Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-201634059 nr. H

34 059 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht

34 138 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie

34 212 Aanpassing van wetten in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht)

H1 VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VEILIGHEID EN JUSTITIE2

Vastgesteld 17 juni 2016

1. Inleiding

De nadere memorie van antwoord van 26 april 2016 en het rondetafelgesprek op 7 juni 2016 hebben de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende nadere opmerkingen en het stellen van de volgende nadere vragen.

De leden van de CDA-fractie danken de regering voor de beantwoording van hun vragen.

Zij zijn tevens van mening dat het momentum niet onnodig mag verglijden. Regeren is vooruitzien en niet vooruitschuiven. Toch hebben zij nog een drietal vragen vooraleer wat hen betreft overgegaan kan worden tot plenaire behandeling.

De leden van de fractie van D66 danken de regering voor de antwoorden op de gestelde vragen, maar hadden na het rondetafelgesprek van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie met vertegenwoordigers van de betrokken partijen en daarop gevolgde inbreng van betrokkenen wel de behoefte aan een nadere gedachtewisseling.

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennis genomen van de antwoorden van de regering in de nadere memorie van antwoord. Daarnaast hebben zij goede nota genomen van de uitkomsten van het rondetafelgesprek van 7 juni 2016 dat de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van de Eerste Kamer heeft gehouden met verschillende belanghebbende partijen. Naar aanleiding daarvan willen de leden van de SP-fractie de volgende aanvullende vragen aan de regering voorleggen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met interesse kennis genomen van de antwoorden in de nadere memorie van antwoord. Zij hebben nog enkele vragen.

2. Vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bereid is toe te zeggen dat aan de gehele sector, maar met name ten behoeve van de kleinere kantoren, enige extra experimenteertijd geboden zal worden? Voorts vragen zij of de regering actueel inzicht kan geven in de kosten die voor de sector gemoeid zijn met de implementatie van de digitalisering? En zij vragen of de regering wil toezeggen dat zij ook na invoering de vinger aan de pols zal houden en de sector te hulp zal komen wanneer zich toch nog (overgangs-)problemen voordoen?

3. Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Allereerst willen de leden van de D66-fractie graag de regering verzoeken in te gaan op de specifieke – voor de praktijk belangrijke – vragen en commentaren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders van 13 juni jl., welke geacht wordt hier te zijn ingelast in de inbreng3.

Voorts, door de gesprekken met betrokkenen in het kader van KEI, heeft bij deze leden de stellige indruk postgevat dat hoewel er veel is bereikt, het KEI-project nog op een aantal aspecten precisering nodig heeft van de doelstellingen, een kritische analyse van de procesmatige invoering en vooral van de waarborgen voor besluitvorming over daadwerkelijke invoering van pilotfasen.

De voorgestelde aanvang van een civiele procedure op de voet van artikel 112 «nieuw» (indienen procesinleiding, dan bezorgen of betekenen oproepingsbericht) wordt, naar deze leden begrijpen, kennelijk nog niet via het zgn. Aansluitpunt ter beschikking gesteld. Hetzelfde schijnt te gelden voor bepaalde proceshandelingen (voeging/tussenkomst). Vanuit de rechtspraktijk bereiken deze leden signalen dat dit concrete problemen veroorzaakt, zoals:

  • de advocaat moet handelingen in beide systemen verrichten (ene keer via het Aansluitpunt, andere keer via Mijn Rechtspraak) hetgeen tijdrovend is en tot vergissingen kan leiden;

  • deze systemen werken verschillend: bij het Aansluitpunt is er geen aparte mogelijkheid tot inloggen, bij Mijn Rechtspraak wel; het systeem van de autorisatie roept daarbij vragen op: onduidelijk is of bijvoorbeeld een secretaresse of rolmedewerker gemachtigd kan worden om de advocatenpas te gebruiken. Indien dit niet het geval is, dan dient de advocaat de advocatenpas plus de code uit te lenen, hetgeen vragen over privacy en autorisatie opwerpt;

  • door het werken in verschillende systemen neemt de kans op fouten toe;

  • daarbij is de opvatting van praktijkbeoefenaars dat Mijn Rechtspraak niet geschikt is voor omvangrijke zaken; producties of bijlagen moeten in Mijn Rechtspraak immers één voor één worden geüpload. Er kan bovendien geen koppeling worden gemaakt met de documentsystemen van de advocaat; documenten moeten dus eerst ergens worden «geparkeerd» om deze vervolgens in Mijn Rechtspraak te kunnen uploaden. Dat is problematisch als een procesinleiding in een grote zaak moet worden ingediend met daarbij grote aantallen producties;

  • het risico van verschoning bij technische storing kent een omgekeerde bewijslastverdeling; deze leden zien daarin een kwetsbaarheid voor de rechtzoekende die niet voorzienbaar of beheersbaaris door zijn procesvertegenwoordiger;

  • er komen systeemkoppelingen die nu door een aantal kantoren gezamenlijk worden opgezet in overleg met de Raad voor de rechtspraak en Spir-it, maar de vraag rijst of deze technische voorzieningen uiteindelijk ook tegen aanvaardbare kosten beschikbaar komen voor kleinere kantoren die deze aanvangsinvesteringen niet konden dragen.

Verwezen wordt naar de beantwoording van de commissievragen door Silex, een afschrift waarvan is aangehecht4. Deze leden achten het van belang dat de regering ook op deze commentaren ingaat, en deze worden geacht hierbij te zijn ingelast in hun bijdrage.

Deze leden merken tenslotte op dat zij het principieel onjuist achten dat de frequentie van bepaalde proceshandelingen bepalend zou mogen zijn voor de inrichting van de digitale faciliteit, als de wetgever digitaal procederen als vormvereiste introduceert. Die proceshandelingen zijn niet zonder reden voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en worden (grotendeels) gehandhaafd in het wetsvoorstel.

Naar deze leden begrijpen kan het verlaten van het tweesporenbeleid (technische sporen: Mijn Rechtspraak en/of het Aansluitpunt) ook tot de volgende complicaties leiden:

  • er ontstaat in een digitaal bedoeld dossier de facto toch een deels digitaal en deels papieren dossier. Het risico in digitale dossiers met verplichte procesvertegenwoordiging lijkt niet denkbeeldig dat (met name de papieren) stukken zoek raken, zeker als deze bijvoorbeeld kort voor een zitting worden ingediend of dat de toegankelijkheid van het dossier voor de rechter wordt beperkt, doordat het dossier deels digitaal en deels in hard copy beschikbaar is;

  • een deels digitaal en deels papieren dossier leidt ook tot complicaties als het dossier vervolgens moet worden doorgestuurd naar de rechter in de volgende instantie (het wetsvoorstel gaat er in principe vanuit dat dit «met één druk op de knop» digitaal gebeurt);

  • de vraag rijst of het de bedoeling is dat de rechtspraak de (omvangrijke) stukken die op papier zijn ingediend, weer gaat digitaliseren en aan het digitale dossier toevoegt; hiertoe moet voldoende administratieve ondersteuning beschikbaar blijven.

Deze leden veronderstellen dat hoewel deze praktische vraagstukken van uitvoering details lijken, een oplossing niet mag ontbreken voordat het systeem Civiel 1.0 geheel wordt ingevoerd. Weinig voorkomend of gecompliceerd, de keuze om daar gebruik van te maken zou naar het oordeel van deze leden niet door een systeemkeuze van onder de Raad voor de rechtspraak ressorterende instanties belast met de digitaliseringsopgave belemmerd of zelfs maar beïnvloed behoren te worden. Dat zou impliceren dat de rechtzoekende zijn beschikbare rechtsmiddelen moet aanpassen omdat deze de facto niet op gelijke voet kunnen worden ingezet omdat er een rangorde in digitale facilitering is.

Gaarne vernemen deze leden of de regering het met dit uitgangspunt eens is en zal bevorderen dat deze complicaties tijdig zijn opgelost.

Deze leden hebben de indruk op basis van eigen observaties en mede aan de hand van de reactie van betrokken partijen (vaak aangeduid als ketenpartners) dat over de toetsingscriteria van de in te voeren faciliteiten voor Civiel 1.0 en zijn opvolgers geen consensus bestaat. Zij sluiten de brief bij ter informatie die de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie ontving van de NOvA d.d. 14 juni en verwijzen naar de inhoud5. Hoewel enerzijds de noodzaak tot digitalisering gedeeld wordt blijken er rond het traject van invoering nog belangrijke verschillen van inzicht te zijn.

Deze leden achten het noodzakelijk dat de Minister in deze afrondende fase van het wetgevingsproces piketpaaltjes neerzet. Deze leden doen een poging die te formuleren, als volgt:

Het systeem dient alle functies te hebben die nodig zijn om alle gebruikelijke proceshandelingen ongecompliceerd en zonder beperkingen te kunnen verrichten. Alleen voor zeer specifieke gevallen mag een uitzondering worden gemaakt, mits daarvoor een adequate voorziening wordt getroffen. De functionaliteiten moeten worden vastgesteld – waarbij het Wetboek van Rechtsvordering het uitgangspunt vormt – en voor de inwerkingtreding moet worden getoetst of aan al die functionaliteiten zijn voldaan. Verder dient te worden vastgesteld of voor handelingen waarin het systeem onverhoopt niet voorziet (om te billijken redenen) andere adequate voorzieningen zijn getroffen.

Het systeem moet werken en ook zijn getest. Deze test dient plaats te vinden door onafhankelijke deskundigen die kunnen rekenen op breed draagvlak bij de betrokken ketenpartners en dit uiteindelijk ten behoeve van de rechtzoekende en ter bewaking van de kwaliteit van de rechtsstaat (bijvoorbeeld door een «Tijdelijke commissie invoering digitaal procederen»).

Er dient voldoende tijd beschikbaar te zijn voor het bouwen en operationeel maken van een S2S aansluiting teneinde het digitale systeem van Mijn Rechtspraak te kunnen integreren in de werkprocessen van advocatuur en gerechtsdeurwaarders. Het systeem van Mijn Rechtspraak vergt ingrijpende aanpassingen in de werkprocessen binnen de advocatuur en bij de gerechtsdeurwaarders. Aan deze partijen dient de mogelijkheid geboden te worden om zich daarop in te stellen.

De veronderstelling die in de toelichting regelmatig doorklinkt dat rechters ook complexe procesdossiers vanaf een scherm vooraf en ter zitting kunnen lezen miskent die doelstellingen. In beginsel dient de rechter steeds over een hard copy van het dossier te kunnen beschikken. Een uitzondering kan gemaakt worden in het geval van dossiers die een zeer beperkte omvang kennen waarbij de omvang bepaald kan worden aan de hand van een duidelijk bladzijden-norm. Ook dient in de rechtszaal voor de partijen onbeperkte toegang te bestaan tot het digitale procesdossier van Mijn Rechtspraak, uiteraard met inachtneming van privacy en veiligheidsvereisten.

Zo het bovenstaande aspect nog een nadere adstructie behoeft, dan is die gebaseerd op de uitgangspunten van de voorgestelde aanpassingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; die beogen onder andere een actievere opstelling van de rechter in civiele zaken, meer gelijkend op de wijze waarop het bestuursprocesrecht zich heeft ontwikkeld (zoals ook aan de orde kwam in de antwoorden van de Minister en de regeringscommissaris Hammerstein bij de plenaire behandeling in de Tweede Kamer)6. Het is nog meer dan nu belangrijk om die actieve rechter te faciliteren. Sterker nog, om de voorzieningen te treffen die ter zitting nodig zijn voor een optimale rechtsbedeling die ook nog efficiënt is, zowel binnen de rechterlijke macht als ten behoeve van de advocatuur en gerechtsdeurwaarders. De Nederlandse Vereniging van Rechtspraak heeft zich in het rondetafelgesprek hierover duidelijk geuit, waarbij ook gewezen werd op een breder vraagstuk van financiering en productie. Zij verwachten een uitgewerkt scenario om het productieverlies tijdens de implementatie van Civiel 1.0 e.v. te minimaliseren: immers zijn de wachttijden bij sommige rechtbanken al onaanvaardbaar lang. Het veronderstelde 10% capaciteitsverlies (kennelijke inschatting van de Raad voor de rechtspraak) maakt dit probleem nog urgenter.

Er dienen aantoonbaar voldoende financiële middelen bij de rechtspraak beschikbaar te zijn om haar medewerkers goed op te leiden en van goede en ergonomische apparatuur te voorzien. De invoering van KEI betekent een ingrijpende verandering van de werkwijze bij rechtbanken, waar de werkdruk nu al als zeer hoog wordt ervaren. Zeker in het begin zijn voldoende kennis en flexibiliteit bij de medewerkers van de rechtspraak absolute voorwaarden voor succes.

Gaarne vernemen deze leden of de regering het ook met dit uitgangspunt en de randvoorwaardelijke aanpak eens is en zal bevorderen dat langs deze lijnen de behandeling van de wetsvoorstellen kan worden afgerond.

4. Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie geven aan dat in de nadere memorie van antwoord de regering stelt dat zij, samen met de Rechtspraak, haar toezegging om pas van start te gaan met de implementatie van KEI als het digitale systeem goed en betrouwbaar werkt, gestand blijft doen. Gelet op het feit dat het volledige landelijke digitale netwerk van de Raad voor de rechtspraak op 23 mei jl. plotseling en volledig is uitgevallen en dat tegelijkertijd het reservesysteem ook niet functioneerde, komt het de leden van de SP-fractie voor dat de digitale infrastructuur, nodig voor het goed en betrouwbaar functioneren van de rechtspraak, nog niet beschikbaar is. Toch is het de bedoeling van de regering en de Raad om op korte termijn tot implementatie van de eerste onderdelen van KEI over te gaan. Deelt de regering de mening van de leden van de SP-fractie dat zolang er geen garantie bestaat dat het digitale netwerk van de Raad vlekkeloos en probleemloos opereert, het onverantwoord is om tot implementatie van KEI over te gaan gelet op de grote en ernstige maatschappelijke gevolgen van een niet goed en betrouwbaar functionerend netwerk? Zo nee, waarom niet? Aan welke noodvoorzieningen wordt gedacht om een calamiteit als die van 23 mei jl. op te vangen?

Deze leden vragen voorts of de regering een sluitend overzicht kan geven van de gevolgen van het falende netwerk van de Raad op 23 mei jl. voor de rechtspraak?

Zij vragen of het KEI-project als geheel voortdurend langs de lat van de uitkomsten van de commissie Elias is gelegd en zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten geweest? En of er voorbeelden zijn te geven van projecten vergelijkbaar met KEI, in binnen- of buitenland, en kan de regering aangeven hoe de ervaringen met deze projecten zijn geweest?

De leden van de SP-fractie geven aan dat de Algemene Rekenkamer in haar Verantwoordingsonderzoek 2015, dat onlangs is verschenen, erop heeft gewezen dat de kosteninschattingen van KEI in 2013 en 2014 naar boven zijn bijgesteld, omdat onder meer de kosten voor al lopende en geplande projecten en de reorganisatiekosten aan de begroting van KEI zijn toegevoegd. De Rekenkamer stelt dat onvoldoende transparant is gemaakt waarom de kosten zijn gestegen. Kan de regering aangeven waarom de kosten voor KEI in 2013 en 2014 zijn gestegen?

Verwacht de regering soortgelijke kostenstijgingen ook voor de jaren 2015 en 2016?

Zo nee, waarom niet? Zo ja, in welke orde van grootte? Is de regering bereid extra financiële middelen voor de rechtspraak beschikbaar te stellen voor eventuele onvoorziene kostenstijgingen over 2015 en 2016?

Deze leden geven aan dat de regering in de nadere memorie van antwoord sub 6, pagina 19, heeft bevestigd dat natuurlijke personen die procederen zonder professionele rechtsbijstand de mogelijkheid behouden om op papier te procederen en mondeling hun verhaal kunnen blijven doen bij de kantonrechter. Zij geven aan dat de regering daaraan toevoegt dat de mondelinge behandeling het hart van de nieuwe, vereenvoudigde basisprocedure vormt. Deze leden vragen hoe groot naar de inschatting van de regering het aantal kantonzaken per jaar zal zijn in de nieuwe opzet, waarbij de belanghebbende «op papier» zal procederen? Voorts vragen zij hoe groot het aantal «papieren» zaken qua percentage van het totaal aantal kantonzaken zijn? En hoeveel administratieve werkzaamheden zullen naar verwachting met deze «papieren» procedures gemoeid zijn? Kan de regering bij benadering aangeven om hoeveel administratieve functies het hierbij handelt?

Op verzoek van de Raad heeft TNO op 14 december 2015 het rapport «Ergonomie en digitalisering van de rechtspraak» uitgebracht7. Op dit rapport heeft de Centrale Ondernemingsraad (COR) gereageerd bij brief van 15 maart 2016 aan de Raad8. Over de implementatie van de aanbevelingen van TNO merkte de centrale ondernemingsraad op dat zij zich ervan bewust is dat een en ander grote financiële consequenties zal hebben en dat de ingezette KEI-organisatie daardoor forse vertraging kan oplopen. Daaraan voegde de Centrale Ondernemingsraad toe dat zij niettemin van mening is dat dit de prijs mag en zelfs moet zijn voor het veilig stellen van de gezondheid van de medewerkers, nu deze immers het werkkapitaal vormen van de Rechtspraak. De leden van de SP-fractie vernemen graag van de regering hoe groot de financiële consequenties zijn waarop de Centrale Ondernemingsraad doelt? Beschikt volgens de regering de Raad in 2016 en 2017 over voldoende financiële middelen om aan deze consequenties te voldoen? Zo niet, is de regering bereid om de Raad van extra financiële middelen te voorzien?

Voornoemde leden vragen of de regering de visie van de Centrale Ondernemingsraad deelt dat eerst de in het TNO-rapport geadviseerde aanbevelingen en randvoorwaarden moeten worden geëffectueerd voordat KEI verder zal worden ontwikkeld en «uitgerold»? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de SP vragen of de regering kan garanderen dat alle medewerkers van de gerechten kunnen beschikken over het benodigde tweede beeldscherm? Voorts vragen zij hoe de regering de weigering beoordeelt van het bestuur van een van de gerechten om de medewerkers, die om een tweede scherm hebben gevraagd, af te schepen met het antwoord dat een tweede scherm te duur is? Hoeveel kost een extra scherm? Hoe zit het, gelet op het TNO-rapport over de ergonomische aspecten van KEI, met de beeldkwaliteit van de schermen en de andere door TNO genoemde arboaspecten?

Voornoemde leden vragen of er, mede gelet op de reeds te hoge werkdruk bij een aantal gerechten, voor de medewerkers voldoende ruimte, qua tijd en qua onderwijs, wordt ingeroosterd om zich het digitale werken eigen te maken? En zo ja, op welke manier? Welke extra kosten zijn daarmee gemoeid?

Hoe beoordeelt de regering het feit dat bij de gerechten inmiddels vanwege KEI medewerkers (bijna) alleen nog arbeidscontracten van 1 jaar krijgen aangeboden? Ook vragen de leden van de SP-fractie of de regering de zorgen van rechters deelt dat daardoor de beroepsmatige kwaliteit van de medewerkers onder druk komt te staan?

De leden van de fractie van de SP geven aan dat in de voorstellen van de Raad en in de toelichting op de wetsvoorstellen wordt uitgegaan van financiële voordelen die de rechtspraak tegemoet kan zien als KEI ingevoerd zal zijn. De beoogde besparingen worden voor het allergrootste deel behaald in de ontslagen, die ongeveer de helft van het administratieve personeel zullen treffen. Hoe wordt concreet onderbouwd welke functies komen te vervallen? Is er een beschrijving gemaakt van de toekomstige griffie en welke werkzaamheden daar zullen moeten worden verricht? Is de regering bereid de Kamer deze onderbouwde beschrijving te doen toekomen?

Tijdens het rondetafelgesprek dat de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie op 7 juni jl. heeft gehouden met een aantal betrokken partijen over de KEI-wetsvoorstellen heeft de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak aangegeven dat de Raad bepaalde criteria hanteert op basis waarvan de Raad kan besluiten tot een «go» of «no-go», maar ook erkend dat de Raad deze criteria heeft opgesteld zonder overleg met direct betrokken partijen, zoals de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering deze handelwijze beoordeelt? Deelt de regering de opvatting van de leden van de SP-fractie dat de Raad alsnog zo spoedig mogelijk met betrokken partijen hierover overleg moet voeren?

De leden van de SP-fractie geven aan dat tijdens het gesprek van 7 juni jl. de voorzitter van de Raad heeft aangegeven dat de Raad voor het jaar 2016 extra financiering voor KEI heeft gekregen, maar dat het voor het jaar 2017 nog niet duidelijk is hoe het KEI-project moet worden gefinancierd. Ook liet de voorzitter van de Raad weten dat, voor het geval de financiering voor KEI in 2017 niet gehaald zou worden, hij niet zal schromen om het hele KEI-traject stop te zetten. Hoe beoordeelt de regering deze beide uitlatingen van de voorzitter van de Raad? Hoe denkt de regering te handelen indien de Raad zou besluiten het KEI-project stop te zetten?

De leden van de SP-fractie geven aan dat tijdens het gesprek van 7 juni jl. de deelnemer namens de Nederlandse Orde van Advocaten zich op het standpunt heeft gesteld dat bij invoering van KEI de inrichting van de rechtszalen zodanig dient te zijn dat de faciliteiten voor de advocaten gelijkwaardig zijn aan de faciliteiten van de rechters en het Openbaar Ministerie, hetgeen zou inhouden dat elke advocaat standaard in de rechtszaal kan beschikken over twee beeldschermen. Voornoemde leden vragen of de regering deze opvatting van de Nederlandse Orde van Advocaten deelt? Zo ja, is de regering bereid te garanderen dat de daarvoor benodigde financiële middelen ook ter beschikking worden gesteld, zo vragen zij.

De leden van de fractie van de SP geven aan dat tijdens het gesprek van 7 juni jl. de deelnemer namens de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak zich op het standpunt heeft gesteld dat de rechtspraak niet gebaat is bij overhaaste wetgeving en dat de nieuwe digitalisering eerst in gebruik kan worden genomen als het zeker is dat aan de basis-voorwaarden om kwaliteit te kunnen leveren is voldaan. Zij vragen of de regering deze opvatting van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak deelt?

Ook stelde de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak zich op het standpunt dat de bezuinigingen op het personeel niet vooruit mogen lopen op de baten van KEI, dat het digitale systeem volgend moet zijn aan de rechter en niet andersom. De leden van de SP-fractie vragen of de regering dit oordeel kan onderschrijven?

Deze leden stellen dat de regering en ook de Raad steeds hebben betoogd dat KEI staat voor betere kwaliteit van rechtspraak, met name door de invoering van moderne digitalisering. Daarbij is aangeven dat de invoering van KEI er niet toe zal leiden dat de onafhankelijke functie van de rechter wordt aangetast en dat ook de toegang van de burger tot het recht onverminderd van kracht blijft.

Tegen de achtergrond van deze uitgangspunten vragen de leden van de SP-fractie de aandacht van de regering over de navolgende brieven van de kant van de rechterlijke macht, waarvan een kopie wordt bijgevoegd, nl.:

  • de brief van het gerechtshof te Den Bosch aan de Orde van advocaten te Breda van 28 september 20159,

  • de brief van het gerechtshof te Arnhem eveneens aan de Orde van Advocaten van 30 juli 201510,

  • de brief van het gerechtshof te Arnhem van 8 juni 2016 aan advocatenkantoor Wout van Veen te Utrecht11.

Uit deze drie brieven, tezamen en in onderling verband beschouwd, blijkt volgens de leden van de SP-fractie dat als gevolg van met name minder zittingsruimten en langere wachttijden de invoering van KEI inbreuk maakt op de inhoud van de rechtspraak, de toegang van justitiabelen tot het recht en het functioneren van de advocatuur. Deelt de regering die conclusie van de leden van de SP-fractie?

Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen acht de Minister nodig om deze ontwikkeling tegen te gaan?

5. Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering of zij het met deze leden eens is dat de voorgestelde digitaliseringsoperatie een investering in kwaliteit is, en geen bezuinigingsoperatie? Erkent de regering dat de implementatie van de digitalisering van het procesrecht extra tijd, middelen, opleiding, apparatuur en capaciteit kost, en des te meer omdat de rechtspraak intussen blijft doorfunctioneren? De leden begrijpen dat de implementatie van het wetsvoorstel KEI niet afzonderlijk wordt gefinancierd, maar dat de rechterlijke macht de implementatiekosten uit de lopende begroting moet financieren. Is dat juist en kan de regering uitleggen waarom deze keuze is gemaakt? Kan de regering zich voorstellen dat er daarom wellicht te weinig investeringen worden gedaan om een optimale implementatie te realiseren, of dat de implementatie ten koste gaat van de capaciteit die benodigd is voor het optimaal functioneren van de rechtspraak? Zo ja, welke oplossingen ziet de regering hiervoor? De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering bereid is om via afzonderlijke projectfinanciering ervoor te zorgen dat de implementatie tijdig en zorgvuldig verloopt, zonder dat dit ten koste gaat van de rechtspraak?

Deze leden vragen of de regering bereid is om financieel bij te dragen aan de aanpassingen die alle procespartijen moeten maken om aangehaakt te zijn op de digitalisering van het procesrecht? Voorts vragen zij hoe lang de regering verwacht dat de aanloopperiode gaat duren, en wat het productieverlies zal zijn? Ook vragen zij welke maatregelen de regering neemt om de negatieve gevolgen voor de rechtszoekende te verminderen tijdens de aanloopfase?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering het eens is dat het systeem al moet zijn getest en voltooid zodra het toegepast gaat worden binnen de rechterlijke macht? Voorts vragen zij of de regering van mening is dat het systeem inmiddels voldoende is uitgebouwd en getest en voldoet aan de wensen en eisen van alle betrokken partijen? Ook vragen zij welke criteria er gelden voor de beslissing om met de digitalisering verantwoord naar een volgende fase te kunnen doorgaan (tot en met de landelijke uitrol)? Is daarover overeenstemming tussen alle partijen? Welk noodscenario is er beschikbaar voor als de implementatie (deels) mislukt?

Deelt de regering de opvatting van de leden van de GroenLinks-fractie dat het systeem gebruikersvriendelijk moet zijn voor alle betrokken procespartijen? Zo ja, in hoeverre bewaakt de regering dit?

Voornoemde leden vragen of de regering van mening is dat werkprocessen geüniformeerd moeten worden voor de digitalisering? Zo ja, hoe verhoudt zich een uniformering met het benodigde maatwerk van de rechter, bijvoorbeeld bij civiel recht?

De leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie zien de nota naar aanleiding van het verslag van de regering – uiterlijk 24 juni om 17.00 uur – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Duthler

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Van Dooren


X Noot
1

Letter H heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 34 059.

X Noot
2

Samenstelling:

Kox (SP), Engels (D66), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA) (vice-voorzitter), Duthler (VVD) (voorzitter), Ten Hoeve (OSF), Koffeman (PvdD), Swagerman (VVD), Strik (GL), Backer (D66), Knip (VVD), Barth (PvdA), Beuving (PvdA), Hoekstra (CDA), Popken (PVV), Schouwenaar (VVD), Schrijver (PvdA), Bikker (CU), Bredenoord (D66), Van Dijk (SGP), Markuszower (PVV), Van Rij (CDA), Rombouts (CDA), Van Weerdenburg (PVV), Wezel (SP)

X Noot
3

Ter inzage onder griffienummer:157642.07.

X Noot
4

Ter inzage onder griffienummer:157642.05.

X Noot
5

Ter inzage onder griffienummer:157642.09.

X Noot
6

Handelingen TK 2014–2015, 34 059, nr. 84 item 13.

X Noot
7

Ter inzage onder griffienummer 15764213.

X Noot
8

Ter inzage onder griffienummer 15764212.

X Noot
9

Ter inzage onder griffienummer 15764214.

X Noot
10

Ter inzage onder griffienummer 15764210.

X Noot
11

Ter inzage onder griffienummer 15764211.