Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2014-201534041 nr. A

34 041 Wijziging van de Mijnbouwwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met implementatie van richtlijn nr. 2013/30/EU van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178), en wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de omkering van de bewijslast bij schade binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk

A GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

28 april 2015

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor de implementatie van richtlijn 2013/30/EU noodzakelijk is de Mijnbouwwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten op enkele punten te wijzigen, alsmede dat het wenselijk is om Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen ten behoeve van een omkering van de bewijslast bij schade binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Mijnbouwwet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 worden onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel u door een puntkomma, de volgende onderdelen toegevoegd:

v. zwaar ongeval:
  • 1°. een incident met daarbij een explosie, brand of verlies van controle over de boorput of lekkage van olie, gas of gevaarlijke stoffen, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel,

  • 2°. een incident dat tot ernstige schade aan het mijnbouwwerk of de verbonden infrastructuur leidt, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel,

  • 3°. een incident leidend tot de dood of tot ernstige verwondingen van vijf of meer personen, die aanwezig zijn op het mijnbouwwerk waar het gevaar zijn oorsprong vindt of die betrokken zijn bij een olie- of gasactiviteit in verband met het mijnbouwwerk of de verbonden infrastructuur of

  • 4°. een zwaar milieuincident dat voortvloeit uit de incidenten als bedoeld onder a, b en c en dat leidt of naar verwachting zal leiden tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu, als bedoeld in richtlijn 2004/35/EG;

w. kennisgeving:

een schriftelijke aankondiging van een voorgenomen activiteit;

x. exploitant:

een houder van een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of indien er meerdere houders van de vergunning zijn, één van de vergunninghouders die overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, is aangewezen om de feitelijke werkzaamheden te verrichten of daartoe opdracht te verlenen;

y. boorgatactiviteit:

elke activiteit, met inbegrip van het opschorten daarvan, met betrekking tot een boorgat waarbij per ongeluk stoffen kunnen vrijkomen, wat mogelijk tot een zwaar ongeval kan leiden, waarbij het in ieder geval gaat om:

  • 1°. het boren van een boorgat ten behoeve van de opsporing of winning van koolwaterstoffen,

  • 2°. het herstellen of aanpassen van een boorgat of

  • 3°. het definitief verlaten van een boorgat;

z. gecombineerde activiteit:
  • 1°. een activiteit die wordt uitgevoerd vanaf een mijnbouwwerk samen met één of meerdere andere mijnbouwwerken ten behoeve van aan het andere mijnbouwwerk gerelateerde doeleinden, waarbij de risico’s voor de veiligheid van personen of de bescherming van het milieu op één of alle mijnbouwwerken aanzienlijk wordt beïnvloed of

  • 2°. het gelijktijdig uitvoeren van werkzaamheden;

aa. onafhankelijke verificatie:

een beoordeling en bevestiging van de geldigheid van bepaalde schriftelijke verklaringen, door een entiteit of organisatorisch onderdeel van de vergunninghouder of eigenaar van een mijnbouwwerk die niet onder de controle of invloed valt van de entiteit die of het organisatorisch onderdeel dat de verklaringen gebruikt;

ab. productie-installatie:

een mijnbouwwerk dat gebruikt wordt voor het winnen of bewerken van koolwaterstoffen, met uitzondering van inrichtingen waarvoor het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 geldt, of een pijpleiding, met uitzondering van pijpleidingen waarvoor het Besluit externe veiligheid buisleidingen geldt;

ac. niet-productie-installatie:

een mijnbouwwerk niet zijnde een productie-installatie en niet zijnde een mijnbouwwerk bestemd voor het winnen van zout of aardwarmte of voor het opslaan van stoffen;

ad. richtlijn 2013/30/EU:

richtlijn 2013/30/EU van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178);

ae. richtlijn 2008/56/EG:

richtlijn 2008/56/EG van het Europees parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PbEU 2008, L 164);

af. essentiële wijziging:

wezenlijke verandering die de kern betreffen;

ag. pijpleiding:
  • 1°. leiding die twee of meer mijnbouwwerken met elkaar verbindt ten behoeve van het vervoer van stoffen, te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;

  • 2°. andere leiding dan bedoeld onder 1°, aan te wijzen door Onze Minister, die een mijnbouwwerk verbindt met een ander werk ten behoeve van het vervoer van stoffen te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk.

B

Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit inzake de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, voor het opsporen van koolwaterstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee.

Ba

Artikel 9, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c vervalt: of.

2. Onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel d door «, of» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. indien op grond van beschikbare gegevens blijkt dat het risico bestaat dat als gevolg van de activiteiten, bedoeld in artikel 6, eerste lid:

    • i. nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt,

    • ii. schade door bodembeweging wordt veroorzaakt,

    • iii. de veiligheid wordt geschaad, of

    • iv. de volksgezondheid wordt geschaad.

C

Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a

  • 1. In aanvulling op artikel 9, eerste lid, onder a, wordt bij een aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen bij de beoordeling van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager rekening gehouden met:

    • a. het risico, de gevaren en andere relevante informatie over het gebied waarvoor de vergunning zal gaan gelden;

    • b. de financiële draagkracht van de aanvrager om alle eventueel uit de desbetreffende opsporings- en winningsactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden te dragen;

    • c. de beschikbare informatie betreffende de technische bekwaamheden en de veiligheids- en milieuprestaties van de aanvrager.

  • 2. Bij een aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee wordt bij de beoordeling van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager, tevens rekening gehouden met de kosten van aantasting van het mariene milieu als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c, van richtlijn 2008/56/EG;

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de informatie met betrekking tot de veiligheids- en milieuprestatie van de aanvrager, die bij de beoordeling van diens technische en financiële mogelijkheden, meegenomen wordt.

Ca

In artikel 10, tweede lid, wordt «artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c» vervangen door: artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c en e.

D

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. In een vergunning voor opsporing en winning van koolwaterstoffen wordt de omvang van de middelen bepaald die de houder van de vergunning verplicht is aan te houden om te voldoen aan financiële verplichtingen die voort kunnen vloeien uit aansprakelijkheden ter zake van op basis van de vergunning te verrichten activiteiten.

Da

Artikel 13 komt te luiden:

Artikel 13

Een vergunning kan tevens onder andere beperkingen dan die bedoeld in artikel 11 worden verleend. Aan deze vergunning kunnen tevens andere voorschriften worden verbonden dan die bedoeld in artikel 12.

Db

In artikel 16 wordt na «gedeputeerde staten van de provincie» ingevoegd: , het dagelijks bestuur van het waterschap alsmede het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van het gebied.

Dc

In artikel 17 wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2a. Indien de beslissing afwijkt van een of meer op grond van artikel 16 uitgebrachte adviezen vermeldt Onze Minister zulks met de redenen voor afwijking in de motivering.

E

Na artikel 24 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 24a

In aanvulling op artikel 17.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, draagt ook de houder van een vergunning voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee, de kosten voor de maatregelen genoemd in dat lid.

F

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «het milieu» vervangen door: mens en milieu.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De houder van een vergunning voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen neemt alle noodzakelijke maatregelen om de gevolgen van een zwaar ongeval voor mens en milieu te beperken.

G

Na artikel 33 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 33a

  • 1. De houder van een vergunning voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen verricht de activiteiten op basis van systematisch risicobeheer, zodat de overblijvende risico’s op zware ongevallen voor mens, milieu en het mijnbouwwerk aanvaardbaar zijn.

  • 2. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de risico’s, bedoeld in het eerste lid, wordt een risiconiveau gehanteerd waarbij de tijd, kosten of inspanningen voor een verdere beperking ervan zwaar onevenredig zouden zijn in relatie tot het voordeel van een dergelijke beperking. Bij het beoordelen of tijd, kosten of inspanningen zwaar onevenredig zouden zijn in relatie tot de voordelen van verdere risicoreductie, worden de tot de beste praktijken behorende risiconiveaus die passen bij de onderneming in aanmerking genomen.

Ga

Onder vernummering van het vijfde tot zesde lid wordt in artikel 34 een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Voordat Onze Minister instemming verleent met een winningsplan worden gedeputeerde staten van de provincie, het dagelijks bestuur van het waterschap alsmede het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van het gebied waarop het winningsplan betrekking heeft in de gelegenheid gesteld binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn advies uit te brengen over het winningsplan.

Gb

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b vervalt: , voorzover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat of onder de territoriale zee vanuit een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn, tenzij Onze Minister anders heeft bepaald.

2. Aan het eerste lid wordt onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel b door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. indien het op grond van beschikbare gegevens aannemelijk is dat als gevolg van de activiteiten, bedoeld in artikel 6, eerste lid:

    • i. nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan,

    • ii. de veiligheid wordt geschaad, of

    • iii. de volksgezondheid wordt geschaad.

3. In het tweede lid vervalt: , indien deze gerechtvaardigd worden door een grond als genoemd in het eerste lid.

Gc

In artikel 36 wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2a. Indien Onze Minister instemming verleent die afwijkt van een of meer op grond van artikel 34 uitgebrachte adviezen vermeldt Onze Minister zulks met de redenen voor afwijking in de motivering.

Gd

Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «in het belang van de bescherming van het milieu» vervangen door: in het belang van de bescherming van het milieu, de veiligheid of de volksgezondheid.

2. In het vierde en zevende lid wordt na «de bescherming van het milieu» telkens ingevoegd: , de veiligheid of de volksgezondheid.

H

Artikel 43 komt te luiden:

Artikel 43

  • 1. Rondom een mijnbouwinstallatie geldt een veiligheidszone van 500 meter.

  • 2. Het is verboden zich te bevinden dan wel enig voorwerp te hebben of te doen hebben binnen een veiligheidszone, bedoeld in het eerste lid, anders dan ten behoeve van het op grond van een vergunning opsporen of winnen van delfstoffen, aardwarmte of het opslaan van stoffen.

  • 3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer het verbod, bedoeld in het tweede lid, niet geldt.

  • 4. Onze Minister kan op verzoek een ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het tweede lid.

  • 5. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

  • 6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de aanvraag voor de ontheffing, wijziging of intrekking van de ontheffing.

I

Na artikel 45 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 4.1a Verplichtingen bij de opsporing en winning van koolwaterstoffen

Artikel 45a

Deze paragraaf is van toepassing op de opsporing en winning van koolwaterstoffen.

§ 4.1a.1.1. Rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie

Artikel 45b
  • 1. Een exploitant van een productie-installatie stelt een rapport inzake grote gevaren op voor een productie-installatie en dient dit in bij het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 2. Het rapport inzake grote gevaren behoeft de instemming van het Staatstoezicht op de mijnen voor zover het rapport ziet op een productie-installatie die is gelegen op het continentaal plat of in de territoriale zee en deze productie-installatie gelegen is aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.

  • 3. Een rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid kan, indien het Staatstoezicht op de mijnen daarmee instemt, voor een groep van installaties worden opgesteld.

  • 4. Een exploitant van een productie-installatie als bedoeld in het tweede lid start niet met activiteiten op productie-installaties of zet deze activiteiten niet voort, met uitzondering van verkenningsonderzoek, voordat het Staatstoezicht op de mijnen heeft ingestemd met het rapport inzake grote gevaren voor de desbetreffende productie-installaties.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de indiening van en de instemming met het rapport inzake grote gevaren.

Artikel 45c
  • 1. Bij het rapport inzake grote gevaren worden in elk geval de volgende documenten gevoegd:

    • a. het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen, bedoeld in artikel 45j;

    • b. het veiligheids- en milieubeheerssysteem dat van toepassing is op de productie-installatie, bedoeld in artikel 45k;

    • c. een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie, bedoeld in artikel 45l.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud van het rapport inzake grote gevaren, de wijze waarop dit rapport wordt opgesteld en de documenten die daarbij worden gevoegd.

Artikel 45d
  • 1. Een exploitant van een productie-installatie herziet om de vijf jaar het rapport inzake grote gevaren en brengt de resultaten van de herziening ter kennis van het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 2. Het Staatstoezicht op de mijnen kan bepalen dat de herziening eerder geschiedt.

Artikel 45e
  • 1. In het geval van een essentiële wijziging van een productie-installatie of van ontmanteling van een productie-installatie, dient de exploitant van deze productie-installatie een gewijzigd rapport inzake grote gevaren in bij het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 2. De geplande wijzigingen of de ontmanteling worden niet uitgevoerd voordat het Staatstoezicht op de mijnen heeft ingestemd met het gewijzigd rapport inzake grote gevaren voor zover het een productie-installatie betreft die is gelegen op het continentaal plat of in de territoriale zee, voor zover deze productie-installatie is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgestelde lijn.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de indiening van en de instemming met het gewijzigd rapport inzake grote gevaren.

§ 4.1a.1.2. Rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie

Artikel 45f
  • 1. Een eigenaar van een niet-productie-installatie stelt een rapport inzake grote gevaren op voor de niet-productie-installatie en dient het bij het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 2. Het rapport inzake grote gevaren behoeft de instemming van het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 3. Een eigenaar van een niet-productie-installatie start niet met activiteiten op een niet-productie-installatie, waaronder gecombineerde activiteiten of boorgatactiviteiten, met uitzondering van verkenningsonderzoek, of zet deze activiteiten niet voort voordat het Staatstoezicht op de mijnen heeft ingestemd met het rapport inzake grote gevaren voor de betreffende niet-productie-installatie.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de indiening van en de instemming met het rapport inzake grote gevaren.

Artikel 45g
  • 1. Bij het rapport inzake grote gevaren worden in elke geval de volgende documenten gevoegd:

    • a. het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen, bedoeld in artikel 45j;

    • b. het veiligheids- en milieubeheerssysteem dat van toepassing is op de niet-productie-installatie, bedoeld in artikel 45k;

    • c. een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie, bedoeld in artikel 45l.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud van het rapport inzake grote gevaren, de wijze waarop dit rapport moet worden opgesteld en de documenten die daarbij worden gevoegd.

Artikel 45h
  • 1. Een eigenaar van een niet-productie-installatie herziet om de vijf jaar het rapport inzake grote gevaren en brengt de resultaten van de herziening ter kennis van het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 2. Het Staatstoezicht op de mijnen kan bepalen dat de herziening eerder geschiedt.

Artikel 45i
  • 1. In het geval van een essentiële wijziging van een niet-productie-installatie of van ontmanteling van een vaste niet-productie-installatie, dient de eigenaar van deze installatie een gewijzigd rapport inzake grote gevaren in bij het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 2. De geplande wijzigingen en de ontmanteling worden niet uitgevoerd voordat het Staatstoezicht op de mijnen heeft ingestemd met het gewijzigd rapport inzake grote gevaren.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het gewijzigd rapport inzake grote gevaren.

§ 4.1a.1.3. Overige documenten

Artikel 45j
  • 1. De exploitant van een productie-installatie stelt een bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen op en past dit toe bij alle door de exploitant te verrichten opsporings- en winningsactiviteiten.

  • 2. De eigenaar van een niet-productie-installatie stelt een bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen op en past dit toe bij alle door de eigenaar te verrichten opsporings- en winningsactiviteiten.

  • 3. De exploitant, bedoeld in het eerste lid, en de eigenaar, bedoeld in het tweede lid, passen het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen tevens toe op zijn mijnbouwinstallaties die buiten de Europese Unie in werking zijn.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de inhoud van het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen en de wijze waarop dit moet worden opgesteld.

Artikel 45k
  • 1. De exploitant van een productie-installatie beschrijft in een document het veiligheids- en milieubeheerssysteem.

  • 2. De eigenaar van een niet-productie-installatie beschrijft in een document het veiligheids- en milieubeheerssysteem.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de inhoud van het veiligheids- en milieubeheerssysteem en de wijze waarop het ontwikkeld wordt.

Artikel 45l
  • 1. De exploitant stelt een regeling voor onafhankelijke verificatie op voor zijn productie-installatie.

  • 2. De eigenaar stelt een regeling voor onafhankelijke verificatie op voor zijn niet-productie-installatie.

  • 3. De exploitant van een productie-installatie stelt een regeling voor onafhankelijke verificatie op voor kennisgevingen van boorgatactiviteiten.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    • a. de eisen waaraan de regeling voor onafhankelijke verificatie moet voldoen,

    • b. de selectiecriteria voor een onafhankelijke verificateur,

    • c. het moment waarop de regeling voor onafhankelijke verificatie getroffen wordt,

    • d. de wijze waarop de exploitant of de eigenaar uitvoering geeft aan het advies van de onafhankelijke verificateur en

    • e. de wijze van bekendmaking van het advies van de onafhankelijke verificateur aan het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 5. Bij ministeriële regeling wordt de termijn vastgesteld:

    • a. gedurende welke de exploitant van een productie-installatie en de eigenaar van een niet-productie-installatie het advies van de onafhankelijke verificateur en documentatie over de maatregelen die op grond van een dergelijk advies door hen zijn genomen, bewaren;

    • b. waarbinnen de exploitant en de eigenaar een regeling voor onafhankelijke verificatie voor de desbetreffende installatie, treffen.

§ 4.1a.2. Kennisgevingen

Artikel 45m

  • 1. De exploitant dient bij een voorgenomen productie-installatie een kennisgeving van het ontwerp in bij het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 2. Wanneer er vóór de indiening van het rapport inzake grote gevaren een essentiële wijziging wordt aangebracht in het ontwerp van de voorgenomen productie-installatie, meldt de exploitant dit zo snel mogelijk bij het Staatstoezicht op de mijnen.

Artikel 45n

  • 1. De exploitant dient in het geval van een boorgatactiviteit, een kennisgeving van de boorgatactiviteit in bij het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, bevat tevens het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen voor zover dit beleid niet reeds eerder is ingediend bij het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 3. Bij een essentiële wijziging in de gegevens van een ingediende kennisgeving van boorgatactiviteiten betrekt de exploitant een onafhankelijke verificateur bij het opstellen daarvan en stelt het Staatstoezicht op de mijnen in kennis van deze wijziging.

Artikel 45o

  • 1. De exploitant van een productie-installatie dient in het geval een bestaande mijnbouwinstallatie verplaatst moet worden naar een nieuwe productielocatie, een kennisgeving in bij het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 2. Wanneer er vóór de indiening van het rapport inzake grote gevaren een essentiële wijziging wordt aangebracht in de kennisgeving van de verplaatsing, meldt de exploitant dit zo snel mogelijk bij het Staatstoezicht op de mijnen.

Artikel 45p

  • 1. De exploitant van een productie-installatie dient in het geval van een gecombineerde activiteit, een kennisgeving van gecombineerde activiteiten in bij het Staatstoezicht op de mijnen.

  • 2. De kennisgeving van gecombineerde activiteiten wordt gezamenlijk opgesteld door de exploitant van de productie-installatie en de betrokken eigenaren van de niet-productie-installaties.

  • 3. De exploitant van een productie-installatie en de eigenaar van een niet-productie-installatie starten niet met boorgatactiviteiten of gecombineerde activiteiten, voordat een kennisgeving aan het Staatstoezicht op de mijnen is voorgelegd.

  • 4. De exploitant van een productie-installatie en de eigenaar van een niet-productie-installatie beginnen niet met of staken de boorgatactiviteiten of de gecombineerde activiteiten, indien het Staatstoezicht op de mijnen bezwaren heeft geuit over de inhoud van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid.

  • 5. De exploitant van een productie-installatie stelt het Staatstoezicht op de mijnen in kennis van elke essentiële wijziging in de ingediende kennisgeving van gecombineerde activiteiten.

Artikel 45q

  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

    • a. de inhoud van de kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o en 45p;

    • b. de verplichtingen van de exploitant of de eigenaar inzake eventuele opmerkingen van het Staatstoezicht op de mijnen over de inhoud en de wijzigingen van de kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o en 45p.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o en 45p, moeten worden ingediend.

J

Artikel 127 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede lid tot het derde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Het Staatstoezicht op de mijnen heeft tevens tot taak:

    • a. in te stemmen met rapporten inzake grote gevaren, bedoeld in de artikelen 45b en 45f;

    • b. kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o, 45p te beoordelen;

    • c. het adviseren van Onze Minister inzake vergunningverlening, bedoeld in artikel 6;

    • d. een mechanisme op te zetten voor vertrouwelijke melding van veiligheids- en milieukwesties met betrekking tot activiteiten die zien op de opsporing of winning van koolwaterstoffen en het onderzoeken van deze meldingen;

    • e. regelmatig kennis, gegevens en ervaringen uit te wisselen met toezichthouders van andere lidstaten overeenkomstig artikel 27 van richtlijn 2013/30/EU;

    • f. informatie uit te wisselen overeenkomstig artikel 23 van richtlijn 2013/30/EU;

    • g. informatie te publiceren overeenkomstig artikel 24 van richtlijn 2013/30/EU.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. De inspecteur-generaal der mijnen stelt bij een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 33, een onderzoek in en dient een samenvatting van de bevindingen in bij de Europese Commissie.

  • 5. De inspecteur-generaal der mijnen draagt er zorg voor dat de aanbevelingen naar aanleiding van de bevindingen, bedoeld in het vierde lid, worden uitgevoerd, voor zover deze binnen diens bevoegdheid vallen.

K

Aan artikel 128 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De inspecteur-generaal der mijnen dient jaarlijks voor een bij ministeriële regeling vast te stellen datum, aan Onze Minister een jaarplan in, waarin de plannen worden uitgewerkt voor een effectief toezicht gebaseerd op risicobeheer en waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan de naleving van de verplichtingen, genoemd in § 4.1a.

L

Artikel 130 komt te luiden:

Artikel 130

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en op welke wijze de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 dan wel degene die een verkenningsonderzoek uitvoert of voornemens is uit te voeren, wordt verplicht de in de artikelen 129 en 131 bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van hun bevoegdheden:

  • a. met inbegrip van hun uitrusting, te vervoeren naar door deze ambtenaren aan te duiden plaatsen waar met gebruikmaking van de vergunning activiteiten worden of zullen worden uitgevoerd dan wel waar een verkenningsonderzoek wordt of zal worden uitgevoerd;

  • b. te voorzien van een verblijfplaats;

  • c. te voorzien in maaltijden en andere benodigdheden.

M

Artikel 133 vervalt.

N

Na artikel 132 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 8.4. Retributie

Artikel 133

  • 1. De kosten voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 127, tweede lid, onderdelen a tot en met c, en het toezicht hierop, bedoeld in artikel 127, eerste lid, worden doorberekend aan de exploitanten van een productie-installatie en de eigenaren van een niet-productie-installatie.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de doorberekening van de betreffende kosten.

  • 3. De bedragen die Onze Minister ter vergoeding van de kosten van de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, aan de exploitanten van productie-installaties en eigenaren van niet-productie-installaties in rekening brengt worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

  • 4. Onze Minister kan de verschuldigde bedragen invorderen bij dwangbevel. Titel 4.4, met uitzondering van de artikelen 4:85 en 4:95, van de Algemene wet bestuursrecht is, voor zover al niet van toepassing, van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Voor zover een door Onze Minister in rekening gebracht bedrag verplicht tot betaling van een geldsom, komt deze geldsom toe aan de Staat der Nederlanden.

ARTIKEL IA

In Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden aan artikel 177 vier leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk schade ontstaat, die naar zijn aard mijnbouwschade zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk veroorzaakt is. Indien binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk als gevolg van de uitstroming van delfstoffen schade ontstaat, die naar zijn aard mijnbouwschade zou kunnen zijn, wordt vermoed dat de schade het gevolg is van het niet beheersen van de ondergrondse natuurkrachten die door de aanleg of bij de exploitatie van het werk zijn ontketend.

  • 7. Indien mijnbouwschade aan gebouwen en werken is ontstaan, kan de aanwezigheid van direct waarneembare bouwkundige gebreken van invloed zijn op de omvang van de schadevergoeding voor zover dat redelijk is. Aan een gebrek waarvan het aannemelijk is dat het geen schade veroorzaakt zou hebben indien de beweging van de bodem of de uitstroming van delfstoffen zich niet zou hebben voorgedaan, wordt geen gewicht toegekend.

  • 8. De eigenaar van een gebouw of werk die een beroep doet op het vermoeden, bedoeld in het zesde lid, geeft de tot schadevergoeding aangesproken exploitant op diens verzoek de betreffende vergunning of vergunningen voor het gebouw of werk ter inzage indien hij daarover beschikt.

  • 9. Op verzoek van de wederpartij verstrekt de exploitant alle informatie waarover hij beschikt ten aanzien van de exploitatie, de bodemstructuur, en bodembewegingen die benodigd is om te kunnen beoordelen of zijn verweer gegrond is. In dit verband staat de informatie waarover publiekrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hun adviserende instanties beschikken op verzoek van de exploitant ter beschikking van degene die verhaal voor mijnbouwschade zoekt.

  • 10. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op welke wijze het effectgebied van een mijnbouwwerk wordt vastgesteld. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur wordt het gebied waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 van de Mijnbouwwet is afgegeven, geacht zich te bevinden binnen het effectgebied.

ARTIKEL II

De begripsomschrijving van milieuschade in artikel 17.6, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel 3°, wordt vernummerd tot onderdeel 4°.

2. Na onderdeel 2°, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • 3°. elke vorm van schade die een aanmerkelijke negatieve invloed heeft op de milieutoestand van de betrokken maritieme wateren, als omschreven in richtlijn 2008/56/EG van het Europees parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PbEU 2008, L 164), voor zover bijzondere aspecten van de milieutoestand van het mariene milieu al niet in de kaderrichtlijn water worden behandeld;.

ARTIKEL III

Artikel 1 van de Wet op economische delicten wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 1, wordt na «de Landbouwwet, artikel 19;» ingevoegd: De Mijnbouwwet, de artikelen 6, 13, tweede lid, 22, vijfde lid, 23, 25, artikel 29, eerste en derde lid, 31d, eerste lid, 31i, 33, 33a, 34, eerste en derde lid, 36, tweede en derde lid, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 45b, 45c, 45d, 45e, 45f, 45g, 45h, 45i, 45j, 45k, 45l, 45m, 45n, 45o, 45p, 45q, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 91, tweede lid, 102, 120, 123, 130 en 151;.

2. In onderdeel 2, vervalt de zevende alinea.

ARTIKEL IV

  • 1. Voor productie-installaties en niet-productie-installaties die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds zijn geplaatst, wordt § 4.1a toegepast vanaf het moment waarop ingevolge de op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet geldende regels toezending van het veiligheids- en gezondheidsdocument aan de toezichthouder verplicht is, of, als dat later is, vanaf 19 juli 2018.

  • 2. Voor productie-installaties en niet-productie-installaties die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn geplaatst, wordt § 4.1a toegepast vanaf 19 juli 2016.

ARTIKEL V

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Economische Zaken,