34 082 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces en wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter uitbreiding van de mogelijkheid van uitkering aan nabestaanden

Nr. 17 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juni 2015

Bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel inzake de wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces en de wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter uitbreiding van de mogelijkheid van uitkering aan nabestaanden (Kamerstuk 34 082) (Handelingen II 2014/15, nr. 88) is een motie ingediend door het lid Van Helvert (CDA), Kamerstuk 34 082, nr. 13. Ik heb toegezegd u over deze motie nader te berichten. In afwachting daarvan heeft het lid Van Helvert meegedeeld zijn motie te zullen aanhouden.

In de motie wordt de regering verzocht een financiële oplossing te zoeken voor kosten die ouders van misbruikte kinderen maken, zo lang het wetsvoorstel dat onder meer de affectieschade regelt nog niet in werking is getreden. Dit wetsvoorstel verbetert de positie van naasten van slachtoffers door de invoering van een recht op affectieschade, dat wil zeggen smartengeld voor naasten van slachtoffers. Ook wordt het mogelijk dat naasten zich in het strafproces voegen voor het verhaal van affectieschade en zogenoemde verplaatste schade. Dit laatste betreft schade van het slachtoffer, die een derde voor zijn rekening heeft genomen. De schade is dan verplaatst van het slachtoffer naar de derde, bijv. de ouders die een doktersrekening van hun kind hebben voldaan.

Het Advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State naar aanleiding van dit wetsvoorstel is onlangs ontvangen. Ik bereid thans het nader rapport voor. Ik streef ernaar het wetsvoorstel deze zomer bij uw Kamer in te dienen. Ik zie ernaar uit om over dit wetsvoorstel met uw Kamer van gedachte te wisselen.

Het lid Van Helvert vraagt aandacht voor de omstandigheid dat het wetsvoorstel geen oplossing biedt voor ouders die nu al schade hebben geleden. Deze ouders kunnen zich pas na aanvaarding van het wetsvoorstel voegen in het strafproces voor de hiervoor genoemde verplaatste schade. Zij kunnen in afwachting daarvan in de huidige situatie met deze vordering terecht bij de burgerlijke rechter.

Voor zover wordt verzocht om een financiële oplossing te zoeken voor ouders in afwachting van het nog niet door het parlement goedgekeurde wetsvoorstel, wijs ik erop dat er geen rechtsbasis of financiële basis is op grond waarvan ik een dergelijke regeling zou kunnen treffen.

Wellicht ten overvloede meld ik dat de gang naar het Schadefonds Geweldsmisdrijven openstaat voor de eigen schade van minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik.

Voor het overige zie ik geen mogelijkheden voor het invoeren van een overgangsregeling vooruitlopend op de wetswijziging affectieschade.

Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen het lid Van Toorenburg (CDA) van 20 mei 2014 (Aanhangsel 2013–2014, nr. 2184) van de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over deze materie.

Gelet op het bovenstaande handhaaf ik mijn oordeel dat ik de motie ontraad als deze in stemming zou worden gebracht.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

Naar boven