén extra waarborg in de wet opgenomen te laten en aanhouding buiten heterdaad alleen op bevel van een officier van justitie plaats te laten vinden (behoudens spoedgevallen). Deze leden delen de zorgen van de Afdeling advisering van de Raad van State, de NOvA en de RvdR, nu de expliciete rol van de officier van justitie vrijwel teniet wordt gedaan. Begrijpen deze leden het goed dat het bevel nu ofwel door de officier ofwel door de hulpofficier kan worden afgegeven? Betekent dit in de praktijk dat dit altijd door de hulpofficier gedaan zal worden en dus buiten het OM omdat dit gemakkelijker is? Een dergelijke waarborg zoals nu in de wet is opgenomen wil wat voornoemde leden betreft niet zeggen dat er geen vertrouwen is in het handelen van opsporingsambtenaren en hulpofficieren, maar is slechts bedoeld als een extra controle. Een aanhouding grijpt diep in op iemands leven, met name als deze onterecht blijkt. Die extra waarborg is er dus niet voor de politie en het OM, maar om mensen in bescherming te nemen waar en indien nodig.

Als het enige argument is om administratieve lasten te verlichten, wordt er volgens deze leden voorbij gegaan aan het oorspronkelijke doel van een dergelijke waarborg: de extra controle dat rechtmatig tot aanhouding kan worden overgegaan. Hoe ziet de regering dit? Zullen de extra cursussen aan opsporingsambtenaren en hulpofficieren dit voorkomen?

Voorziet de regering geen problemen met schadevergoedingen na onterechte aanhoudingen? Hoe vaak wordt jaarlijks achteraf geconstateerd dat een aanhouding onterecht was en wat waren daarbij de redenen dat uiteindelijk geoordeeld werd dat de aanhouding niet rechtmatig was? Hoeveel schadevergoeding wordt er jaarlijks uitgekeerd? Zal dit niet toenemen?

Voornoemde leden horen graag wat de onoverkomelijke knelpunten waren bij het huidige artikel 54 Sv en of er geen andere manieren zijn om die administratieve lasten te verminderen. Waaruit bestaan deze lasten en hoeveel tijd nemen deze in beslag? Waar komt dat door?

De leden van de SP-fractie wijzen erop dat het belangrijk is dat een officier van justitie, onder wiens gezag een opsporingsonderzoek plaatsvindt, op de hoogte wordt gehouden van alles wat er speelt. Neemt de regering met de wijziging van artikel 54 Sv niet een extra mogelijkheid weg voor een officier op de hoogte te blijven van wat er gebeurt? Of zien deze leden dit verkeerd?

De leden van de PVV-fractie merken op dat er een regeling wordt voorgesteld om daadwerkelijk meer inhoud te geven aan de voorgeleiding aan zowel de hulpofficier van justitie als de officier van justitie. OM en politie onderschrijven de noodzaak van deze regeling. Aangegeven wordt dat de regering in het verlengde hiervan graag kennis zal nemen van de plannen die binnen de politie worden ontwikkeld teneinde hieraan concrete uitvoering te geven. Is hier door de regering al kennis van genomen zo vragen deze leden?

5. Aanpassing van de regeling van het ophouden voor onderzoek

Knelpunten in de praktijk

De leden van de CDA-fractie vragen de regering toe te lichten dat inverzekeringstelling in de praktijk plaatsvindt doordat een verhoor niet binnen de gestelde termijn kan worden afgerond en dus het gevolg zou zijn van logistieke problemen bij de voorbereiding van het verhoor. Deze leden vragen de regering om een bevestiging dat indien zich contra-indicaties voordoen tijdens het verhoor, dat wil zeggen dat indien uit het verhoor (hoe kort ook) blijkt dat een eventuele inverzekeringstelling niet noodzakelijk zal zijn in het belang van het onderzoek, hier ook niet toe wordt overgegaan in de praktijk.

De voorgestelde regeling

De leden van de VVD-fractie merken op dat het mogelijk wordt om verdachten negen uur vast te houden bij verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. Momenteel is die termijn maximaal zes uur. De verlenging is nodig om het mogelijk te maken om een raadsman te regelen voor het politieverhoor. Dit is geregeld in het voorgestelde artikel 56a Sv.

De Rvdr wil dat de maximale aanhoudingsduur voor alle feiten naar negen uur wordt verlengd, niet alleen voor lichtere feiten. De regering stelt dat een algemene verlenging van de termijn niet noodzakelijk voorkomt, mede omdat op rechtsbijstand bij verdenking van strafbare feiten waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, in het algemeen aanmerkelijk minder vaak een beroep wordt gedaan dan bij misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De aan het woord zijnde leden vinden dit niet bij voorbaat overtuigend. Wat nu als iemand wel een raadsman wil bij het politieverhoor, ook al is er slechts een verdenking voor een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten? Lukt het dan wel om binnen zes uur een raadsman te regelen? In het voorgestelde artikel 56b Sv staat dat het mogelijk is om de termijn van zes uur te verlengen met nogmaals zes uur als blijkt dat het niet mogelijk is om op tijd een raadsman te regelen. Dan is de volledige termijn dus twaalf uur, terwijl die voor de zwaardere zaken (waarvoor dus wel voorlopige hechtenis mogelijk is) negen uur is. Is dat niet vreemd? Kan de regering hier dieper op ingaan?

De leden van de SP-fractie snappen dat de huidige termijn van zes uur voor het ophouden voor onderzoek wordt verlengd naar negen uur, in verband met de extra taken en dus tijd die politie kwijt zijn in verband met de invoering van de verhoor- en consultatierechtsbijstand. Zal deze termijn echter op maximaal zes uur blijven als de verdachte weloverwogen besluit afstand te doen van rechtsbijstand? Zo nee, waarom niet?

Hoe wordt ondanks de langere termijn nog beter rekening gehouden met de belangen van jeugdige en kwetsbare verdachten?

6. Financiële paragraaf

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering de impactanalyses aan de Kamer kan toesturen in het kader van de toetsing welke elementen uit deze analyses de basis hebben gelegd voor de financiële onderbouwing in onderhavig wetsvoorstel en het implementatiewetsvoorstel.

Investeringen politie

De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de kosten. In de financiële paragraaf lezen zij dat voor de financiering dekking is gevonden binnen de 105 mln. euro die voor de nationale politie is gereserveerd. Kan de regering iets duidelijker aangeven hoe dit wordt gefinancierd? Hoe groot is de greep die uit deze pot geld wordt genomen? Was het vanaf het begin al de bedoeling om de 105 mln. euro mede te besteden aan dit wetsvoorstel? Zo nee, welke andere investeringen kan de nationale politie niet doen nu het geld hiervoor wordt gebruikt? Gemakshalve verwijzen de aan het woord zijnde leden naar de soortgelijke vragen die zij hebben gesteld bij het hiermee samenhangende wetsvoorstel.

De leden van de SP-fractie constateren dat de 4 mln. euro extra kosten die uit onderhavig wetsvoorstel voortvloeien worden gedekt binnen de 105 mln. euro die voor de nationale politie zijn gereserveerd. Ten koste waarvan gaat deze 4 mln. euro? Deze leden zijn van mening dat de kosten voor een zorgvuldige strafprocedure niet ten koste zou moeten gaan van het budget van de politie. Graag een reactie hierop van de regering.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering het tijdspad kan schetsen ten aanzien van hetgeen zij verwacht van de nationale politie met betrekking tot de uit onderhavig wetsvoorstel voortvloeiende investeringen in opleidingen, aanpassingen van verhoorruimtes, aanpassingen van administratieve processen en ICT-infrastructuur. Deze leden vragen ook of er sprake is van een ICT-project van meer dan € 5 mln. euro en of de regering overeenkomstig de aanbevelingen in het eindrapport van de parlementaire commissie naar ICT-projecten bij de overheid «Naar grip op ICT» (Kamerstukken 2013/2014, 33 326, nr. 5), een starttoets heeft laten uitvoeren en ook de overige aanbevelingen van deze commissie ter harte heeft genomen.

De regering geeft aan dat onderhavig wetsvoorstel tot een verhoogde inzet van 60 fte’s leidt en dat deze ruimte gevonden moet worden binnen de huidige operationele sterkte. De leden van de CDA-fractie vragen of deze verhoogde inzet komt bovenop of onderdeel uitmaakt van de 135 extra benodigde fte, voortvloeiend uit het implementatiewetsvoorstel nr. 34157. Zij vragen de regering dientengevolge op welke onderdelen en binnen welk afdelingen de benodigde fte vrijgemaakt gaat worden en welke veiligheidsrisico’s dit behelst. Voornoemde leden vragen ook hoe deze verhoogde inzet zich verhoudt tot de conclusie van de nationale politie (op basis van de impactanalyses uit 2011) dat de investeringen een bedrag vergen vancirca 28–34 mln. euro en dat op jaarbasis 420 fte hierop moet worden ingezet.

De regering geeft aan dat onderhavig wetsvoorstel een incidentele kostenpost oplevert van 4 mln. euro. De leden van de CDA-fractie vragen of dit bedrag inclusief of exclusief de incidentele kosten is zoals die voortvloeien uit het implementatiewetsvoorstel nr. 34157, te weten 8 mln. euro. Deze leden vragen de regering waarom gekozen is de uit deze wetsvoorstellen voortvloeiende kosten te financieren uit het aan de nationale politie jaarlijkse extra verstrekte bedrag van 105 mln. euro. Deze leden vragen op welk moment de regering heeft besloten de kosten die voortvloeien uit het recht op bijstand uit deze beloofde investering in de nationale politie te betalen. Was dat al bekend op het moment dat het kabinet haar regeerakkoord presenteerde? Heeft de regering op dat moment of later ook aan de nationale oolitie en de Kamer kenbaar gemaakt dat voor deze invulling gekozen zou worden? Kan de regering aangeven hoe de structurele investering tot op heden concreet is ingevuld de afgelopen twee jaar en dit schematisch weergeven in de nota naar aanleiding van het verslag? Kan de regering ook aangeven of het voornemen om de kosten voor rechtsbijstand zoals uit deze wetsvoorstellen voortvloeit te dekken middels de 105 mln. euro, de nationale politie belemmert in de huidige besteding van deze 105 mln. euro ten behoeve van extra blauw op straat en recherche. De leden van de CDA-fractie merken op dat de Minister van Veiligheid en Justitie tijdens het algemeen overleg Politie d.d. 9 april 2015 heeft medegedeeld dat het financieren van het ombouwen van politiekantoren overeenkomstig onderhavig wetsvoorstel, ook ten goede komt aan de toezegging van «extra blauw op straat» omdat agenten op deze wijze ook sneller weer op straat actief kunnen zijn dat wil zeggen. de verhoren sneller zullen verlopen. Deze leden vragen de regering deze laatste uitleg van deze besteding te bespreken met de nationale politie en de uitkomsten hiervan aan de Kamer mee te delen. Is dit ook hun verwachting van de aanpassingen naar aanleiding van de Salduz-rechtspraak? Is met hen ook gedeeld vanaf de bekendmaking van de extra impuls van 105 mln. euro jaarlijks (regeerakkoord 2012) dat dit bedrag mede hieraan besteed zou worden? Kon de leiding van de nationale politie hiermee instemmen of waren zij een andere mening toegedaan? Heeft er überhaupt overleg plaatsgevonden hierover en zo ja: op welke wijze? Graag vernemen deze leden op deze vragen afzonderlijk een reactie.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering met name ook in te gaan hoe de financiering uit het bedrag van 105 mln. euro zich verhoudt tot de volgende uitleg van het kabinet met betrekking tot dit bedrag: «De nationale politie krijgt structureel 105 miljoen per jaar extra. Dat maakt meer blauw op straat en meer capaciteit voor opsporing mogelijk.» (http://www.rijksoverheid.nl/regering/regeerakkoord/veiligheid-en-justitie). Kan de regering toelichten hoe dit «extra blauw op straat» zich vertaalt tot de kosten die de nationale politie moet maken met betrekking tot het recht op rechtsbijstand?

De leden van de CDA-fractie vragen ook hoe de toename met in totaal 11,5 miljoen euro aan kosten voor de gefinancierde rechtsbijstand als gevolg van onderhavig wetsvoorstel zich verhoudt tot het voornemen van de regering deze kosten in het algemeen juist naar beneden te brengen, conform de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor 2015. Deze leden vragen of de voorgenomen besparingen op de rechtsbijstand van de regering nu verminderd zullen worden met € 9.2 miljoen euro of dat extra besparingen op de gesubsidieerde rechtsbijstand als gevolg van onderhavig wetsvoorstel getroffen zullen worden. Indien dat laatste het geval is vragen deze leden ten koste van welke voorziening van rechtsbijstand dit zal gaan. Indien dat niet het geval vragen deze leden op welke andere wijze de uit onderhavig wetsvoorstel voortvloeiende kosten gedekt gaan worden.

Verhaal kosten rechtsbijstand

De leden van de SP-fractie lezen dat de regering ervan uit gaat dat draagkrachtige veroordeelden gemiddeld 1.160 euro aan rechtsbijstandskosten moeten terugbetalen. Net als de Afdeling advisering van de Raad van State willen deze leden een duidelijkere en financiële onderbouwing van dat bedrag. Er wordt gesproken over een gemiddelde. Wat zijn dan de maximum- en minimumbedragen?

De leden van de CDA-fractie vragen of de verwachtte opbrengsten ten aanzien van het verhaal van de kosten van rechtsbijstand op draagkrachtige veroordeelden voortvloeien uit de impactanalyses en zo nee, waar de regering deze inschattingen dan op heeft gebaseerd.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de regering in de financiële onderbouwing van onderhavig wetsvoorstel niet heeft opgenomen de kosten zoals die blijkens het implementatievoorstel voortvloeien uit het (verruimde) recht op een raadsman, te weten 11.5 mln. euro.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij kan nagaan wat de geschatte verzwaring van de werkkast bij de rechtbanken zal bedragen. Deze leden vragen de regering ook hoe de kwalificatie van «lichte» verzwaring zich verhoudt tot de verwachting dat de veroordeelde in een groot aantal gevallen gebruik zal maken van de mogelijkheid om bezwaar en/of beroep aan te tekenen tegen de beschikking die de verplichting tot betaling van de geldsom vaststelt. Zij vragen ook of de regering kan aangeven of en zo ja op welke wijze zij het wenselijk acht deze mogelijkheid zoveel mogelijk te beperken, teneinde misbruik en een nog grotere administratieve last voor de rechtspraak te voorkomen.

II. ARTIKELSGEWIJS DEEL

Artikel I

Onderdeel B (artikelen 27cda en 27cb)

Artikel 27ca

De leden van de CDA-fractie vragen of de mededeling aan de verdachte dat hij recht heeft op een raadsman in de huidige praktijk momenteel ook al schriftelijk geschiedt, of dat dit mondeling gedaan wordt. Indien het niet meer mondeling mag plaatsvinden als gevolg van onderhavig wetsvoorstel vragen deze leden welke verhoging van de administratieve lasten voor de politie het schriftelijke vereiste zal vergen.

Artikel 27cb

De leden van de CDA-fractie vragen welke mogelijke nadelen verbonden zijn aan een bredere interpretatie van de verhoorruimte, dan enkel het politiebureau. Deze leden vragen de regering ook aan te geven op welke wijze thans het recht op een advocaat is geregeld bij verhoren die plaatsvinden tijdens grote evenementen alsmede in trucks die zijn ingericht voor alcoholcontroles en in mobiele politieposten. Welke wijzigingen beoogt de regering hierin concreet met onderhavig wetsvoorstel en in hoeverre doet dat af aan het opsporingsbelang alsmede de effectiviteit van handhaving tijdens evenementen en aan de kant van weg ten aanzien van (alcohol)controles, zo vragen deze leden. Zij vernemen graag de wijze waarop de regering dit voor zich ziet.

Onderdeel C (artikel 28)

De leden van de PVV-fractie merken op dat de verdachte zich op grond van het derde lid kan laten bijstaan door meer dan één raadsman, met dien verstande dat ingevolge de Wet op de rechtsbijstand slechts in bijzondere gevallen de extra raadsman of raadslieden voor vergoeding volgens gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking komen. Deze leden vragen wat onder bijzondere gevallen wordt verstaan. Worden de bijzondere gevallen in artikel 16 Wet op de rechtsbijstand bedoeld?

Derde lid

De leden van de CDA-fractie vragen de regering een limitatieve opsomming te geven van de gevallen waarin volgens de Wrb de kosten gemaakt voor een extra raadsman of raadslieden voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking komen.

Onderdeel F (artikel 29a)

Derde lid

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om de bevestiging dat de bewoording «onverwijld» dus concreet betekent dat de verdachte en diens raadsman direct na het verhoor hun opmerkingen over de weergave van het verhoor in het proces-verbaal kunnen plaatsen maar niet meer op een later tijdstip wijzigingen hierin kunnen voorstellen.

Onderdeel I (artikelen 37 tot en met 48)

Artikelen 37 en 38

De leden van de CDA-fractie vragen de regering naar de situatie dat in de huidige praktijk klaarblijkelijk familieleden van een verdachte een voorkeur voor een bepaalde raadsman kenbaar maken. De RvR geeft aan dat dit in de praktijk veelvuldig het geval is en tot allerlei ongewenste fricties leidt. Deze leden vragen de regering of zij hier voorbeelden van kan geven en tevens hoe zij deze mogelijkheid voor familieleden zoveel mogelijk kan beperken tot aan de inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel.

Artikel 41

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering met het benoemen van laaggeletterden en/of licht verstandig beperkte verdachten een limitatieve opsomming heeft gegeven van de verdachte die de rechter de mogelijkheid kan bieden om een last te geven tot aanwijzing van een raadsman in gevallen waarin de verdachte zich in vrijheid bevindt en geen raadsman heeft. Indien dat niet het geval is, vragen deze leden de regering dat alsnog te doen. Zij vernemen hierop graag een reactie van de regering.

De NOvA schetst een door de regering als onwenselijk beoordeeld scenario dat een hogere vergoeding kan worden verkregen door verdachten die op vrijwillige basis op het politiebureau worden verhoord. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of de voorgestelde wettekst hier klaarblijkelijk de ruimte toe biedt en het om misbruik te voorkomen niet verstandig is de afwijzing van dit scenario, als zodanig ook te codificeren.

Onderdelen J en P (artikelen 53, 54 en 95)

De leden van de CDA-fractie vragen de regering in te gaan op het tijdsbestek tussen de inbeslagname van voorwerpen door een persoon die geen opsporingsambtenaar is en de overdracht van de betreffende spullen van de verdachte aan de politie. Ook vragen deze leden naar de onwenselijkheid van processuele gevolgen die verbonden kunnen zijn wanneer de persoon die geen opsporingsambtenaar is niet onverwijld, maar pas na enige tijd deze spullen overhandigt, bijvoorbeeld omdat het even duurt voordat daadwerkelijk de verdachte is overgedragen aan de politie.

De leden van de CDA-fractie vragen of het risico van het afnemen van de voorwerpen van de aanhoudende burger door derden, zich ook in de praktijk verwezenlijkt en hierop eventueel ook actie wordt ondernomen door de politie en het OM.

Onderdeel V (artikel 487)

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan bevestiging in reactie op de opmerkingen van de politie hieromtrent of altijd de ouders of voogd geïnformeerd dienen te worden, ook als de verdachte anderen (derden) heeft aangewezen.

De leden van de CDA-fractie vragen of ten aanzien van 12-minners de regering (wel) een uitzondering beoogt op de regel dat familieleden geen voorkeur voor een bepaalde raadsman kenbaar kunnen maken.

De leden van de PVV-fractie merken op dat de termijn voor het ophouden van verdachten van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten voor onderzoek, wordt verlengd van zes naar negen uur. Aangegeven wordt dat het wenselijk is dat minderjarigen beneden de twaalf jaar die van betrokkenheid bij een dergelijk misdrijf worden verdacht, niet langer dan zes uur worden opgehouden voor onderzoek en verhoor. Hoe verhoudt dit zich tot de eerder gegeven redenering met betrekking tot jeugdige verdachten, namelijk dat de verlenging van de termijn is ingegeven door het extra werk dat door de politie moet worden verricht voordat het daadwerkelijke verhoor kan beginnen en dat datzelfde werk moet worden verricht in zaken tegen jeugdigen verdachten? Is dit extra werk er bij criminelen beneden de twaalf jaar ineens niet meer?

Artikel 43, derde en vierde lid, Wrb

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering de uitzonderingen en het bijbehorende toetsingskader kan weergeven ten aanzien van het principe dat alle kosten van gesubsidieerde rechtsbijstand in rekening worden gebracht die volgen uit de ambtshalve toevoeging van de raadsman.

De voorzitter van de commissie, Ypma

De griffier van de commissie, Hessing-Puts