Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 januari 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn & Sport heeft mij verzocht om te
reageren op een brief die u van mevrouw T.K. heeft ontvangen. Graag voldoe ik aan
uw verzoek.
Mevrouw T.K. legt in haar brief uit dat zij zich als mantelzorger over haar vader
ontfermt, maar ook ontlast wil worden voor de weken dat zij niet beschikbaar is. De
zoektocht naar passende logeeropvang levert echter nog niets op. Vervolgens beschrijft
mevrouw T.K. de situatie dat haar vader naar het ziekenhuis wordt gebracht om vervolgens
naar een plek in het verpleeghuis te gaan. Daarna wordt de vader van mevrouw T.K.
geconfronteerd met allerlei kosten voor onder andere het vervoer naar het verpleeghuis.
Mevrouw T.K. vraagt zich af waarom het niet mogelijk was om een geschikte plek voor
haar vader te regelen voor de weken in het jaar dat zij niet als mantelzorger beschikbaar
was. Zij geeft ook aan dat zij vanwege haar rol als mantelzorger is gestopt met werken
in het onderwijs en vraagt zich af wat dit de samenleving op termijn kost.
Ik dank mevrouw T.K. dat zij de moeite heeft genomen om haar ervaringen, problemen
en vragen met uw commissie te delen. Als thuis wonen niet meer gaat is het goed om
dit met de huisarts te bespreken, zoals mevrouw T.K. ook heeft gedaan. Voor opname
in een verpleeghuis is vervolgens een indicatie nodig van het Centrum Indicatiestelling
Zorg (CIZ). Daarna wordt in overleg tussen cliënt, vertegenwoordiger, zorgaanbieder
van voorkeur en indien nodig het zorgkantoor gekeken naar een mogelijke passende plek
en overbruggingszorg in de periode tot aan de verhuizing naar het verpleeghuis.
Het is niet zo dat eerst een ziekenhuisopname moet plaatsvinden voordat opname in
een verpleeghuis mogelijk is. De casus van mevrouw T.K. laat zien dat dit, mede door
de kosten die met zich meebracht, zeer belastend is geweest voor haar vader. Ik vind
het bijzonder spijtig om te lezen dat de overgang van thuis naar het verpleeghuis
in deze casus niet op een minder belastende manier heeft kunnen verlopen.
Om het gat tussen thuis en het verpleeghuis te dichten zet ik in op de terugkeer van
moderne verzorgingshuizen, een gezellige woonomgeving die eenzaamheid voorkomt en
ervoor zorgt dat ouderen met extra zorg en ondersteuning beter kunnen participeren.
Hiermee kan ook het ziekteverloop van ouderen beter in de gaten worden gehouden dan
in de thuissituatie, als de wijkverpleging alleen op verschillende momenten gedurende
de dag langs komt. Samen met betrokken veldpartijen onderzoek ik momenteel hoe de
zorg en ondersteuning voor deze groep eruit zou kunnen zien, rekening houdend met
de afspraken in het onlangs gesloten Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) en het Aanvullende
zorg- en welzijnsakkoord (AZWA).
Ik wil ook benadrukken dat mantelzorgers een belangrijke rol spelen in het leven van
hun naaste. Mantelzorg kan echter ook als belastend of zwaar ervaren worden, bijvoorbeeld
bij een toenemende zorgvraag en/of als de mantelzorg lastig te combineren is met het
werk of het gezin van de mantelzorger. Het is daarom van groot belang dat mantelzorgers
op een passende wijze ondersteund worden bij hun mantelzorgtaken, om zo hun waardevolle
bijdrage te kunnen leveren.
In het HLO heb ik hierover afspraken gemaakt met partijen uit het zorgveld. In dit
akkoord zijn, in aanvulling op de mantelzorgagenda 2023–2026, ook afspraken gemaakt
en extra financiële middelen beschikbaar gesteld voor de ondersteuning van mantelzorgers.
Deze middelen zijn specifiek bedoeld voor het verbeteren van het ondersteuningsaanbod
van mantelzorgers en het verbeteren van de mogelijkheden voor respijtzorg, waaronder
logeeropvang. Zoals mevrouw T.K. in haar brief ook schetst, heeft respijtzorg heeft
een belangrijke rol om mantelzorgers een adempauze te geven om de zorg aan hun naaste
vol te houden.
Met het HLO en de mantelzorgagenda zet ik mij zo in om te zorgen dat ouderen kunnen
blijven rekenen op de betrokkenheid, hulp en zorg van mantelzorgers en dat de mantelzorgers
zoals mevrouw T.K. zich hierin gesteund voelen.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
N.J.F. Pouw-Verweij