Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2016-201734059 nr. K

34 059 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht

34 138 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie

34 212 Aanpassing van wetten in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht)

34 237 (R2054) Aanpassing van Rijkswetten in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie alsmede in verband met de uitbreiding van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad (Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen)

K1 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 november 2016

Aan uw Kamer is toegezegd dat de wetgeving die onder meer voorziet in de verplichte digitale procesvoering (KEI) niet eerder in werking treedt dan zes maanden na plaatsing in het staatsblad. In de voortgangsrapportage KEI die ik op 7 november 2016 naar uw Kamer heb gezonden heb ik aangegeven dat uitgaande van die zes maanden werd gekoerst op 1 februari 2017, maar dat besluitvorming daarover nog plaats moest vinden. Ik heb daarbij gemeld dat de eigen bevindingen van de rechtspraak en de consultatie van de ketenpartijen ertoe kunnen leiden dat met het oog op de zorgvuldigheid wat meer tijd wordt genomen.

De voorzitter van de Raad voor de rechtspraak (Raad) heeft mij bij brief van 23 november jl. geïnformeerd over de stand van zaken. In het kort komt het erop neer dat in goed overleg met de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) is besloten om in elk geval twee maanden extra tijd te nemen. De Raad en de NOvA hebben afspraken gemaakt over de extra inspanningen die in deze periode zullen worden gepleegd.

Kortheidshalve verwijs ik hiervoor naar de hiervoor genoemde brief van de voorzitter van de Raad en zijn brief van dezelfde datum aan de Algemene Raad van de NOvA. Beide brieven2 zijn bijgevoegd.

Zoals ik eerder heb aangegeven is zorgvuldigheid bij de inwerkingtreding van groot belang. Ik vind het daarom verstandig dat de Raad, in goed overleg met de NOvA, heeft besloten nog een paar maanden extra te nemen voor de eerste fase van inwerkingtreding.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Letter K heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 34 059.

X Noot
2

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffie nr. 157642.17.