Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2014-201534059 nr. B

34 059 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht

34 138 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie

B1 VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VEILIGHEID EN JUSTITIE2

Vastgesteld 15 juli 2015

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de beide voorliggende wetsvoorstellen. Zij zien de voordelen van de vereenvoudiging en digitalisering van de procedures in het bestuursprocesrecht en in het burgerlijk procesrecht, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en cassatie. Zij hebben nog een aantal vragen. Een aantal vragen betreft specifiek wetsvoorstel 34 059. Voor zover vergelijkbare bepalingen in het wetsvoorstel 34 138 terugkomen, moeten de betreffende vragen worden beschouwd als ook te zijn gesteld voor dat wetsvoorstel. Daarnaast stellen de aan het woord zijnde leden een aantal vragen van meer algemene aard.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de onderhavige wetsvoorstellen. Zij hebben hierover een enkele vraag.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de twee wetsvoorstellen, maar hebben nog een aantal observaties, vragen en bedenkingen. De voorstellen maken onderdeel uit van een vierluik dat tezamen de ingrijpendste wijziging is in rechtsvordering in burgerlijke zaken sinds de invoering ervan. Het procederen op papier wordt verplicht verlaten (artikel 30c) behalve voor natuurlijke personen en beperkte andere uitzonderingen. Vertrouwde terminologie die generaties van rechters, advocaten en deurwaarders hebben gebezigd, wordt verlaten (dagvaarding, exploot, reconventie et cetera) ten behoeve van enigszins steriele termen die beter passen bij de digitale wereld. De aan het woord zijnde leden zijn ervan overtuigd dat de rechtsorde gebaat is bij toepassing van de modernste technieken en dat de digitale wereld die kan bieden. Een wijziging van het procesrecht kan evenwel nimmer een neutrale gebeurtenis zijn. De rechtzoekende zelf heeft wellicht nog wat weinig stem gekregen in dit debat, terwijl naar de overtuiging van deze leden voor hem/haar de staat van het recht door deze exercitie niet zo mogen verslechteren en idealiter zelfs zou mogen verbeteren. Kan de regering dit laatste aspect inkleuren: waaruit zouden de verbeteringen bestaan, behalve uit snelheid en eenvoud of striktere afdoeningstermijnen voor de rechter (er kan verschillend gedacht worden over de vraag of dit uitsluitend winst is voor de rechtzoekende), en waaruit de risico's? En hoe zijn deze geadresseerd in de wetsvoorstellen? De valkuilen van dergelijke omvangrijke transitieprojecten zijn genoegzaam bekend. Hierop is uitvoerig gewezen vanuit de «stakeholders» (rechtspraak en advocatuur). Hierover hebben de leden van de D66-fractie onder de paragraaf overige observaties enkele vragen.

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de beide wetsvoorstellen. Zij staan in beginsel positief tegenover de doelstelling van de wetsvoorstellen. Wel hebben deze leden nog een aantal vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van wetsvoorstel 34 059 en wetsvoorstel 34 138. Zij steunen het streven van de regering de rechterlijke macht toegankelijker te maken en de rechtsgang in het burgerlijk procesrecht en het bestuursprocesrecht waar nodig te moderniseren. Deze leden hebben nog wel vragen mede naar aanleiding van een brief die zij onlangs ontvingen van de Nederlandse orde van advocaten (NOvA).

2. Wetsvoorstel 34 059

2.1 Digitaal indienen van stukken

In het conceptbesluit zoals dat ter consultatie is gegaan op 17 november 2014, wordt in het tweede lid van artikel 2 bepaald dat het digitale systeem is ingericht volgens nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald aan welke standaarden dit systeem tenminste moet voldoen. Dit is weinig zeggend, aldus de leden van de VVD-fractie. Welke standaarden zullen tenminste worden opgenomen in de ministeriële regeling? Op welke wijze wordt gecontroleerd en vastgesteld dat het digitale systeem daadwerkelijk aan de standaarden voldoet?

2.2 Gedelegeerde regelgeving

Op diverse plaatsen wordt verwezen naar een algemene maatregel van bestuur. De leden van de VVD-fractie stellen de vraag of hiermee steeds dezelfde algemene maatregel van bestuur wordt bedoeld. Of zijn er verschillende voorzien?

3. Invoeringstermijnen

Tot de Eerste Kamer hebben zich gewend de NOvA en de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG). In haar brief van 26 juni 20153 bepleit de NOvA temporisering van de invoering van de digitalisering van het procesrecht, mede tegen de achtergrond van ervaringen opgedaan bij de eerste (nog lopende) pilot. De KBvG geeft in haar brief van 29 juni 20154 aan dat de uitrol circa 3,9 miljoen euro gaat kosten − een bedrag dat haar leden niet zouden kunnen opbrengen. Tegen die achtergrond wordt gevreesd dat de invoering grote vertraging zal oplopen.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering wat zij van deze kritiek vindt, vooral in het licht van de belofte van toenmalig Minister van Veiligheid en Justitie Opstelten dat het systeem niet uitgerold zal worden totdat de veiligheid en betrouwbaarheid gegarandeerd zijn.

Tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer is zorg geuit over de invoeringstermijnen en de kostenallocatie. De leden van de D66-fractie hebben daarnaast echter nog een andere zorg die binnen hun aandachtsgebied ligt: de uitvoerbaarheid. Zij wijzen in het bijzonder op het te bewaren evenwicht tussen de diverse stakeholders in de rechtstaat. De burger als rechtzoekende is de laatste die nog «op papier» kan procederen. Waaruit put de regering het vertrouwen dat de advocatenkantoren – en zeker de kleinere − ingesteld zullen blijven op deze alsdan tijdrovender activiteit? Gaat dit een differentiatie geven in de vergoeding van rechtsbijstand, of is hiervoor een besparing ingeboekt? Omgaan met complexiteit, vertraging, kostenoverschrijding en een grilliger dan voorgenomen invoeringstraject zijn terugkerende «evergreens» bij dergelijke projecten.

De regering is tot geruststelling van deze leden tot nu toe standvastig geweest over het gegeven dat een verantwoorde invoeringstermijn noodzakelijk is. Daarmee is de belofte van toenmalig Minister van Veiligheid en Justitie Opstelten gestand gedaan dat het programma Kwaliteit en Innovatie rechtspraak (KEI) niet wordt uitgerold totdat de veiligheid en betrouwbaarheid gegarandeerd zijn. Daarbij heeft de regering bovendien steeds de goedkeuring van de Eerste Kamer van het vierluik als uitgangspunt genomen en terecht suggesties verworpen om alvast met invoering te beginnen. Uit de Handelingen van de Tweede Kamer blijkt ook dat de regering de twee voorliggende wetsvoorstellen wil invoeren zes maanden na aanvaarding van alle vier wetsvoorstellen. Twee voorstellen van het vierluik zijn nog bij de Tweede Kamer respectievelijk de Afdeling advisering van de Raad van State. De digitalisering van het procesrecht kan op verschillende tijdstippen voor de verschillende onderdelen worden ingevoerd. Hoe passen de genoemde zes maanden hierin? En welke werklast wordt er toegerekend aan het relevante waarin de rechter in de overgangsperiode elke zaak zou moeten bekijken?

De vraag die derhalve opkomt, is voor welk pakket of welke activiteit van het project de regering de minimumtermijn van zes maanden tussen goedkeuring van de voorstellen en implementatie hanteert. Dit is te meer van belang nu diverse stakeholders (zoals de NOvA) hebben gewezen op de zorgen die leven. Kan de regering toezeggen dat de «to do-list» die zij kennelijk als referentiepunt heeft voordat de KEI-start plaatsvindt, naar tevredenheid heeft afgestemd met de meest betrokken stakeholders? De leden van de D66-fractie achten het denkbeeldig dat temporisering niet kan worden uitgesloten om zeker te stellen dat KEI niet start voordat de rechtspraak en de advocatuur daarvoor gereed zijn en dat de rechtzoekende niet de dupe wordt van het zoveelste overhaast geïmplementeerde ICT- project van de overheid. Of daarvan sprake is, zal uit de stukken en de gedachtewisseling met de regering moeten blijken.

De leden van de fracties van SP en PvdA merken op dat in de hierboven aangehaalde brief van 26 juni 2015 de NOvA heeft aangevoerd voorstander te zijn van de modernisering en digitalisering van de rechtspraak (programma KEI), maar zich wel grote zorgen te maken over de implementatie. De NOvA is van mening dat de tijdsplanning te krap is en dat rechtspraak en advocatuur in de eerste helft van 2016 nog niet klaar zullen zijn voor de invoering. In dat kader refereert de NOvA aan een thans lopende kleine pilot voor digitaal procederen in het bestuursrecht, waaruit volgens de NOvA negatieve resultaten komen. Een van de twee aan de pilot deelnemende advocaten zou onlangs hebben geconstateerd dat digitaal procederen in de praktijk nog voor veel problemen zorgt en ten koste gaat van de cliënt. Tevens voert de NOvA feiten en omstandigheden aan waaruit zou blijken dat het risico reëel is dat advocatenkantoren die zeer grote volumes zaken doen of die met zeer complexe zaken te maken hebben, niet tijdig gebruik kunnen maken van de zogenaamde system-to-system-koppeling. Volgens de NOvA zullen deze kantoren daarom noodgedwongen gebruik moeten maken van het generieke webportaal, hetgeen een ernstige verstoring van hun werkprocessen met zich zou kunnen brengen. De NOvA wijst erop dat de regering heeft aangegeven dat eventueel uitstel van KEI geheel op het budget van de rechtspraak drukt en de NOvA vreest dat deze financiële prikkel leidt tot een tunnelvisie bij de projectorganisatie, waardoor de belofte van uw ambtsvoorganger dat KEI niet wordt uitgerold totdat de veiligheid en betrouwbaarheid zijn gegarandeerd, in gevaar zou kunnen komen.

De aan het woord zijnde leden vragen de regering of zij de door de NOvA geformuleerde zorgen deelt. Zo ja, hoe denkt de regering hierop adequaat te kunnen reageren? Deze leden verzoeken de regering in dit verband consciëntieus te reageren op de zorgen en op alle argumenten, feiten en omstandigheden die in dat kader zijn aangevoerd.

De leden van de SP-fractie wijzen voorts op een tweetal brieven van de KBvG van 29 juni 20155, waarin de beroepsorganisatie een aantal bezwaren en zorgen uitspreekt over de gevolgen van de wetsvoorstellen voor de gerechtsdeurwaarden. Deze leden vragen de regering of zij de geformuleerde bezwaren en zorgen deelt en zo ja, hoe de regering denkt deze te kunnen wegnemen.

4. Financiële gevolgen

De leden van de D66-fractie merken voorts op dat er diverse vragen zijn gesteld bij de plenaire behandeling in de Tweede Kamer over de verdeling van de daadwerkelijke – alsmede de eventuele − vertragingskosten. Elke maand vertraging zou circa 1,2 miljoen euro kosten. Maar vertraging vanaf wanneer? De rechtspraak ontwikkelt het systeem zelf, niet top down via een programma van eisen maar bottom up. Is de bouw van het systeem op de gevolgde manier niet sowieso anders, namelijk organisch ingericht, dan met vaste milestones? Dat lijkt de aan het woord zijnde leden positief, maar hun zorg ontstaat bij het lezen van de stelling dat de kosten uit de begroting van de Raad voor de rechtspraak moeten worden opgebracht. Geldt dat ook voor de overschrijdingen die het gevolg zijn van een systeem dat bottom up ontwikkeld wordt en is die systematiek niet een incentive om suboptimale uitkomsten te aanvaarden omwille van de budgetdiscipline? De rechtspraak wordt bovendien geconfronteerd met opgelegde (en ingeboekte) bezuinigingen. Kan de regering commentaar leveren op de stelling dat KEI op administratief niveau tot 40% reductie in kosten zal leiden, terwijl bij betrokkenen verwacht wordt dat zeker de eerste jaren er alleen maar meer personeel nodig zal zijn met de financiële gevolgen die daar de rechtspraak daaraan vast zitten? De eindverantwoordelijkheid van deze Minister voor een gelijke of betere uitkomst als gevolg van deze digitaliseringsexcercitie voor de rechtzoekende behoort te allen tijde bij de Minister te berusten. Deelt de regering die opvatting en zo ja, wat betekent dit voor de wijze waarop kosten worden geabsorbeerd?

5. Overige observaties

ICT-projecten, met name die van publieke organisaties, lopen nogal eens uit in tijd en kosten, en bevatten niet altijd de functionaliteiten die van te voren waren vastgesteld, zo brengen de leden van de VVD-fractie naar voren. Het is niet ondenkbaar dat dit ook voor het KEI-programma zal gelden. In de Tweede Kamer is de motie-Oskam (CDA) aangenomen waarin de regering wordt opgeroepen om KEI zes maanden later te implementeren.6 Indien dit uitstel te weinig soelaas biedt, welke mogelijkheden heeft de regering om implementatie van het KEI-programma verder uit te stellen?

Gaat de regering ervan uit dat voor de authenticatie om toegang te krijgen tot het digitale systeem voor gegevensverwerking gebruik gemaakt gaat worden van DigiD? Zijn er ook andere authenticatiemiddelen voorzien die gebruikt kunnen worden, anders dan DigiD, eHerkenning en de advocatenpas? Is er een procedure voorzien om te bepalen of deze onder het criterium vallen dat zij zijn uitgegeven door de overheid of een onder toezicht van de overheid staande organisatie zoals bedoeld in artikel 3 van het in november 2014 in consultatie gegeven Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht? Voornoemde leden horen graag de reactie van de regering.

In de nota van toelichting op het conceptbesluit dat op 17 november 2014 ter consultatie is gegaan, wordt aangegeven dat een Privacy Impact Assessment (PIA) is opgesteld. Niet is aangegeven wat de uitkomsten van de PIA waren en wat met deze uitkomsten is gedaan. De aan het woord zijnde leden vragen de regering om dat alsnog aan te geven.

In een van de brieven van de KBvG van 29 juni 2015 die eerder al is aangehaald, geeft de beroepsorganisatie aan dat gerechtsdeurwaarders jaarlijks 400.000 dagvaardingen indienen bij de gerechten. De KBvG maakt zich zorgen dat de system-to-system-koppeling tussen de gerechtsdeurwaarders en de gerechten niet samenvalt met de inwerkingtreding van de betreffende wetsvoorstellen. Als deze zorgen terecht blijken te zijn, zullen de gerechtsdeurwaarders de zaken één voor één via het portaal Mijn Zaak moeten indienen. Dit levert hen operationele problemen op. Kan de regering aangeven welk alternatief zij heeft als de system-to-system-koppeling niet gereed is op het moment dat de wetsvoorstellen in werking treden? De leden van de PvdA-sluit zich aan bij deze vraag van de leden van de VVD-fractie.

Ook de leden van de D66-fractie merken op dat ICT en overheid niet altijd een direct gelukkige combinatie is gebleken. Ook de rechtspraak heeft ervaring hiermee. Kan de regering de belangrijkste conclusies delen van de projecten Iris en Dives?

Aangezien een verstoring van de communicatie via de elektronische weg nooit kan worden uitgesloten, hechten deze leden aan het ter beschikking stellen van een «noodkanaal» in spoedeisende gevallen. Verwacht de regering dat het noodkanaal gereed is op het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel?

Deelt de regering de principiële stellingname van de leden van de D66-fractie dat het systeem in zijn lay-out en aansturing dienend is aan het recht en niet zodanig zal worden ingericht (technisch/governance) op een wijze dat vanwege techniek of financiering systeembeheerders of financiële controllers gaan bepalen welke beslissingen er genomen moeten worden en dus ook welke niet? De wens van uniformiteit mag volgens deze leden niet ten koste gaan van kwaliteit. In dat verband vragen zij specifiek ook aandacht voor een zorg over procederen bij de sectie kanton: vanwege de hoeveelheid en de diverse aard van de zaken − consumentenrecht, arbeidsrechtelijke en huurzaken, alsmede bewind voor de sectie kanton − zal het digitale systeem de drie manieren van procederen − digitaal, schriftelijk en mondeling in persoon − moeten kunnen accommoderen. Deelt de regering die zorg en zo nee, waarom niet? Welke gevolgen dat heeft voor een organisatie?

De leden van de D66-fractie vragen zich ten slotte af welke grensgevallen zich bij de natuurlijke personen kunnen voordoen en hoe daarop wordt geanticipeerd. Zijn eigenaars van eenmanszaken, de moderne zzp-er met een kvk-inschrijving, ook natuurlijke personen? Is overwogen – en wellicht nog te overwegen, desnoods bij wege van overgangsrecht – om de verplichting tot digitaal procederen simpeler te regelen, bijvoorbeeld de grens voor het kantonpakket te leggen bij vorderingen tot 25.000 euro? Een dergelijke aanpak voorkomt dat de griffie (waar dergelijke vragen het eerste terechtkomen) dient te onderzoeken of iemand een natuurlijk persoon is of niet. De betrokken justitiabelen zouden dan de keuze kunnen worden gelaten. Graag een reactie.

De leden van de SP-fractie onderschrijven de aan de wetsvoorstellen 34 059 en 34 138 verbonden doelstellingen van de regering om tot versnelling van de procedures te komen. Zij vragen zich evenwel in gemoede af of de aan het KEI-programma gekoppelde financiële doelstellingen en tijdschema's wel reëel zijn. Deze leden wijzen in dat verband op de hardnekkige en omvangrijke vertragingen die opgetreden zijn bij de twee pilots bij de gerechtshoven Amsterdam en Den Bosch. Deze pilots zijn net als de beide wetsvoorstellen beoogd om tot een versnelling van de procedures te komen en tegelijk tot een bezuiniging op de kosten van de rechtspraak. De leden stellen vast dat beide doelstellingen van de pilots niet zijn gehaald. Zij herinneren de regering in dat kader aan de schriftelijke vragen die op 23 september 2014 door haar fractielid Ruers aan de Minister van Veiligheid en Justitie zijn gesteld en waarop de Minister op 4 november 2014 heeft geantwoord.7 In die antwoorden stelt de Minister dat, anders dan de vragensteller aangaf, de pilots een succes zijn en dat de werkvoorraad aan oude zaken bij de twee hoven in de loop van 2014 gestaag zijn afgenomen. De aan het woord zijnde leden hebben onlangs echter kunnen vaststellen dat bij beide hoven er nog steeds grote vertragingen optreden, zowel bij de categorie oude zaken als bij de pilotzaken. Dat wordt door het gerechtshof 's-Hertogenbosch ook ruiterlijk erkend. De heer Ruers heeft uit hoofde van een andere functie dan lid van deze Kamer een brief van het hof Den Bosch van 27 mei 2015 ontvangen, waarin het hof opmerkt: «Zoals u mogelijk al heeft vernomen, is vertraging ontstaan in het wijzen van arresten. In 2013 zijn aanzienlijk meer zaken voor arrest komen te staan dan de feitelijke bezetting aan raadsheren kan verwerken. (.) In 2014 zijn maatregelen ingezet om in te lopen op de ontstane werkvoorraad en in 2015 zullen deze maatregelen verder worden aangepast en uitgebreid. Per 1 januari 2015 zullen zaken die niet meteen in behandeling kunnen worden genomen aan arresttermijn krijgen van 26 weken.» Voornoemde leden vernemen graag van de regering hoe zij tegen deze ernstige vertraging in de rechtspraak aankijkt. Kan de regering aangeven hoe deze kennelijk structurele vertraging bij het hof Den Bosch te rijmen is met de antwoorden van de Minister van 4 november 2014? Deelt de regering het oordeel van deze leden dat de vertraging bij het hof Den Bosch onacceptabel is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen op financieel en organisatorisch terrein gaat de regering nemen om deze vertraging op te heffen? Hoe beoordeelt de regering de vertragingen bij de beide gerechtshoven in het licht van artikel 20, eerste lid, Wetboek van Rechtsvordering (Rv), dat luidt: «De rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure en treft, zo nodig, op verzoek van een partij of ambtshalve maatregelen»? Deelt de regering tegen deze achtergrond verder het oordeel van de leden van de SP-fractie dat de met de wetsvoorstellen beoogde versnelling van rechtspraak alleen kan slagen, indien er voldoende tijd en middelen door de regering beschikbaar worden gesteld? Zo ja, is de regering bereid om toe te zeggen dat zij voor die noodzakelijke randvoorwaarden zal zorgen?

ARTIKELEN

Artikel I Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

I onderdeel N (Derde afdeling A, artikelen 30a-30q)

Artikel 30c

Het derde lid van artikel 30c van wetsvoorstel 34 059 bepaalt dat waar in het Rv ondertekening is voorgeschreven, aan dit vereiste is voldaan indien het stuk is ondertekend met een elektronische handtekening die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Dit lid is niet van toepassing op akten als bedoeld in artikel 156 Rv en op ondertekening van documenten in een arbitrageprocedure. Dat laatste kunnen de leden van de VVD-fractie goed plaatsen. Hoe wordt echter de authenticiteit van authentieke openbare of onderhandse akten als bedoeld in artikel 156 Rv gewaarborgd wanneer deze als productie bij bijvoorbeeld een dagvaarding of in termen van het wetsvoorstel als procesinleiding wordt gevoegd? Hoe sluiten de eisen die worden gesteld aan een elektronische authentieke onderhandse of openbare akte aan op die welke worden gesteld bij of krachtens de eerder genoemde algemene maatregel van bestuur?

Artikel 30f

Artikel 30f van wetsvoorstel 34 059 bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld over het elektronisch verkeer met de rechter, het digitale systeem voor gegevensverwerking en de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen wegen verstoring van het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten of van de toegang tot dit systeem. Een vergelijkbare bepaling kent het voorgestelde artikel 8:36f van de Algemene wet bestuursrecht. De leden van de VVD-fractie stellen de vraag of de inhoud van deze algemene maatregelen van bestuur reeds is vastgesteld en zo ja, of de regering die met de leden van deze Kamer wil delen.

Artikel 30n

In artikel 30n, eerste lid, van wetsvoorstel 34 059 wordt bepaald dat de rechter van de mondelinge behandeling proces-verbaal opmaakt op verzoek van de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad. De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe de betrouwbaarheid daarvan wordt gegarandeerd, gelet op het tijdsverloop dat zal optreden tussen het moment van de mondelinge behandeling en dat van het verzoek van de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad.

Het achtste lid van datzelfde artikel bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld over de toepassing van beeld- en geluidsopnamen. Kan de regering aangeven dat beeld- en geluidsopnamen nooit in de plaats komen van een proces-verbaal zoals geregeld in dit artikel, maar alleen ter aanvulling kunnen dienen op dit proces-verbaal? Wat is de status van het proces-verbaal? Verandert deze ten opzichte van de huidige status? Hoe verhoudt het proces-verbaal zich tot de beeld- en geluidsopnamen? De aan het woord zijnde leden vernemen graag de reactie van de regering.

De leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie zien de reactie van de regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Duthler

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Van Dooren


X Noot
1

De letter B heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 34 059.

X Noot
2

Samenstelling:

Broekers-Knol (VVD), Kox (SP), Engels (D66), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA) (vice-voorzitter), Duthler (VVD) (voorzitter), Ten Hoeve (OSF), Koffeman (PvdD), Schaap (VVD), Strik (GL), Backer (D66), Knip (VVD), Barth (PvdA), Beuving (PvdA), Hoekstra (CDA), Popken (PVV), Schouwenaar (VVD), Schrijver (PvdA), Bikker (CU), Bredenoord (D66), Van Dijk (SGP), Markuszower (PVV), Van Rij (CDA), Rombouts (CDA), Van Weerdenburg (PVV), Wezel (SP)

X Noot
3

Ter inzage gelegd op de Afdeling inhoudelijke ondersteuning onder griffienummer 157480.

X Noot
4

Ter inzage gelegd op de Afdeling inhoudelijke ondersteuning onder griffienummer 157480.01.

X Noot
5

Ter inzage gelegd op de Afdeling inhoudelijke ondersteuning onder griffienummers 157480.01 en 157480.02. Zie in dit verband ook voetnoot 3.

X Noot
6

Kamerstukken II 2014–2015, 34 059, nr. 12.

X Noot
7

Kamerstukken I 2014–2015, Aanhangsel van de Handelingen nr. 2.